< Terug

Het primaat van de hebzucht

Als er één ondeugd is die in het afgelopen decennium een opvallende comeback heeft beleefd, dan is het wel de hebzucht. Vooral vlak na de financiële crisis van 2008 kon je geen krant of tijdschrift openslaan, of er werd wel aandacht besteed aan deze slechte karaktertrek, die zich manifesteert als een buitensporig, onverzadigbaar, nietsontziend verlangen naar rijkdom. Er mocht geen twijfel over bestaan, de crisis was het gevolg van deze onhebbelijkheid. Het is opvallend dat, nu het economisch weer wat beter gaat, de kritiek op de hebzucht geenszins is verstomd.

Het ging erom welke zonde als ‘aanvoerder’ van de zeven hoofdzonden moest worden gezien.
Jeroen Linssen is als universitair docent praktische filosofie werkzaam aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is tevens de onderwijsdirecteur van deze faculteit.

Topsalarissen en bonussen van bestuurders zijn nog voortdurend onderwerp van debat. Het zogenaamde ‘graaien’ moet voor eens en voor altijd ophouden, zo luidt het devies. Niet alleen omdat de gewone man de rekening betaalt, maar vooral omdat het schadelijk is voor de economie en de samenleving als geheel. In dit artikel zal ik deze recente kritiek op de hebzucht verder laten rusten. In plaats daarvan ga ik terug naar de middeleeuwen, naar het moment waarop zich een enigszins vergelijkbare problematisering van de hebzucht voordeed. Om precies te zijn, keer ik terug naar een theologisch-exegetische strijd die zich afspeelde tussen de elfde en de dertiende eeuw.

Het ging erom welke zonde als ‘aanvoerder’ van de zeven hoofdzonden moest worden gezien. Eeuwenlang was de hoogmoed (superbia) op de hoogste plaats gezet, immers in de Vulgaat (Sirach 10,15) las men dat ‘hoogmoed het begin van alle zonde’ was (Quoniam initium peccati omnis est superbia). Vanwege de opbloeiende geldeconomie vanaf het jaar 1000 – historici spreken van de ‘commerciële revolutie’ tussen 950 en 1350 – zag men zich echter genoodzaakt veeleer de hebzucht (avaritia) die plaats toe te kennen. Men steunde daarbij op een vers uit een van de Pastorale brieven, namelijk 1 Timoteüs 6,9-10:

Wie rijk wil worden, staat bloot aan verleiding, raakt in een valstrik en valt ten prooi aan dwaze en schadelijke begeerten die een mens in het verderf storten en ten onder doen gaan. Want de wortel van alle kwaad is geldzucht.

In dit artikel wil ik de aandacht vestigen op deze kleine, maar niettemin betekenisvolle verschuiving in de morele bezorgdheid die zich tussen de elfde en dertiende eeuw voltrok. Ik zal eerst kort de totstandkoming van de lijst met zeven hoofdzonden bespreken. Daarna zal ik laten zien hoe de ‘aanvoerder’ van deze lijst in de loop van de middeleeuwen verschuift. Ten slotte zal ik, om deze ontwikkeling volledig recht te doen, nog twee nuanceringen aanbrengen.

Het schema van de zeven hoofdzonden

De ons vandaag bekende lijst met zeven hoofdzonden stamt uit de twaalfde eeuw. De totstandkoming van deze lijst kent echter een lange voorgeschiedenis. In de hellenistische periode circuleerden er al verschillende lijsten met ondeugden en ook de Bijbel kent passages waarin opsommingen van zonden staan, zoals bijvoorbeeld Marcus 7,21-22 of Galaten 5,19-21. Dit fenomeen ging echter pas vanaf de vierde eeuw een rol spelen binnen de christelijke gemeenschap, eerst vooral binnen het kloosterleven en later ook in het leven van elke gelovige. Het is Morton W. Bloomfield geweest die met The Seven Deadly Sins uit 1952 het standaardwerk op dit terrein heeft geschreven.

