< Terug

Hoe komen patiënt en geestelijk verzorger bij elkaar terecht?

Masterstudent: Martijn A.C. van Loon

Titel onderzoek: De weg en zijn bestemming. Hoe patiënt en geestelijk verzorger bij elkaar terechtkomen

Faculteit: Masterscriptie Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen

Universiteit: Radboud Universiteit Nijmegen

Datum: augustus 2019

Overal in zorginstellingen werken geestelijk verzorgers met patiënten. De beroepsgroep is goed in staat te reflecteren over hoe dat contact inhoudelijk tot stand komt. De werkrelatie met de patiënt is immers een van de meest cruciale aspecten van geestelijke verzorging. Veel minder wordt gekeken naar de technische, organisatorische kant van contactname, die daaraan voorafgaat.

Probleemstelling

In mijn onderzoek heb ik mij verdiept in het vraagstuk hoe patiënt en geestelijk verzorger bij elkaar terechtkomen en hoe dit is verbonden met beroepsopvatting en beleid. Deze probleemstelling vereist helderheid over een aantal zaken. Bijvoorbeeld:

• Heeft een patiënt wel behoefte aan geestelijke zorg en hoe komt men dat te weten?

• Zijn het domein en de verschillende rollen van de geestelijk verzorger duidelijk afgebakend?

• Hoe verhoudt de geestelijke verzorging zich wat betreft professionaliseringsprocessen en werkwijze tot andere zorgdisciplines?

• En hoe wordt omgegaan met positionering van de afdeling in de instelling, borging van kwaliteit en schaarste van het aanbod van geestelijke verzorging?

Hiervoor is een inventarisatie uitgevoerd onder academische ziekenhuizen.

Onderzoeksvraag

De volgende onderzoeksvraag werd gehanteerd:

Via welke mogelijkheden is de toegang van de geestelijk verzorger tot patiënten (en vice versa) geregeld in Nederlandse academische ziekenhuizen?

Dit onderzoek is vooral gericht op geestelijk verzorgers zelf, om hen te wijzen op de problematiek van dit aspect van het vak. Het zou de geestelijke verzorging als beroepsgroep helpen zich bewust te zijn van hun manier van werken. Daar hoort bij dat er goede en gefundeerde verantwoording kan worden afgelegd over de vraag hoe men ervoor zorgt dat geestelijke verzorging terechtkomt bij de juiste patiënten, op het juiste moment en op de juiste manier.

Drie perspectieven

Het theoretisch kader op deze probleemstelling bestaat uit drie perspectieven.

Allereerst het cliëntperspectief, dat gaat om de vraag met welke geestelijke behoeften de patiënt bij wie in het ziekenhuis terecht kan en hoe deze behoeften kenbaar gemaakt kunnen worden. Het is vaak moeilijk te achterhalen wat de geestelijke behoeften zijn, voor zowel de zorgmedewerkers als de patiënten zelf. Over het algemeen willen patiënten wel dat er met aandacht naar hen wordt geluisterd, maar wat geestelijke behoeften betreft zou het specifiek moeten gaan om religieuze, morele of algemene zingevingsvragen. Deze moeten actief worden opgemerkt door zorgmedewerkers.

Vanuit een institutioneel perspectief speelt vooral de vraag hoe de patiënt op de juiste plaats in het ziekenhuis terechtkomt. Kent het zorgpersoneel de afdeling en weten zij wanneer er doorverwezen moet worden? Krijgt iedereen die het wil en nodig heeft de geestelijke ondersteuning waar hij recht op heeft wanneer het druk is? Op een concreet niveau is het van belang te weten welke diagnostische instrumenten hiervoor beschikbaar zijn en deze in te zetten op basis van weloverwogen keuzes. Te denken valt aan anamnese bij aanmeldingsprocedures en screening. Maar ook triage (verdeling van zorg onder de patiënten die er het meest bij gebaat zijn), verwijzingsprocedures en rapportage dienen inzichtelijk en verantwoord te worden gehanteerd. De keuzes die hierin worden gemaakt moeten bovendien rusten op de ethische en economische waarden die passen bij de zorgvisie van de instelling.

Voor het beroepsperspectief wordt ingezoomd op de geestelijke verzorging. Afdelingen staat een uitgebreid, uniek, maar ook vaak incompleet, niet-transparant en ambivalent instrumentarium ter beschikking om het contact met patiënten verantwoord tot stand te brengen. Hulpmiddelen zijn vaak niet gestandaardiseerd, en er heersen discussies over positie en integratie, vrijplaats, samenwerking en roldiversiteit.

Inventarisatie en analyse

De methodische benadering van het onderzoek was een inventarisatie te maken en analyse te verrichten van de mogelijkheden van toegang van geestelijk verzorgers tot patiënten en omgekeerd op afdelingen geestelijke verzorging in academische ziekenhuizen.

