< Terug

Hoe exclusief is het christendom?

Dit artikel is verschenen als onderdeel van het boek Klimijzers. Désanne van Brederode heeft aan dit boek bijgedragen.

Inleiding

De vraag in hoeverre het christendom exclusief is, roept bij mij onmiddellijk een wedervraag op. Die luidt: welk christendom? Het christendom is een verzamelnaam – generaliserend en abstract. Iedereen begrijpt wat ermee wordt bedoeld en in wetenschappelijke teksten kan de term toereikend zijn, bijvoorbeeld waar het de historische ontwikkeling en geografische verspreiding van de christelijke godsdienst betreft. Maar dat het christendom talrijke denominaties kent die elkaar lang niet altijd aanvaarden als zusterstromingen – iets wat voor veel meer godsdiensten geldt –, is een feit.

Wat het christelijke geloof kenmerkt is een nadruk op naastenliefde, en toch legt men hierin niet alleen accenten anders, nee, er zijn binnen het christendom stromingen die elkaar niet slechts tegenspreken maar ook naar het leven staan.

Neem de vraag: ‘Hoe wordt er binnen het christendom over homoseksualiteit gedacht?’ Daar is geen eenduidig antwoord op mogelijk. Waar de ene stroming onder druk van een geseculariseerd vertoog nog net bereid is homoseksualiteit niet meer als een zonde op te vatten, maar als een – al dan niet aangeboren – ziekte waar iemand die dit werkelijk verlangt van zou kunnen genezen en waar andere homoseksuelen dan maar mee moeten leren leven (mits de geaardheid niet wordt gepraktiseerd), springt een andere stroming met dezelfde Bijbel in de hand juist in de bres voor homo’s. En dat niet eens alleen in eigen kring, maar overal waar men getuige is van homodiscriminatie, uitsluiting en geweld tegen homoseksuelen. In een homovijandig land als Oeganda zijn uitgerekend christelijke organisaties actief in de ondergrondse opvang van bedreigde en vervolgde homo’s, zonder ook maar een enkele poging te ondernemen om de weerloze slachtoffers tot een heteroseksuele levensstijl te bekeren, of zelfs maar aan het eigen kerkgenootschap te binden.

Visies, standpunten en morele richtlijnen kunnen afwijken of overeenkomen, maar ook dat is nog geen garantie voor een gevoel van onderlinge verbondenheid.

Maar ook christelijke stromingen die eenzelfde visie op homoseksualiteit delen, of op seksualiteit in bredere zin, zijn daarmee nog geenszins verwant te noemen. Visies, standpunten en morele richtlijnen kunnen afwijken of overeenkomen, maar ook dat is nog geen garantie voor een gevoel van onderlinge verbondenheid. Ik ontdekte dit zelf ooit als adolescent in de Franse kloostergemeenschap Taizé, een oord waar een tolerant, oecumenisch ideaal dagelijks wordt beleden en vooral: geleefd. De gebedsdiensten raakten me zeer en ik hield van het dagritme, het corvee, de gedeelde, eenvoudige maaltijden en het avondlijke samenzijn in het openluchtcafé, waar twee alcoholische consumpties het maximum waren om roes en regelrechte dronkenschap tegen te gaan. Open, vrij én weloverwogen restrictief: alleen al hierdoor kon iedereen zich makkelijk thuis voelen in Taizé, een gevoel dat diepgaande ontmoetingen mogelijk maakte. Vooral de groepsgesprekken aan de hand van een passage uit de Bijbel, meestal uit het Nieuwe Testament, kon ik zeer waarderen. Ook als de aangegeven gesprekstijd erop zat, kon het zomaar voorkomen dat het gesprek verderging. Ik herinner me een in alle opzichten moderne Amerikaanse jongen, scherpzinnig en gevoelig, met wie het praten maar niet ophield. In de pauze, na de lunch, zetten we ons gesprek voort en gaandeweg voelde ik me zo op mijn gemak dat ik openlijk durfde te spreken over ervaringen en mijn bespiegelingen daarover die ertoe hadden geleid dat ik in reïncarnatie was gaan geloven. Iets wat voor mij nauw samenhing met mijn geloof in Christus. Dat kon ik goed uitleggen aan de Amerikaan. Beter dan in new-agekringen, waar ook vaak in reïncarnatie werd geloofd – meestal onuitgewerkt, want soms meenden mensen dat er ook viel terug te komen als dier, terwijl de rol van het kwaad, berouw en vergeving er niet zoveel toe deden; het leek vooral gemakkelijk om van alles en nog wat ‘karma’ te kunnen noemen – maar waar ik vooral niet moest aankomen met mijn ‘ouderwetse’ Christusgeloof.