De woestijnvader Evagrius Ponticus (346-399) komt de eer toe voor het eerst een lijst met hoofdzonden binnen de christengemeenschap te hebben gelanceerd. De eerste lijst was dus afkomstig uit het ascetische en monastieke milieu van Egypte. In zijn werk ‘maakte hij de zonden tot de kern van zijn morele leer, en stelde hen voor als de fundamentele drijfveren waartegen een monnik moest vechten’ (Bloomfield 1967: 57). De lijst van Evagrius bevatte nog acht hoofdzonden en was als volgt samengesteld: gulzigheid, wellust, hebzucht, woede, melancholie, luiheid, ijdelheid en hoogmoed. De hoogmoed werd voorgesteld als de moeilijkst te bestrijden zonde, immers als een monnik erin slaagde alle andere zonden te overwinnen, dan nog ‘loert de hoogmoed die hem ertoe verleidt zich op de borst te kloppen vanwege zijn standvastigheid’ (Bange 2007: 70).

Een leerling van Evagrius, Johannes Cassianus (370-435), introduceerde de lijst vanuit Egypte naar West-Europa. Net als bij Evagrius stond de lijst bij hem in het teken van regels voor monniken en ook voor hem gold dat de hoogmoed de zwaarste zonde was. Hij gaf daarvoor de volgende reden:

Het kwaad van de hoogmoed is dusdanig groot dat het volkomen terecht is dat hij geen engel noch een andere deugd tegenover zich vindt, maar God zelf als tegenstander heeft. (Bloomfield 1967: 69)

Een zeer invloedrijke lijst was afkomstig van Gregorius de Grote (540-604), die in Moralia in Job ruime aandacht besteedde aan de kapitale ondeugden (vitia capitalia). Gregorius voegde afgunst aan de lijst toe en liet melancholie samensmelten met luiheid. De hoogmoed plaatste hij buiten de lijst, want deze ondeugd moest gezien worden als de koningin der ondeugden (vitiorum regina) en als de wortel van al het kwaad, daarbij verwijzend naar het schriftwoord dat hoogmoed het begin van alle zonden is. Uit deze kwaadwaardige wortel (virulenta radice) kwamen de andere hoofdzonden voort. Zo ontstond bij hem een lijst met zeven hoofdzonden, die werd aangevoerd door de hoogste zonde: de hoogmoed. Hoewel Moralia in Job speciaal bedoeld was voor monniken, genoot het werk ook populariteit buiten het klooster. Volgens Bloomfield is dit werk ervoor verantwoordelijk geweest dat de hoofdzonden ‘niet langer werden beschouwd als primair voor monniken maar deel gingen uitmaken van de algemene theologische en devote traditie’ (Bloomfield 1967: 72).

In de periode na Gregorius liet men de ijdelheid steeds vaker samenvallen met de hoogmoed, zodat deze laatste niet langer buiten het schema viel. Hoewel er in de eeuwen na Gregorius ook nog andere lijsten circuleerden, was de lijst die ging overheersen de volgende: superbia (hoogmoed), ira (woede), invidia (afgunst), avaritia (hebzucht), acedia (luiheid), gula (gulzigheid), luxuria (wellust). De volgorde van hoofdzonden kon variëren, maar de positie van de hoogmoed als de eerste en voornaamste werd niet betwist.

Tussen de negende en de elfde eeuw trad een tijdelijke stilte in wat betreft het thema van de hoofdzonden. In de twaalfde eeuw keerde de aandacht ervoor echter in volle hevigheid terug. Hugo van Sint-Victor (1096-1141) was daarvoor mede verantwoordelijk. Hij sprak van de zeven hoofdzonden zoals ze hierboven staan opgesomd. Nog belangrijker was de autorisatie van dit schema in de Sententiae van Petrus Lombardus (1100-1160). Dit werk was van grote invloed omdat het als handboek werd gebruikt voor theologiestudenten. Dat men steeds de superbia als eerste, ja zelfs als voortbrenger van de andere zonden opvoerde, is begrijpelijk, zo lezen we bij Bloomfield:

…want de hoogmoed is de zonde van de rebellie tegen God zelf, de zonde van het buitensporige individualisme. In een gedisciplineerde en corporatieve samenleving, wat in de middeleeuwen als ideaal gold, werd overdreven individualisme, opstand tegen de wil van God, beschouwd als bijzonder afschuwwekkend. (Bloomfield 1967: 75)

Ik zal in het vervolg laten zien dat de hoogmoed deze voorname positie maar moeilijk kon vasthouden. Een andere hoofdzonde, de avaritia (hebzucht), ging namelijk steeds meer aanspraak maken op de positie van aanvoerder en voortbrenger van alle zonden.