Dataverzameling heeft in de eerste fase plaatsgevonden onder alle Universitair Medische Centra (UMC’s) in Nederland. Zij zijn benaderd met vragen naar concrete mogelijkheden en daarbij behorende beleidsoverwegingen.

Gijs Frieling, ‘Doornroosje’ (detail), 1995

In de tweede fase is na inventarisatie van deze data een steekproef van drie UMC’s genomen (Radboud UMC, Leiden UMC en UMC Groningen) voor verdere verdieping. Hier zijn expertinterviews afgenomen met geestelijk verzorgers en andere zorgprofessionals op leidinggevende posities als informanten. Inhoudelijke analyses zijn gemaakt van zowel de data uit de eerste fase als de data uit de transcripten van de interviews.

Uitkomsten

Algemene uitkomsten van de analyse zijn allereerst het breed gedeelde belang van werken op basis van ordering en rapportage via het Elektronisch Patiënten Dossier (EPD). Men geeft meestal de voorkeur aan ordering boven andere mogelijkheden. Dit heeft behalve professionele aansluiting bij de zorg ook te maken met zichtbaarheid van de afdeling bij andere zorgmedewerkers.

Ook gaat men er in alle drie UMC’s vanuit dat de meeste patiënten een inaccuraat beeld hebben van wat geestelijke verzorging is. Desalniettemin hebben ze principes als patiëntautonomie hoog in het vaandel.

De onderzochte UMC’s hanteren verder vergelijkbare methodieken van contactname met patiënten, maar verschillen in de benaderingen van zorg, patiënt en ziekenhuismedewerkers.

De analyses geven de volgende uitkomsten:

• In het Radboud UMC wordt ingezet op persoonsgerichte en vraaggestuurde zorg. Omdat ervan wordt uitgegaan dat patiënten een inaccuraat beeld van geestelijke verzorging hebben levert dit moeilijkheden op, en wil men gebruik maken van spirituele anamnese en screeningslijsten, die de patiënt bij voorkeur zelf invult. Zo wordt het tijdsgebrek van verpleegkundigen om volledige anamnese af te nemen omzeild. Geestelijke verzorging die louter via ordering verloopt is overigens niet het ideaalbeeld, er is waardering voor de ‘informele route’.

• Geestelijke verzorging in het Leiden UMC gaat uit van de capaciteiten van patiënten om te weten wat zij willen. Daarom richt men zich hier op het informeren van patiënten over de mogelijkheid van geestelijke verzorging, waarna deze zelf een hulpvraag moeten formuleren. De inschatting welke patiënten proactief worden geïnformeerd wordt in overleg met verpleegkundigen gemaakt. Deze werkwijze wordt door geestelijk verzorgers beschouwd als protocol, door verpleegkundigen echter als informele aanwezigheid. Het dagelijkse rondlopen van de geestelijk verzorger op de afdeling zorgt ervoor dat men eerder hem consulteert dan bijvoorbeeld een maatschappelijk werker die minder zichtbaar is.

• Het UMC Groningen wil de mens in de patiënt zien en diens behoefte meer op laten vallen bij zorgmedewerkers. De geestelijke verzorging richt zich daarom mede op het personeel als potentiële klanten in een marketingcampagne. Zij zijn immers degenen die de patiënten dagelijks zien. Omdat klinische lessen een korte werkingsduur hebben wordt in de toekomst wellicht gewerkt met een verpleegkundige per afdeling met een affiniteit voor geestelijke verzorging, zoals dat nu voor andere disciplines al het geval is.

Zowel in het Radboud UMC als in het UMC Groningen is geestelijke verzorging op de ene afdeling beter in beeld dan op de andere. Veel is afhankelijk van leiderschap, persoonlijke contacten en het soort benadering van geestelijke verzorging dat geschikt is voor een afdeling.

Conclusie

Het onderzoek toont aan dat UMC’s een behoefte hebben aan zichtbaarheid, standaardisering van processen en een ambitie om geestelijke verzorging meer te integreren in het ziekenhuis. Zo wordt ook de vrijplaats slechts genoemd in het kader van rapportage, niet als initiatiefrecht. Praktisch blijkt echter dat de standaard werkwijze van de zorg wat betreft contactname met patiënten niet altijd voldoet voor de geestelijke verzorging. Men houdt daarom vast aan uitwijkmogelijkheden, die worden gepresenteerd als protocollair overleg of presentie. Om goed te integreren en te professionaliseren moeten geestelijk verzorgers een dergelijke flexibiliteit onderdeel houden van hun mogelijkheden in werkwijze voor contactname met patiënten, maar deze dient wel gefundeerd, verantwoord en zichtbaar te worden gecommuniceerd.

Martijn van Loon is geestelijk verzorger, per eind december verbonden aan Carinova in Deventer.

< Terug