In de intimiteit van ons gesprek scheen hier wel ruimte voor, waarbij ik beklemtoonde dat ik natuurlijk niets kon bewijzen en op mijn buitenzintuiglijke ervaringen altijd kritische, zelfs sceptische vragen had losgelaten, om te voorkomen dat ik me liet meeslepen door mijn eigen fantasie en mogelijke spirituele hoogmoed. Ineens had de jongen echter iets anders te doen. ’s Avonds aan de bar lichtte hij zijn abrupte afscheid nog eens toe, op mijn verzoek. Door in reïncarnatie te geloven was ik niet zomaar een dwalend schaap, maar diende ik de duivel. Het is nogal wat om voor duivelaanbidder te worden gehouden, al zat dit me minder dwars dan de radicale ommekeer in de houding van de Amerikaan, die kennelijk abrupt vergeten leek te zijn in welke stemming van eerlijkheid en zorgvuldigheid we met elkaar hadden gesproken, tastend en eerbiedig en toen nog met wederzijdse achting, ook voor de verschillen. Het kon niet anders of hem was geleerd dat het geloof in reïncarnatie – of het aannemen van reïncarnatie als een ‘werkhypothese’, zoals ik het liever noemde – zozeer in strijd was met de boodschap van Jezus Christus dat het als duivels moest worden opgevat, en dat de belijders van deze abjecte zienswijze gemeden moesten worden als (opzettelijke?) verspreiders van een dodelijke ziekte. Had ik hem kwaad gedaan? Nee. Had ik hem willen overtuigen? Ook al niet. Had ik geprobeerd hem over te halen zijn geloof te verlaten en te kiezen voor het mijne? Had ik zijn geloof ook maar een beetje belachelijk gemaakt? Driewerf nee. Toch was ik niet eens zomaar fout, maar misdadig antichristelijk. In de dagen die nog volgden, had ik bijna met deze intelligente, sportieve, hoegenaamd niet wereldvreemde, laat staan tuttige Amerikaan te doen. Dat wil zeggen: voor zover ik hem nog zag. Soms had ik de indruk dat hij bewust een omweg nam, of wegdook achter anderen. Terwijl ik geen toenadering meer zocht, ervan doordrongen hoe beangstigend dit waarschijnlijk voor hem zou zijn.

Wie van ons tweeën mag zich als volwaardig lid en zelfs als representant van ‘het’ christendom beschouwen? Ik ken het antwoord nog steeds niet. Wel weet ik dat de vraag naar de exclusiviteit van het christendom ten opzichte van andere (al dan niet monotheïstische) godsdiensten vreemd aandoet, in ieder geval zolang de ene christelijke groepering de andere ziet als smet op het blazoen, en de ene christen de andere meent te mogen aanmerken als ketter of, erger nog, duivel dan wel duivelsaanbidder. Jezus Christus deed dit zelf nooit, het is althans in geen enkel evangelie genoteerd. Hooguit dreef hij duivels en demonen uit, waarbij hij dan nog steeds niemand veroordeelde of verdoemde. Hiermee wil ik overigens niet beweren dat ik zelf altijd een toonbeeld van tolerantie en begrip ben: kritiek uit christelijke hoek op bijvoorbeeld abortus deel ik niet per se. Wel vind ik het van groot belang dat die gehoord wordt en dat het onderwerp bron van discussie blijft, zij het op een passende, goed getimede, wellevende manier, en dus niet op de agressieve wijze waarop dit nu alweer decennialang gebeurt, waarbij abortusartsen en hun cliënten ‘kindermoordenaars’ worden genoemd, alsof ze rechtstreeks afstammen van Herodes. Demonstraties voor een kliniek, waar de stemming toch al – heel begrijpelijk – ernstig of bedrukt is, getuigen van weinig naastenliefde. Het ongevraagd ronddelen van plastic embryootjes is minstens zo schokkend. Bovendien zijn dergelijke acties in hoge mate inconsequent: dezelfde advocaten van het ongeboren leven zijn verbluffend stil waar het het doden van reeds geboren jonge levens betreft, in oorlogen waaraan hun eigen land deelneemt, mét steun van christelijke partijen, of waarvoor in ieder geval de wapens zijn geleverd.