Hebzucht als wortel van al het kwaad

Nu de totstandkoming van het schema van de zeven hoofdzonden is besproken, kan ik ingaan op de vraag welke betekenisvolle verschuiving zich voordeed in dit schema. Voor een antwoord op deze vraag richt ik mij ten eerste op het bekende werk van Johan Huizinga, zijn Herfsttij der Middeleeuwen uit 1919. Huizinga benadrukt dat van de zeven hoofdzonden er één overduidelijk een economisch karakter had. Dat was de avaritia, in de betekenis van hebzucht en gierigheid. En precies deze hoofdzonde werd nu, ten tijde van de ‘commerciële revolutie’, de belangrijkste en degene die aan de oorsprong van de andere hoofdzonden werd gesteld. ‘Geen kwaad is die tijden meer bewust geweest dan de hebzucht’ (Huizinga 1984:21). De verschuiving die zich aldus voltrok, was dat de superbia, die eeuwenlang de vorstin van de zeven hoofdzonden was geweest, werd onttroond door de avaritia. Huizinga formuleert het echter nog met de nodige voorzichtigheid:

En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de overtuiging, dat het de teugelloze hebzucht is, die de wereld verderft, in de schatting der geesten de hoogmoed van zijn plaats als eerste en noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling van superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellende koor van stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende hebzucht. (Huizinga 1984: 21)
De hoogmoed hoorde bij het oude tijdperk, de hebzucht werd de zonde van het nieuwe tijdperk.

Jacques Le Goff is wat minder terughoudend en stelt: ‘De superbia, de hoogmoed, de feodale zonde bij uitstek, tot dan beschouwd als de moeder van alle ondeugden, moest deze ereplaats prijsgeven aan de avaritia, de zucht naar geld’ (Le Goff 1987: 313/314). Huizinga verklaart de verschuiving in het schema der hoofdzonden door een onderscheid te maken tussen twee tijdperken. De superbia hoorde bij het oude tijdperk, de avaritia werd de zonde van het nieuwe tijdperk. De hoogmoed was de zonde van de feodale en hiërarchische periode, waarin macht niet zozeer ontleend werd aan geld, maar aan de manifestatie van eigendommen, ‘van talrijk gevolg van getrouwen, van kostbare versiering en indrukwekkend optreden van de machtige’. Hoogmoed hoorde bij het tijdperk waarin de machtige het gevoel had wezenlijk boven de ander verheven te zijn. Hebzucht gold daarentegen als ‘de zonde van het tijdperk waarin het geldverkeer de voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt’ (Huizinga 1984: 21). Dat de hebzucht als voornaamste zonde kon komen bovendrijven, had dus te maken met de komst van een nieuwe tijd waarin macht vaak te koop was en niet meer alleen aan hen toebehoorde die haar op grond van afkomst bezaten.

