< Terug

Hij doet doven horen en sprakelozen spreken

Bij Jesaja 6,8-13 en Marcus 7,31-37

De evangelielezing van vandaag komt behalve in het Luthers leesrooster ook voor in het Gemeenschappelijke Leesrooster, in het Marcusjaar, op de 11e ‘zondag van de zomer’. Daar wordt hij echter niet gecombineerd met Jesaja 6,8-13, maar met Jesaja 35,1-10. Dat is een heilsprofetie, die aankondigt dat de steppe zal bloeien en God zal komen om Sion te verlossen. ‘Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen’ (35,5-6 – NBG 51).

Voor Marcus (7,37) brengt Jezus deze heilsprofetie in vervulling: ‘Alles heeft Hij wèl gedaan, en Hij doet de doven horen en de sprakelozen spreken.’ Hier ligt een duidelijke relatie tussen de oudtestamentische en de nieuwtestamentische lezing: Jezus vervult deze Jesajaprofetie.

Paradoxale opdracht

Minder rechtlijnig lijkt het verband van de Marcuslezing met Jesaja 6,8-13. Na zijn roeping in de tempel krijgt de profeet zijn allereerste opdracht van de Heer (Jesaja 6,1-7). Wanneer zijn lippen met een vurige kool zijn gereinigd, ‘hoort’ hij de stem van de Heer (Jesaja 6,8). Hij moet Israël, dat de Heer ontrouw is, onheil profeteren: ‘Hoort aldoor, maar ziet niet in (Hebr.: bin), en ziet aldoor, maar merkt niet op (Hebr.: jada‘). Maak het hart van dit volk vet (Hebr.: sjaman, hif‘il), maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde’ (Jesaja 6,9-10). Het lijkt wel een paradoxale opdracht in een relatietherapie: een opdracht voor ongewenst gedrag opdat de ongehoorzame patiënt het omgekeerde zal doen en daarmee gewenst gedrag zal vertonen. De gevolgen van het niet horen en niet zien worden vervolgens sterk aangezet: steden, huizen, mensen, bouwland zullen worden verwoest tot een verlaten wildernis: de schepping wordt welhaast ongedaan gemaakt, er zal geen mens meer zijn. Alleen een ‘tronk’ zal overblijven, als een heilig zaad (Jesaja 6,12-13). Het Hebreeuwse woord matsebhet (= boomstomp, tronk) komt alleen hier voor in deze betekenis; op andere plaatsen is het de status constructus van matsebhah (= gedenksteen, opgerichte steen). Deze staat voor het sprankje hoop dat de Heer voor het volk overlaat.

Geloven is horen

In Marcus 7,31-37 geneest Jezus een doofstomme. Hij doet dat in het gebied van Dekapolis: de Tien Steden in het overjordaanse, die door Pompeius in 63 v.Chr. waren losgemaakt van het joodse rijk en onder het bewind van de stadhouder van de Romeinse provincie in Syrië gesteld. Pompeius wilde er het hellenisme bevorderen en een barrière oprichten tegen de semitisering vanuit Judea. Het heidendom was er dus van hogerhand sterk doortrokken van een anti-joodse geest.1 Juist daar smeken ‘zij’ Jezus een dove die ook moeilijk sprak de hand op te leggen (Marc. 7,32). Maar Jezus wil geen spectaculair wonder verrichten. Hij neemt de dove man apart, steekt zijn vingers in zijn oren, raakt zijn tong aan met zijn speeksel, zucht naar de hemel en zegt: effatha. Dat laatste is Aramees – in het heidense gebied van de Tien Steden! – en betekent ‘word geopend’. In rabbijnse genezingsverhalen wordt dit woord vaker gebruikt en is dan altijd tot het individu gericht, niet tot de zieke organen. Ook het opleggen van een vinger op en het bespuwen van een ziek lichaamsdeel is gebruikelijk in dergelijke wonderverhalen.2 Voor Naastepad onderstreept Marcus hiermee dat de openbaring een woord is en dat de omgang van God, ook met de volken, uit het gehoor is. Geloven is horen.

Horen, maar niet verstaan

‘En terstond werden zijn oren geopend en werd de band van zijn tong losgemaakt en hij sprak goed (Gr.: orthoos = recht, zoals het hoort)’ (Marcus 7,35). Hier staat een heiden gereed als hoorder van Gods woord en toekomstige getuige, als ‘orthodoxe’ gelovige. Maar Jezus wil dit wonder, zoals ook andere, incognito houden (Marcus 7,36; vgl. 7,24; 8,26). Om dit te verklaren legt Naastepad een verband met de wonderverhalen van Elia en Elisa, die in de joodse traditie een rol spelen bij het einde der dagen: wanneer Elia terugkomt, dan is de voleinding nabij. Israël is echter nog niet rijp voor dit eschaton, en de heidenen in de Dekapolis zijn dat nog veel minder. De voleinding staat voor de deur, maar voor het verstaan daarvan moet eerst een prijs worden betaald: Jezus moet het afkopen met zijn leven. Nu begrijpen zelfs zijn leerlingen vaak niet wat Jezus zegt en doet (vgl. Marcus 7,17-23). En de farizeeën vragen Jezus te midden van alle wonderen die Hij doet zelfs om een teken van de hemel (Marcus 8,11)! Voor de tweede wonderbare spijziging begrijpen de leerlingen het nog steeds niet. Zij hebben maar één brood en zeggen ‘omdat wij geen broden hebben’. Jezus verstaat het en zegt hun: ‘Wat overleggen jullie dat jullie geen broden hebben? Verstaan jullie niet en begrijpen jullie niet? Hebben jullie je hart verstokt? Ogen hebbende zien jullie niet, oren hebbende horen jullie niet?’ (Marcus 8,17-18).

Met dit laatste vers verwijst Jezus niet alleen, zoals de Griekse grondtekst in de marge aangeeft, naar Jeremia 5,21 en Ezechiël 12,2, maar natuurlijk ook naar Jesaja 6,9-10, de eerste lezing van vandaag. Alle drie ‘grote profeten’ hebben hun leven ingezet om de ogen en oren van het weerspannige volk te openen om het tot de Heer zijn God te bekeren, en Jezus heeft daarvoor zelfs zijn leven gegeven. Is dat vandaag voor ons niet net zo hard nog nodig?

< Terug