Voordat ik me verlies in ethisch-politieke overwegingen: met het bovenstaande wil ik duidelijk maken dat ook ik, net als die antireïncarnatie-Amerikaan ruim dertig jaar geleden, bepaalde takken van het christendom zó onacceptabel vind – in dit specifieke geval: zo hardvochtig en meedogenloos – dat ik er niets christelijks in kan ontdekken. Maar anders dan de Amerikaanse jongen die mij meende te mogen verdoemen, alsof het aan hem was de ware wijnstok te snoeien en de niet-vruchtdragende takken af te breken en in het vuur te werpen, bespeur ik bij mezelf de neiging om me, als dit militante vertoog echt onderdeel van ‘het’ christendom zou zijn, dan zelf maar te distantiëren van het christendom. Niet door niet meer naar een kerk te gaan, de Bijbel dicht te laten en mijn geloof, met alle worstelingen en vragen die daarbij horen, te loochenen. Integendeel. Maar door me verre te houden van één unificerend begrip dat juist misverstanden in de hand werkt en, erger nog, kan leiden tot een heimelijke strijd over wie wel, en wie (idealiter) geen recht heeft op de aanspraak christelijk te zijn en dit uit te dragen. Hoe zou het christendom exclusief kunnen zijn als daarbinnen al zoveel tegenspraak en strijd heerst, waarbij verschillende kerken of stromingen dan ook nog eens menen de exclusieve christelijke waarheid in pacht te hebben waarmee ze andere het liefst als ketters zouden willen kunnen afschrijven of zelfs afschaffen? Wat mij betreft werpt onderstaande tekst daar licht op.

Tekst

De Zoon van God heeft in de menselijke natuur, die Hij had aangenomen, door zijn dood en verrijzenis de dood overwonnen en zo de mens verlost en omgevormd tot een nieuw schepsel. Want door de mededeling van zijn Geest heeft Hij zijn broeders uit alle volken bijeengeroepen en hen op mystieke wijze tot zijn lichaam gemaakt. In dit lichaam stroomt het leven van Christus uit naar de gelovigen, die door de sacramenten op mystieke en reële wijze worden verenigd met de gestorven en verrezen Christus. Want door het doopsel worden wij gelijkvormig aan Christus: ‘Wij allen zijn immers in de kracht van één en dezelfde Geest door het doopsel één enkel lichaam geworden’ (1 Korintiërs 12:13, Willibrordvertaling). Door deze heilige ritus wordt het deelnemen aan de dood en de verrijzenis van Christus uitgedrukt en verwezenlijkt: ‘Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven’; en als wij ‘één met Hem zijn geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding’ (Romeinen 6:4-5). Doordat wij bij het breken van het eucharistisch brood waarachtig deelhebben aan het lichaam des Heren, worden wij verheven tot de gemeenschap met Hem en met elkander: ‘Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel van het ene brood’ (1 Korintiërs 10:17). Zo worden wij allen ledematen van dat lichaam ‘en als enkelingen zijn wij ledematen, op elkander aangewezen’ (Romeinen 12:5). Gelijk nu alle ledematen van het menselijk lichaam, hoevele ook, tezamen toch één lichaam uitmaken, zo ook de gelovigen in Christus. Ook bij de opbouw van het lichaam van Christus is er verscheidenheid van ledematen en functies. Het is één en dezelfde Geest, die zijn verschillende gaven uitdeelt tot nut van de Kerk, volgens zijn rijkdom en overeenkomstig de eisen van de verschillende bedieningen. Onder deze gaven staat bovenaan de genade, die geschonken werd aan de apostelen, aan wier gezag de Geest zelf ook de charismatici onderwerpt. Dezelfde Geest maakt het lichaam één door zichzelf en door zijn kracht en door de innerlijke verbondenheid van de ledematen; en zó wekt en stimuleert Hij de liefde onder de gelovigen. Als daarom één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, dan delen alle in de vreugde. Het hoofd van dit lichaam is Christus. Hij is het Beeld van de onzichtbare God en in Hem is alles geschapen. Hij bestaat vóór allen, en alles bestaat in Hem. Hij is het Hoofd van het lichaam, dat de Kerk is. Hij is de Oorsprong, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alles de Eerste zou zijn.