De verschuiving van het primaat van de superbia naar het primaat van de avaritia betekende ook een verschuiving in het primaat van Bijbelse woorden. Het ene Schriftwoord werd tegen het andere uitgespeeld. Eerder noemde ik al het feit dat de woorden in Wijsheid van Jezus Sirach 10,15, waaruit men meende te kunnen afleiden dat hoogmoed aan de oorsprong stond van alle zonden, langzaam maar zeker werden overstemd door de woorden uit 1 Timoteüs 6,10: ‘Want de wortel van alle kwaad is geldzucht’. Men had vaak verwezen naar Tobit 4,13, waar staat dat hoogmoed ‘alleen maar tot ellende en ontreddering’ leidt. Daar zette men nu de waarschuwing in Lucas 12,15 tegenover: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ Of men gebruikte de vermaning in Wijsheid van Jezus Sirach 14,8: ‘Slecht is een mens met hebzuchtige ogen, die van anderen wegkijkt en hen niet ziet staan’. En wilde men het nog iets krachtiger, dan kon men wederom terecht bij de Paulijnse brieven. In Efeziërs 5,3 wordt ontucht op één lijn gesteld met hebzucht: ‘Laat er bij u geen sprake zijn van ontucht of zedeloosheid, of van hebzucht – deze dingen horen niet bij heiligen’. In Kolossenzen 3,6 wordt hebzucht gelijkgesteld aan afgoderij. De theologisch-exegetische strijd over wie de ‘aanvoerder’ moest zijn van de lijst met zeven hoofdzonden leek te worden beslecht in het voordeel van de avaritia.

Waar Huizinga en Le Goff met enige stelligheid beweren dat de hebzucht het primaat kreeg, daar lijkt Bloomfield voorzichtiger, al geeft ook hij toe dat de nadruk op avaritia in de twaalfde en dertiende eeuw wel moest toenemen vanwege de veranderde omstandigheden. Omdat de kooplieden en rijke burgers tot aan de twaalfde eeuw nog geen belangrijke factor vormden, was het niet nodig de avaritia een centrale plaats te geven. Als echter de rijkdom groeit en de handel toeneemt, dan wordt het opportuun om de avaritia naar voren te schuiven als het grote gevaar bij uitstek. Bloomfield legt de nadruk op de economische verandering van een volstrekt agrarische samenleving naar een maatschappij waarin ook handel wordt gedreven. Deze verandering, alsmede de toename van de totale rijkdom, zou de hebzucht in de kaart spelen: ‘hoe groter de rijkdom des te groter de kans op hebzucht’ (Bloomfield 1967: 75).

Hebzucht of hoogmoed?

Klopt het wel dat de avaritia langzaam maar zeker de superbia van de troon heeft gestoten? In het artikel ‘Pride Goes before Avarice’ nuanceert Lester K. Little dit idee enigszins. Toch komt ook hij tot de conclusie dat de nadruk op de avaritia onbetwistbaar toeneemt. Little begint met de bespreking van enkele auteurs bij wie zonder meer sprake was van een verschuiving naar het primaat van de hebzucht. Zo wees Petrus Damianus (1007-1072) de avaritia, in het voetspoor van Paulus, aan als de wortel van al het kwaad, maar hij deed dat nog ‘zonder enige poging om de hebzucht als subcategorie van de hoogmoed op te geven’ (Little 1971: 20). Johannes van Salisbury (1120-1180) ging een stap verder en meende dat er geen ondeugd bestond die erger en onvergeeflijker was dan de hebzucht ‘in het bijzonder onder degenen die politieke functies bekleden’. Little herinnert vervolgens ook aan de concilies van de twaalfde eeuw, die veelal in het teken stonden van veroordelingen van de hebzucht van de clerus. Gerhoh van Reichersberg (1093-1169) schreef in 1167 een geschiedenis van de christelijke kerk en onderscheidde daarin vier perioden. Elke periode werd gekenmerkt door een zware last waaronder de kerk gebukt ging. De zware last van de eerste periode werd gevormd door de christenvervolgingen. In de tweede periode waren het de ketterijen die het de kerk bijzonder moeilijk maakten. De last van de derde periode was de gecorrumpeerde moraliteit. Daarom had Gregorius de Grote zijn lijst met zeven hoofdzonden opgesteld, met de hoogmoed als voornaamste zonde. De last van de vierde periode, de tijd van Van Reichersberg zelf, was de hebzucht. Hij identificeerde de hebzucht dus expliciet als hét grote probleem van zijn tijd.

