< Terug

Hoe overleef ik de wachtkamer?

Een half uur wachten bij de huisarts, de tandarts of de oogarts – vooruit. Maar een uur, twee uur, drie uur…

Zoals gewoonlijk loop ik tien minuten te vroeg de polikliniek binnen. Bij de receptie begint het eerste wachten, er staan al wat mensen in de rij om zich te melden. Na het noemen van mijn achternaam en geboortedatum zegt de dame (meestal zijn het vrouwen) achter de balie: ‘Neemt u maar even plaats in de wachtkamer’. Een snelle blik op de stoeltjes en banken doet vermoeden dat dat ‘even’ een rekbaar begrip zal zijn. Een half uurtje wachten vind ik redelijk, ik snap dat een gesprek met een patiënt uit kan lopen en ook ik hoop dat straks de arts in alle rust naar mijn situatie zal kijken. Maar helaas maak ik het ook anders mee. Tot mijn ergernis zit ik dan langer dan een uur, tot zelfs twee en een enkele keer drie uur te wachten.

KOFFIE EN KRANT

Voorafgaand aan een consult ben ik vaak onzeker en gespannen, de waarnemingen en de woorden van een arts kunnen verstrekkende gevolgen hebben. In de wachtkamer vermijd ik daarom het contact met medepatiënten. Gewapend met een bekertje koffie, nestel ik mij in een stoel en doe alsof ik het mij zo behaaglijk mogelijk maak. Uit mijn tas komt een krant of een magazine, een enkele keer neem ik mijn breiwerkje mee. Ook een telefoon of tablet zijn voor mij goede afleiders. Wil ik de kans zo klein mogelijk maken dat anderen mij aanspreken, dan haal ik de oortjes die bij een telefoon horen uit mijn tas. Ook al komt er geen geluid uit, als anderen dat witte snoertje zien, denken ze dat er met mij niet te communiceren valt.

HET NOODTASJE

Na ruim een half uur ga ik terug naar de balie. Ik laat de medewerker zo aardig mogelijk weten hoelang ik er al zit en vraag aan haar of zij enig zicht heeft op de duur van de wachttijd. Dit herhaal ik (soms tot vervelens toe) ieder half uur. Na een klein uurtje open ik mijn noodtasje ‘voor in de wachtkamer’. Wat zit daar in? Een klein zakje met nootjes, wat dropjes en een puzzelboekje. Eindelijk is het zover, ik hoor mijn naam, de dokter staat in de deuropening. Ik geef een hand en hoor wat gemompel, ik begrijp dat dit een verontschuldiging is. Ik kijk de arts aan en zeg: ‘Haalt u eerst maar even adem, u zult het wel heel druk hebben, heeft u al koffie gehad?’ Na tien minuten sta ik weer buiten. Terwijl ik koers zet naar de uitgang groet ik de achterblijvers in de wachtkamer.

MIJN TIPS:

• Probeer een afspraak te maken aan het begin van het spreekuur.

• Zorg er voor dat je zelf alle tijd hebt. Plan zo ruim mogelijk.

• Neem wat te eten mee, in een wachtkamer kun je alleen wat te drinken krijgen.

• Laat de ergernis van een ander niet je eigen ergernis worden. Schik je in je lot, er valt vaak niets aan te doen.

• Je kunt de tijd gebruiken om eindelijk eens een boek te lezen of je breiwerk ter hand te nemen.

• Sta af en toe op, loop een rondje. Sommige ziekenhuizen hebben een niet onaardige kunstcollectie.

Holkje van der Veer is dominicanes, studeerde cultureel en agogisch werk en theologie, en is redactielid van Open Deur.

< Terug