Door de grootheid van zijn macht heerst Hij over het hemelse en het aardse, en door zijn alles overtreffende volmaaktheid en zijn werking vervult Hij heel het lichaam met de rijkdom van zijn heerlijkheid. Alle ledematen moeten aan Hem gelijkvormig worden, totdat Christus in hen gevormd is. Daarom worden wij opgenomen in de mysteries van zijn leven, aan Hem gelijkvormig, met Hem gestorven en met Hem verrezen, om eens met Hem te heersen. Nog pelgrims op aarde, Hem volgend in lijden en vervolging, worden wij één met Hem in zijn lijden, gelijk het lichaam met het hoofd; wij delen in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking. Van Hem ‘moet het gehele lichaam, door geledingen en verbindingen gestut en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangen’ (Kolossenzen 2:19). Hijzelf zorgt, dat er in zijn lichaam, de Kerk, voortdurend de gaven zijn van de bedieningen, waarin wij, door zijn kracht, elkaar van dienst zijn voor ons heil, opdat wij ons in liefde aan de waarheid houden en in ieder opzicht toegroeien naar Hem, die ons Hoofd is. Om ons voortdurend te vernieuwen in zichzelf, heeft Hij ons meegedeeld van zijn Geest, die één en dezelfde is in het Hoofd en in de ledematen en die aan heel het lichaam zó leven, eenheid en stuwing geeft, dat de heilige vaders zijn taak hebben vergeleken met de functie, die het levensbeginsel, de ziel, heeft in het menselijk lichaam. Christus nu heeft de Kerk lief als zijn bruid en is daardoor het voorbeeld voor de man, die zijn vrouw moet liefhebben als zijn eigen lichaam. De Kerk van haar kant is onderdanig aan haar Hoofd (Efeziërs 5:23-24). ‘Omdat in Hem de gehele volheid der Godheid lichamelijk woont’ (Kolossenzen 2:9), vervult Hij de Kerk, die zijn lichaam en zijn volheid is, met zijn goddelijke gaven, opdat zij mag streven naar de gehele volheid Gods en deze mag bereiken.

Uit: Lumen Gentium, Hoofdstuk 1 – Het mysterie van de Kerk, vii ‘De Kerk, het Lichaam van Christus’. Hilversum: Gooi en Sticht, 1965.

Reflectie

Het aan Paulus ontleende beeld van de kerk als het (nu nog onvolmaakte) lichaam van Christus, met Christus zelf aan het hoofd, helpt om anders, meer inclusief, naar het christendom te kijken en het niet langer uitsluitend te bezien als een historisch gegroeide, hiërarchische organisatie, een systeem dat vele scheuringen en afsplitsingen kent – maar als een levend organisme dat al bij de prille aanvang op differentiatie is gericht. Ik vind het een liefdevol, helend beeld. Het ademt, het is doorbloed, het staat ver af van kerken die uit steen zijn opgetrokken, ontworpen aan tekentafels en gemaakt door vele mensenhanden alleen. De kennis die Paulus nog niet bezat, over de ontwikkeling van de bevruchte eicel binnen de baarmoeder, van embryo tot foetus, voegt daar wat mij betreft nog meer warmte en eerbied aan toe. Dat is de ware ‘tempelbouw’. En daar komen geen actieve handelingen bij kijken. Hooguit kunnen mensen de omstandigheden scheppen waarin deze nieuwe mens-in-aanleg kan uitgroeien tot een uniek wezen dat het daglicht kan verdragen, dat zelfstandig kan ademen, dat zal leren staan, lopen, spreken en denken en zichzelf in vrijheid zal kunnen realiseren.

Het aan Paulus ontleende beeld van de kerk als het (nu nog onvolmaakte) lichaam van Christus, met Christus zelf aan het hoofd, helpt om anders, meer inclusief, naar het christendom te kijken en het niet langer uitsluitend te bezien als een historisch gegroeide, hiërarchische organisatie.