Naast deze nieuwe nadruk op de avaritia bleven er echter nog genoeg auteurs over die vasthielden aan de oude dominante plaats van de superbia. Toch werd ook bij hen, zo laat Little zien, de aanval op de ondeugd van de avaritia geopend en verhevigd. Peter van Compostela (952-1052) noemde avaritia het ‘zaad van de haat, de bederver van de moraal, het obstakel voor de vrede, de bron van het kwaad, de moeder van alle ondeugden, die aanzet tot woeker’. Volgens Alain van Lille (1116-1202) was het de hebzucht die ‘vriendschap verzwakt, haat kweekt, woede voortbrengt, oorlogen doet beginnen, geschillen voedt en familiebanden aan stukken scheurt’ (Little 1971: 23).

Ten slotte onderscheidt Little nog auteurs die superbia en avaritia op een gelijke plaats zetten. Voor Petrus Lombardus gold dat beide wortel van alle kwaad zijn. Hij zegt: ‘Er zijn namelijk veel mensen die uit hebzucht hoogmoedig worden, en omgekeerd’ (Bange 2007: 74). In zijn Summa theologiae begint Thomas van Aquino (1225-1274) in quaestio 84 (1a 2ae) met de vraag of hebzucht – hij gebruikt overigens de term cupiditas – de wortel van alle zonden is. Volgens Thomas kan hebzucht beschouwd worden als de wortel van alle zonden, want ‘zoals een wortel voedsel geeft aan de gehele boom, zo geeft het verlangen naar rijkdom voedsel aan alle zonden’. Thomas bedoelt dat geld en rijkdom aan de mens de mogelijkheid bieden elke zonde te begaan die hij maar wil. Daarom staat de geldzucht aan de basis van alle zonden. Vervolgens is het de vraag in hoeverre hoogmoed dan nog gezien kan worden als het begin van elke zonde. Welnu, volgens Thomas zijn beide uitspraken niet in tegenspraak met elkaar. Hoogmoed behoort tot de orde van de intenties, terwijl hebzucht tot de orde van het handelen moet worden gerekend. Hoogmoed staat aan het begin, want ‘het doel van het verkrijgen van aardse goederen is dat een persoon daardoor aanzien en een hoge positie kan verwerven’. Aldus brengt Thomas de twee Schriftwoorden in balans door hoogmoed als het doel (jezelf boven alles verheffen) en hebzucht als het middel (het vergaren van zoveel mogelijk rijkdom) te typeren.

Thomas bedoelt dat geld en rijkdom aan de mens de mogelijkheid bieden elke zonde te begaan die hij maar wil.

Was hebzucht de zonde van de nieuwe tijd en was daarmee de hoogmoed van de eerste plaats verdreven? Volgens Little mag men deze conclusie niet zomaar trekken. Hij laat dat ook nog eens zien aan de hand van de beeldende kunst: het aantal afbeeldingen van de hoogmoed (‘een ruiter die over de nek van zijn struikelende paard valt’) was in ieder geval groter dan het aantal afbeeldingen van de hebzucht (‘een man zittend aan een rekentafel, die zijn munten sorteert en telt’). Wat echter buiten kijf stond, was dat op een gegeven moment, onder invloed van de nieuwe economie, de avaritia van een relatieve onbekendheid (meestal op de vierde of vijfde plaats van de lijst) opschoof naar een ondeugd die minstens zo belangrijk was als de superbia. De aanval op de hebzucht werd vanaf de elfde eeuw heviger. In de periode daarvoor was het grote gevaar wellicht meer gelegen in het willekeurig gebruik van geweld en de onverzadigbare hunkering naar macht, vooral aanwezig bij de vechtende klasse. Daarom werd in die periode juist de aanval ingezet tegen de hoogmoed van de ridders. Het grote gevaar van de periode tussen de elfde en de dertiende eeuw was daarentegen het onverzadigbare verlangen naar geld. Daarom moest nu vooral aan de hebzucht de oorlog worden verklaard. Het gevaar kwam niet langer van de ‘vechtende klasse’, maar van een heel andere groep, namelijk de nieuwe klasse van kooplui en handelaren. Little trekt de volgende conclusie: ‘Als hoogmoed de grootste ondeugd was van hen die de macht hadden in de pre-commerciële maatschappij, dan heeft hebzucht een vergelijkbare plaats met betrekking tot de rijke mensen in de commerciële maatschappij’ (Little 1971: 38). De ‘commerciële revolutie’ was duidelijk een stimulans geweest om ook de hebzucht te gaan zien als de zwaarste hoofdzonde en als belangrijkste oorzaak van het kwaad.

