< Terug

Het wonder van groei en vruchtbaarheid

Bij Spreuken 6, Psalm 67 en Marcus 4:26-34

Vanouds wordt de Dankdag gestempeld door het einde van het oogstseizoen, en is deze traditie sterk aan landbouw en visserij gekoppeld. Inmiddels werken verreweg de meeste mensen in andere sectoren, die niet of minder door het seizoen worden bepaald. Dat maakt dat de focus is verbreed. Ook andere thema’s, die te maken hebben met (vrijwilligers)werk, inkomen of met de economie in bredere zin, komen aan de orde. Bid- en Dankdag zijn goede aanleidingen om het in het midden van de gemeente over deze onderwerpen te hebben.

Anders dan in de reguliere zondagsdienst, waarin de voortgaande lezingen centraal staan, komen mensen samen vanwege een concreet thema, dat daarom de keuze van lezingen beïnvloedt. Als de dienst gehouden wordt op de traditionele eerste woensdag van november geldt nog sterker dat de gelegenheid de prediking kleurt. Maar ook als er op de zondag vooraf of aansluitend aan Dankdag aandacht is voor dit thema, bepaalt dat de keuze voor de lezingen en daarmee de insteek van de prediking.

God zegene ons

De aangegeven psalm kan uiteraard gelezen worden, maar ook op een andere manier in het geheel van de liturgie een plaats krijgen. Het nieuwe Liedboek biedt niet alleen de bekende berijmde versie, maar ook twee alternatieve melodieën, waarbij een van de antifonen nadrukkelijk voor de oogstdienst is gemaakt (LB 67b).

De evangelielezing over het zaad dat ontkiemt en opschiet zonder dat de mens weet hoe, lijkt een voor de hand liggende keuze voor de preek. Het accent ligt op de mens die geduld moet oefenen en de juiste tijd moet afwachten. Het graan geeft zelf wel aan wanneer het tijd is om te oogsten.

Ga tot de mier, jij luiaard

De lezing uit Spreuken kan daarbij een mooi tegenwicht bieden, waarbij het raadzaam lijkt de lezing te beperken tot bijvoorbeeld de verzen 6 en 11. Daarin wordt de bekende vergelijking gemaakt met de mieren. Hun vlijt wordt de luiaard tot voorbeeld gesteld, maar ook de manier waarop deze diertjes, zonder leider of aanvoerder, de wijsheid hebben om in de zomer en in de oogsttijd een voorraad aan te leggen. Een kwestie van actief vooruitzien en plannen dus, tegenover de kennelijke passiviteit van de mens die het zaad ziet groeien, maar daar zelf niets aan kan bijdragen. Is dit een tegenstelling, of vult het ene perspectief het andere aan? Hier liggen mogelijkheden om in de preek verder over te mediteren.

Ten aanzien van veel zaken op het vlak van arbeid, economie en participatie in de samenleving heerst grote onzekerheid. Mensen kunnen gemakkelijk het gevoel krijgen dat de ontwikkelingen zich voltrekken buiten hun controle om. Dat leidt tot gevoelens van apathie en lijdzaamheid. Je kunt je ook laten inspireren tot een houding waarin actief wordt ingespeeld op veranderende omstandigheden, door je aan te passen en te zoeken naar mogelijkheden om aan te haken of te veranderen. Zoals de mieren dat doen, is tekenend. Ze reageren niet door druk van buiten, maar op eigen initiatief (al dan niet instinctmatig bepaald). Hoe meer mensen zelf de regie over hun leven kunnen nemen, des te groter het eigen geestelijk welbevinden. Binnen de beperkingen van de omstandigheden zijn er altijd openingen en mogelijkheden te vinden om zelf te handelen.

Een preek op Dankdag kan de hoorders daartoe uitdagen en bemoedigen. We zijn dankbaar voor ontvangen mogelijkheden en geboden kansen, en vertrouwen op Gods goedheid die ons steeds weer nieuwe wegen wijst.

Oefen geduld

Er kan ook gekozen worden om naar aanleiding van de evangelielezing andere accenten te leggen. Het tekstfragment bevat twee gelijkenissen. De eerste gaat over de mens die het zaad uitstrooit op de aarde en vervolgens af moet wachten, terwijl de aarde ‘uit zichzelf vrucht voortbrengt’. Het lijkt erop alsof de gelijkenis ons een oefening in geduld wil leren. Zodra ‘het graan het toelaat’ is het tijd voor de oogst, niet eerder.

De daarop aansluitende gelijkenis over het mosterdzaad, benadrukt dat ‘het kleinste van alle zaden’ uitgroeit tot ‘de grootste van alle planten’. Of de hoveniers dit zullen beamen, is een vraag. Maar het beeld spreekt een eigen taal. Uit iets kleins en onooglijks kan iets groots en heilzaams voortkomen. ‘De vogels van de hemel nestelen in zijn schaduw’ (Marcus 4:32). Een rijk beeld dat herinnert aan andere bijbelse beelden, waarin verschillende aspecten samenkomen: de ruimte die wordt geboden (vogels van diverse pluimage), een plek om te wonen (nestelen) en beschutting die wordt geboden (de schaduw). Opnieuw spreekt er een soort verwondering uit, vergelijkbaar met die over het zaad dat zijn eigen weg vindt en zijn eigen tijd bepaalt.

Daarop aansluitend kan het accent in de preek vallen op de belofte die als het ware in de structuur van de schepping zit ingebouwd. Het wonder van de groei en de vruchtbaarheid, die buiten ons om werken, maar ons wel ten goede komen. Ook de mens heeft door zijn schepselmatigheid deel aan dit innerlijke groeipotentieel. Wij participeren in Gods toekomst.

Let wel: het gaat hier om gelijkenissen van het Koninkrijk van God. Zo zal het er aan toegaan in Gods nieuwe wereld (Bijbel in Gewone Taal). Wij bouwen dat Rijk niet, maar het groeit om ons en in ons. In de prediking op Dankdag mogen we daarnaar uitzien en ons daardoor laten inspireren.

Bovenstaande tekst komt uit het materiaal voor viering en gesprek dat als katern in Oecumenisch Bulletin 1/2015 van de Raad van Kerken verschijnt. Het materiaal staat in het teken van het thema ‘Participatie in werk’ en is voor € 3 (inclusief verzendkosten) te bestellen via rvk@raadvankerken.nl.

< Terug