In de geciteerde paragraaf uit Lumen Gentium is dit beeld niet alleen wonderschoon uitgewerkt, maar er wordt ook benadrukt dat het Lichaam nog verre van volgroeid, van volwassen is. Dat stemt troostrijk, bemoedigend, inspirerend én verwachtingsvol. De kerk mag dan 2000 jaar oud zijn, ze bevindt zich ook nog altijd in een status nascendi. Jezus Christus zegt van zichzelf: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.’ Hijzelf dus. Niet de religie die er in de eeuwen na hem van zijn prediking en (wonder)daden zal worden gemaakt, op grond van overleveringen. Overleveringen die hij bovendien zelf nooit heeft kunnen inzien en waar nodig heeft kunnen aanvullen of corrigeren. De toevoeging bij de geciteerde uitspraak luidt: ‘Niemand komt tot de Vader dan door mij.’ Tel daar die andere uitspraak bij op: ‘Wie niet voor mij is, is tegen mij’, en het ligt voor de hand dat christenen kunnen denken dat alleen zijzelf, en eenieder die zich heeft laten bekeren, deel (mogen) hebben aan het heil. Het is er dus exclusief voor christenen.

Een dergelijke uitleg en beleving van exclusiviteit stemt dankbaar voor de genade om diepgaand met de boodschap van Christus vertrouwd te kunnen zijn, waar miljoenen anderen zich er ofwel woedend, gefrustreerd, minachtend of onverschillig van hebben afgekeerd, ofwel een ‘onjuiste’ godsdienst belijden, ofwel in onwetendheid verkeren over het grote geschenk dat Jezus Christus ook hun blijft aanbieden. Maar het is precies hier, waar dankbaarheid ongemerkt kan omslaan in een gevoel van uitverkorenheid en de daarbij behorende superioriteit. Wonderlijk, want uitgerekend gevoelens van superioriteit lijken Jezus vreemd. Ze zijn hem zelfs een doorn in het oog, en wel in die mate dat ze naar mijn idee christenen in de eerste plaats een balk in eigen oog, en een doorn in eigen vlees zouden moeten zijn. Met zondaars, zoals een tollenaar of een overspelige vrouw, gaat Jezus vele malen milder om dan met Schriftgeleerden die, wellicht met de beste bedoelingen, hun superieure uitleg van de letter boven de concrete situatie en de lotgevallen van de individuele mens plaatsen, en daarmee boven de geest van liefde. Apart dan toch, dat het christendom tot op heden grote legers aan Schriftgeleerden heeft voortgebracht die hun Messias een dienst dachten en denken te bewijzen door met een beroep op het boek en hun enige juiste exegese daarvan, anderen de Waarheid, met hoofdletter, aan te reiken. Niet zelden met het zwaard in de hand, of anders door zwakke, ongeletterde, ‘primitieve’, vertwijfelde, noodlijdende mensen ongevraagd hulp aan te bieden in ruil voor hun bekering.

Een dergelijke omgang met (nog) niet-christenen vooronderstelt dat de laatste groep bestaat uit vijanden, dolende onwetenden, dwarse, godslasterlijke heilweigeraars en meelijwekkende stumperds voor wie het gelukkig nog niet te laat is, als ze maar luisteren en hierop de enige goede smeekbede laten volgen: ‘Doop mij, kersten mij.’ Het is mij nog nooit gelukt om op die manier over anderen te denken, al weet ik maar al te goed dat gevoelens van superioriteit nooit ver weg zijn, op tal van gebieden. Maar het idee dat een christen, door de enige ware godsdienst aan te hangen, niet alleen beter af is dan ongelovigen of andersgelovigen, maar zonder meer ‘beter’ is, moreel maar zeker ook existentieel beter, weerspreekt talrijke mooie, diepgaande ervaringen met medemensen – of dit nu toevallige ontmoetingen met willekeurige passanten waren, of gesprekken met vrienden of met mensen die juist door deze gedeelde ervaringen vrienden zouden kunnen worden. Afkomst, nationaliteit, etniciteit, sekse, geaardheid, leeftijd, opleiding, beroep, godsdienst en levensbeschouwing hebben hierin nooit een grote rol gespeeld, tenzij als factoren die juist bijdroegen aan de wederzijdse interesse.