En de kerkvaders dan?

Gaat het vers van 1 Timoteüs 6,10 over de geldzucht echt pas in de middeleeuwen de boventoon voeren? Waren het niet de kerkvaders geweest die in de vierde en vijfde eeuw al veel eerder de hebzucht centraal stelden? Als er immers één zaak was die de kerkvaders tot probleem maakten, dan was het wel de gerichtheid op het aardse en materiële bestaan. Ten aanzien van het bezit van eigendom waren de kerkvaders veelal neutraal, waar zij zich echter fel tegen verzetten was het streven naar rijkdom omwille van de rijkdom zelf. Als rijkdom werd gebruikt om daarmee ‘goede werken’ te verrichten, dan was daar niets op tegen, sterker nog: veel kerkvaders moedigden dat aan. Maar werd het vergaren van rijkdom doel op zich, dan moest dat als het kwaad worden bestreden. De houding van de kerkvaders vertoont wellicht meer overeenstemming met een passage iets verderop, namelijk in 1 Timoteüs 6,17-19, waar staat:

Draag de rijken van deze wereld op niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet in zoiets onzekers te stellen als rijkdom, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten. En draag hun op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen. Zo leggen ze een stevig fundament voor de toekomst, en winnen ze het ware leven. (1 Timoteüs 6,17-19)

Richard Newhauser laat in The Early History of Greed uit 2000 echter overtuigend zien dat er in de vierde en vijfde eeuw, vooral bij de Italiaanse bisschoppen, al sprake was van een bijzondere gerichtheid op het kwaad van de hebzucht. Hij stelt dan ook het volgende:

Zij, die een toename van verwijzingen naar de zonde [van de hebzucht] bespeurden in de elfde eeuw en dit fenomeen in verband brachten met de sociale veranderingen die gepaard gingen met de intrede van de geldeconomie in West Europa, zouden moeten inzien dat er in feite hier [in de vijfde eeuw], ver vóór de invoering van een nieuwe economische technologie, al een zeer indrukwekkende gerichtheid op die ondeugd bestond.(NEWHAUSER 2000: 74)

Het onverzadigbaar streven naar meer rijkdom, bezit en macht, stond in de vijfde eeuw al centraal als de bij uitstek te bestrijden zonde. De strijd tegen deze zonde was, met name bij de Italiaanse bisschoppen, onderdeel van hun bekeringsstrategie. Men stelde het ware geloof in Christus tegenover de illusoire waarde van geld en materiële goederen.

Het mag dan onjuist zijn om de bijzondere gerichtheid op de zonde van de hebzucht exclusief toe te schrijven aan de latere middeleeuwen, toch hoop ik te hebben laten zien dat pas in de loop van de elfde tot de dertiende eeuw de strijd tegen de hebzucht een hoogtepunt bereikte. Het woord uit de Pastorale brief over de geldzucht kreeg zo een status die het niet eerder had. Het primaat voor de bestrijding van de zonden was vanaf nu gelegen bij de uitbanning van de hebzucht.

Literatuur

• Petty Bange, Moraliteyt saelt wesen: Het laatmiddeleeuwse moralistisch discours in de Nederlanden (Hilversum: Verloren, 2007).

• Morton W. Bloomfield, The Seven Deadly Sins: An Introduction to the History of a Religious Concept, with Special Reference to Medieval English Literature (East Lansing: Michigan State College Press, 1967).

• Jacques Le Goff, De cultuur van middeleeuws Europa (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1987).

• Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1984).

• Lester K. Little, “Pride Goes before Avarice: Social Change and the Vices in Latin Christendom,” The American Historical Review 76/1 (1971): 16–49.

• Richard Newhauser, The Early History of Greed: the Sin of Avarice in Early Medieval Thought and Literature (Cambridge: Cambridge University Press, 2000).

< Terug