< Terug

Het paasverhaal van Johannes

Johannes 20, 1-18

Het was heel vroeg in de morgen.

Zo vroeg, dat het nog bijna helemaal donker was.

Maria werd wakker.

Niet Maria, de moeder van Jezus, maar Maria Magdalena.

Jezus was haar leraar, een heel goede vriend van haar.

En nu was hij dood.

Er was alleen nog maar een graf om naar toe te gaan.

Dat was een grot.

Daar hadden ze het lichaam van Jezus in gelegd.

Voor de ingang van de grot was een grote, zware steen gerold.

Toen Maria bij het graf kwam, schrok ze.

De steen was opzij gerold, en het graf was leeg!

Snel rende ze naar Simon Petrus en een andere leerling toe.

Die gingen meteen met haar mee naar het graf toe.

Eerst vonden ze het maar eng.

Ze durfden niet goed in het graf te kijken.

Uiteindelijk gingen ze toch de grot binnen.

In het graf vonden ze alleen nog maar wat doeken.

Jezus was hier niet. Hij was ook niet ergens anders neergelegd.

Anders hadden die doeken er niet meer gelegen.

Was hij uit de dood opgestaan?

Dat had Jezus gezegd toen hij nog leefde.

Nu begrepen ze pas wat hij toen bedoelde.

Hier was hij niet meer.

Ze gingen naar huis.

Maria stond buiten bij het graf te huilen.

En terwijl ze haar tranen liet stromen, boog ze zich voorover en keek de rotsholte in.

Op de plek waar het lichaam van Jezus gelegen had, zaten twee in het wit geklede engelen.

Eén aan de kant van Jezus’ hoofd, en één aan de kant van Jezus’ voeten.

De engelen zeiden tegen haar: ‘Waarom huil je zo?’

‘Ze hebben Jezus weggehaald, en ik weet niet waar ze zijn lichaam hebben neergelegd.’

Toen ze dat gezegd had, draaide Maria zich om en zag Jezus staan.

Maar ze wist niet dat het Jezus was.

Ze dacht dat het de tuinman was.

Jezus zei tegen haar: ‘Waarom huil je zo? Wie zoek je?’

‘Ach, meneer, als u hem hebt weggebracht, zeg me dan waar u zijn lichaam haar toe hebt gebracht, dan ga ik hem halen!’

Toen zei Jezus tegen haar: ‘Maria!’

Ze keerde zich om en zei tegen hem: ‘Rabboeni!’

Dat betekent leraar.

Toen zei Jezus: ‘Houd me niet vast. Ga naar mijn broeders en zeg hun: ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.’

Maria Magdalena ging alles aan de leerlingen vertellen.

< Terug