Misschien kun je stellen dat wat de betreffende, zeer verschillende personen gemeenschappelijk hebben en wat voorafging aan de ontmoeting, of wat deze in vrijheid mogelijk maakte en vereenvoudigde, een gebrek, een tekort is aan overtuigde, blinde loyaliteit aan de eigen groep(en) en/of aan een volkomen identificatie hiermee. Met opzet kies ik hier voor een negatieve duiding: zou ik beweren dat de overeenkomst was gelegen in onbevooroordeelde, onbevangen, belangeloze mensenliefde, kortom, in een gedeelde gave, een gedeelde aardigheid of verworvenheid, dan zou ik liegen. Een tekort, aan wat dan ook, is iets anders dan de totale afwezigheid van iets. Daarnaast bestaat er het risico dat wie zonder verblozen meent ruimhartiger en ruimdenkender te zijn dan degenen die op sommige punten wel degelijk voor anderen terugdeinzen, al bij voorbaat, zelf net zo goed ten prooi is aan superioriteitsgevoelens. Niet voor niets werd de term ‘linkse kerk’ ooit gemunt, en hoewel ik mezelf wel degelijk als links van het politieke midden beschouw en, niet per se hierdoor, vind dat ik me openlijk moet uitspreken tegen het gedachtegoed van pvv en fvd, kan ik me zeer ongemakkelijk voelen als de linkse kerk haar tolerantie als een imponerende hoogmis viert, met veel kreten en symbolen. Met name als men degenen voor wie men zegt op te komen niet of nauwelijks kent, of enkel in de veilige rol van slachtoffers die begrip, bescherming en verdediging verdienen, maar niet in die van een gelijkwaardige, wederkerige vriendschap waarin iemand oneindig veel meer is dan het kenmerk of de eigenschap op grond waarvan hij of zij wordt gediscrimineerd en daarbij de vrijheid voelt om het eventueel oneens te zijn met zijn verdedigers.

Ook wanneer het genoemde tekort voor een deel iemands eigen verdienste is, en voor een ander deel de uitkomst van waarnemingen van, en ervaringen met de kwalijke keerzijde van superioriteitsgevoelens, dan nog vergt het tekort dagelijks intensief onderhoud. Ik acht het heel wel voorstelbaar dat ieder mens die zijn hoogstpersoonlijke levensweg dapper bewandelt– met een open oog voor alles wat en wie er op zijn weg komt en het verlangen daarvan te leren, in plaats van zelf de leermeester en zendende zendeling uit te hangen – misschien wel meer ‘in Christus’ is dan degene die van kinds af aan braaf zijn gebedjes opzegt, op zondag naar de kerk gaat, gul zijn papiergeld in de collectezak neervlijt en ‘natuurlijk’ op een christelijk geïnspireerde politieke partij stemt. Zelfs mensen die op eerstgenoemde wijze hun weg gaan en de rillingen zouden krijgen van een uitspraak (die ik daarom ook niet doe, of zelfs maar wens te denken!) als: ‘Je weet het zelf nog niet, en je verwerpt het, maar ten diepste ben jij óók, of juist, heel christelijk.’ Dat is namelijk heel wat anders. Het is suggereren dat de ander een dusdanige hartelijkheid tentoonspreidt dat het onmogelijk is diegene niet als christen – in casu, als jezelf en je geloofsgenoten – te kunnen beschouwen. En daar is dan de goedbedoelende hoogmoed weer. Wie mogelijk ‘in Christus’ is door de authentieke, onderzoekende, (zelf)kritische wijze waarop hij zijn weg gaat, is dat uitdrukkelijk niet omdat jij dat beslist of hoopt, of kunt of mag beoordelen.

Jezus zegt niet: ‘Niemand komt tot God, dan door mij’, maar Hij bezigt hier het woord Vader, en niet voor het eerst.

Jezus zegt niet: ‘Niemand komt tot God, dan door mij’, maar Hij bezigt hier het woord Vader, en niet voor het eerst. In deze context is het van groot belang dat de begrippen ‘God’ en ‘Vader’ uitwisselbaar lijken, maar dit niet zijn. Vader is ook geen metafoor voor God. Geen uitgelichte eigenschap. Een vader kan talrijke nakomelingen hebben, zelfs zonder dit te weten. Bij meerdere vrouwen. Zijn aandeel betreft de bevruchting. De ontwikkeling van de vrucht is uitsluitend afhankelijk – negen maanden lang en in de zoogtijd – van het lichaam, de zorg van de moeder. De kinderen kunnen veel broers en zussen hebben en later nog veel halfbroers en halfzusjes op het spoor komen, en in al die gevallen geldt: de kinderen kunnen geen van allen claimen dat ze het exclusieve kind zijn van deze vader, maar de vader kan wel met elk van zijn kinderen een unieke, exclusieve band voelen én smeden. Een band die losstaat van wat hij voor de moeder voelde of voelt. Vaders en hun zoons en dochters kunnen niet terugvallen op een door de natuur gegeven afhankelijkheidsrelatie, die al is ontstaan in de baarmoeder en met het zog mee is geschonken.

