< Terug

Het recht van vreemdeling, wees en weduwe

Elfde zondag van de zomer (Deuteronomium 24:17-22, Psalmen 113 en Lucas 14:1.7-14)

De lezingen voor deze zondag sluiten goed bij elkaar aan. Alle drie spreken van een andere orde dan de heersende. Waar Deuteronomium spreekt over bescherming van vreemdelingen, weduwen en wezen tegen woekeraars en hun recht op meedelen in de oogst, tekent Psalmen 113 een God die de blik naar beneden richt en uit het stof verheft wie berooid is, uit het vuil tilt wie alles ontbeert en hun een woonplaats biedt bij hooggeplaatsten. In Lucas 14 bevraagt Jezus de gevestigde orde waar onze omgang met anderen bepaald wordt door hang naar positie, invloed en macht.

In een tijd van ballingschap en ontworteling, waar heimwee en hoop voor de toekomst de agenda bepaalden, stellen de schrijvers van Deuteronomium zich een toekomst voor waar Gods bedoeling tot vervulling kan komen. Ze dromen over wat er zou kunnen gebeuren als ze opnieuw een kans zouden krijgen om Gods wet en wil beter gestalte te geven in eigen land, niet zoals vroeger, maar radicaal anders. Psalmen 113 zingt over God die naar beneden kijkt en reikt. Een God die zijn verhevenheid niet beschouwt als iets om zich aan vast te houden (Filippenzen 2:5-11), zich niet oriënteert op wat macht en aanzien heeft, maar zijn oog naar beneden richt op wie berooid zijn, in het stof liggen en ontbering lijden. Die twee teksten zetten het Evangelie en Jezus’ boodschap in een kader en scherpen die aan. De droom van Gods Koninkrijk op aarde, het visioen van een wereld waar elk mens met respect behandeld wordt en overvloed gedeeld, Gods aandacht en zorg voor de minsten, iets wat door het hele Oude Testament heen in alle toonaarden klinkt.

Tegen de pikorde

Jezus, Lucas, de vroege kerk leefde in een maatschappij waar relaties, aanzien en invloed, je plaats op de sociale ladder belangrijk waren. Statusbewustzijn, klasse, wederkerigheid, wederzijdse afhankelijkheid en verplichtingen waren een vanzelfsprekend en geaccepteerd onderdeel van de sociale orde. De gunst van hogergeplaatsten was van levensbelang om je belangen en die van je familie veilig te stellen. Maaltijden vormden de ruggengraat van die sociale orde. De pikorde werd er zichtbaar en tastbaar, met elke blik altijd omhoog gericht, naar het hoofd van de tafel, de ereplaatsen, degenen met het meeste aanzien, de meeste macht en invloed. ‘Als je wordt uitgenodigd, kies dan niet de ereplaats, kies de minste plaats, voorkom dat je teruggefloten wordt, bespaar jezelf het vernederende moment waarop je verwezen wordt naar een lagere plaats, wacht tot je geroepen wordt om hogerop te komen.’ Vanuit ons perspectief kan dat een verstandig advies lijken, maar in Jezus’ dagen werd jezelf onderwaarderen meer gezien als een teken van zwakte dan van kracht. Mensen uitnodigen die niets terug kunnen doen, armen, kreupelen, lammen en blinden van de straat halen, zoals in de gelijkenis die op onze tekst volgt, was in die tijd ondenkbaar. In het Nieuwe Testament vinden we echter overal bewijs dat de opdracht om op deze manier met elkaar om te gaan in de vroege kerk serieus genomen werd. Sociaal zwakkeren verwelkomen en opnemen in de gemeenschap, de zorg voor armen en zieken, een cultuur van gelijkheid en respect, dat werd de fundering waarop de vroege kerk gebouwd werd en waaraan ze veel van haar succes te danken heeft gehad.

De rechtsorde van Gods Koninkrijk

‘Wat als we het zo doen?’ vraagt Deuteronomium. Wat als we ons niet door gierigheid en gulzigheid, door eigenbelang, door hebben en houden laten leiden, maar op elkaar letten, voor elkaar zorgen, met elkaar delen, en een samenleving creëren waar genoeg is voor iedereen? Waar de rijken delen van hun rijkdom met wie minder heeft en niet het onderste uit de kan proberen te halen? ‘Wat als we ons op God oriënteren?’ vraagt de psalm. Naar beneden kijken, naar beneden reiken, uit het stof trekken, uit het vuil tillen, de armen laten wonen met de hoogsten van het volk? ‘Wat als we het anders doen?’ vraagt Jezus. Wat als onze eerste beweging omlaag is, naar degenen die buiten de boot vallen? Wat als we bij hen gaan zitten, hen uitnodigen, onze macht en welvaart met hen delen zonder erover in te zitten wat dat voor onze eigen toekomst kan betekenen? Wat als we Jezus’ woorden, de visie van het Koninkrijk zoals die in de Schriften keer op keer aan ons wordt gepresenteerd, wat als we Gods eigen voorbeeld en voorkeur volgen, wat zal er dan gebeuren? Dan komt het Koninkrijk.

Gods voorbeeld volgen

In onze wereld, onze realiteit is tellen en meetellen nog steeds belangrijk. De hang naar ‘relevantie’ in onze kerken is er een teken van. Het verlangen naar invloed en gezien worden voor ons als individu, onze plaats in de maatschappij, is nog steeds belangrijk voor ons gevoel van eigenwaarde. Hoger is beter. Lager is minder. In een positie zijn waar je invloed hebt en anderen naar je opkijken en je mening meetelt, is beter dan een positie waarin je afhankelijk bent van anderen. Wanneer we aan tafel gaan, zien we onszelf nog altijd het liefst op de ereplaats. God maakt zich druk over andere dingen. Over vreemdelingen, wezen en weduwen, over vernederden in het stof en berooiden op de vuilnisbelt. God nodigt uit, zet de deuren open en deelt uit. God is niet geïnteresseerd in macht, God is geïnteresseerd in mensen die liefde geven.

Wat als wij, in navolging van Jezus, diezelfde vrijheid zouden kunnen nemen? De pikorde de pikorde laten, ons minder druk maken over invloed, relevantie, aanzien en het veilig stellen van onze belangen, maar onze blik naar beneden richten, aanschuiven met de minsten, met open hart en open handen?

Deze exegese is opgesteld door Anneke Oppewal.

< Terug