De exclusieve relatie van een vader met zijn kinderen is allerminst vergelijkbaar met een monogame liefdesrelatie waarin het ten strengste verboden is te houden van iemand van het andere geslacht, al zeker niet lichamelijk, omdat dit de exclusieve huwelijksband zou bedreigen – waar het meestal jaloezie is die de band bedreigt, alsmede de onwil om te erkennen dat de persoon van wie we zo heftig houden ook van een ander kan houden en door hem of haar geliefd kan worden, en zelfs als ‘de ware’ gezien kan worden.

Hoe goed, hoe door en door ik het ook ken: hier is toch echt sprake van een verwarring van exclusiviteit en bezitsdrang, die haar wortels heeft in het diepe verlangen vooral zelf exclusief te mogen zijn. ‘Ga niet vreemd, bedrieg mij niet met een ander – want daarmee bevestig je mij in mijn gevoel inwisselbaar te zijn.’ Dat er vele tientallen, honderden exclusieve relaties in één hart kunnen bestaan, zonder rangorde, weet de vader van vele kinderen. Door joodse, islamitische, boeddhistische en andere vrienden en vriendinnen, ook agnostische en atheïstische vrienden, notoire twijfelaars en sceptische vrienden, weet ik één ding. Waar we niet klakkeloos, onverschillig of veilig deel willen uitmaken van een groep, maar ons op een smalle weg willen begeven, het volle, rijke, hopeloos tegenstrijdige, verwarrende, uitdagende en uitputtende leven in, is de Vadergod te ontmoeten. Al zijn liefdes zijn even exclusief. Het probleem treedt pas daar op, waar de kinderen, allang volwassen, nog steeds een wedstrijd willen maken van de vraag wie het meest van de Vader houdt en wie door Hem het meest wordt liefgehad. Het dingen om erkenning en gunsten is geen liefde. Het is het dempen van wantrouwen, achterdocht, afgunst en jaloezie. Het is Kaïn die Abel vakkundig uit de weg ruimt.

Maar een beetje vader betreurt dat. Een beetje vader leeft net zozeer mee met de daderzoon als de slachtofferzoon. Hij maakt ze broeders, alsnog. Niet genetisch, maar in de geest. Allemaal unieke kinderen van één vader, ook al gedragen ze zich nog steeds niet als broers, en zien ze niet in dat juist hun onderlinge verschillen een goede vader bevestigen in zijn onvoorwaardelijke, en toch telkens weer persoonsgebonden liefde. Iemand die door het gaan van de weg tot de Vader heeft mogen komen, beziet ieder ander als mogelijke vriend, leermeester, broer of zus. Als een van God gegeven geschenk. En zo iemand laat het wel uit zijn hoofd anderen te bekeren. Zolang zijn eigen liefde maar authentiek en exclusief is, omdat de relatie dit is. Je geliefd weten of niet – that’s the question. Het is een vraag die niemand kan beantwoorden, behalve jijzelf. Door volop te leven en anderen met jezelf te laten meeleven. Ieder ander: je broer, je zus, je vriend, je geliefde, je moeder, je vader, je kind. Je oorsprong en je toekomst. Zo al iets het christelijke geloof exclusief maakt, dan is dat deze volkomen inclusiviteit. En al is Christus volgens Paulus het hoofd van het Lichaam, dat lichaam en dus ook het hoofd zijn pas in de moederbuik ontstaan nadat daar als eerste orgaan het hartje werd aangelegd. Warm en kloppend. Als in galop – ontstaan uit liefde en de liefde tegemoet.

Désanne van Brederode (1970) studeerde Filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Sinds haar debuutroman Ave verum corpus (1994) publiceerde ze bij Uitgeverij Querido nog acht romans, verschillende non-fictie-publicaties en de dichtbundel Verzonnen grond (2018). Van Brederode schrijft artikelen en columns en geeft lezingen over maatschappelijke en levensbeschouwelijke onderwerpen.


Wim Vermeulen, Marcus van Toor, Bart Schreuders. Klimijzers. Hoe de theologische traditie ons kan helpen bij moderne geloofsvragen Utrecht: KokBoekencentrum, 2022. 192 pp. €20,00. ISBN 9789043538299 .

< Terug