< Terug

In de woestijn

Kort samengevat komt het verhaal van de verspieders in Numeri 13 en 14 hier op neer: veertig dagen onderzoek levert veertig jaar vertraging op. Veertig dagen hebben de pioniers van Israël nodig om te bekijken of het land Kanaän, aan de kust van de Middellandse Zee, geschikt is om hun volk op te nemen. Maar omdat hun rapportage tegenstrijdig is en tot verwarring leidt, blijft het volk verbijsterd achter in de woestijn, veertig jaar.
Maarten den Dulk is emeritus hoogleraar Praktische Theologie aan de PTHU.

Terwijl ik dit bedenk, schieten er allerlei herinneringen door mijn hoofd over wat er is gebeurd met West-Europa in de afgelopen veertig jaar. In de jaren zeventig van de vorige eeuw zouden we een nieuw begin maken met de maatschappij: radicale democratie, zonder armoede en zonder massavernietigingswapens en met zorg voor het milieu. Het was allemaal goed uitgezocht – dachten we – en we maakten ons op voor de nieuwe toekomst. Maar de plannen liepen vast in heilloze, politieke tegenstellingen. En nu, veertig jaar later, zitten we nog steeds in de woestijn en we zullen in de woestijn sterven. Wat ging er toen mis, dat we nog steeds ronddolen? En hoe moet het nu verder? Wat zijn de plannen in deze tijd? En waar zullen we over veertig jaar zitten? Het verhaal van Numeri roept associaties op met de tijdsbeleving van één generatie, zeg maar zo’n veertig jaar, met ervaringen die gedrenkt zijn in hoop en teleurstelling, in bruisende momenten en frustrerende stagnaties, om maar te zwijgen over ziekte en dood.

Wat is het probleem?

Wat is het probleem in het boek Numeri? Het verhaal van de verspieders is gefocust op één motief. Het gaat om de vraag of een welvarend land in staat is een grote groep economische migranten op te nemen. Het bijzondere van dit verhaal is, dat de situatie wordt gezien door de ogen van de migranten. We horen voornamelijk hoe zij op de situatie reageren en het blijkt dat die reactie even realistisch is als schrijnend. De eersten die het land verkennen, zijn niet de minsten. Ze vormen de bovenlaag van de groep en ze komen met een goed onderbouwde analyse van de situatie terug. Inderdaad gaat het om een welvarend land, met een bloeiende economie en een sterke politieke organisatie. Maar die welvaart is meteen ook het probleem. Dit rijke land zit niet te wachten op groepen mensen die van hun welvaart willen profiteren en de landeigenaren zijn zo machtig dat ze die horden wel kunnen keren. Het verstand zegt, dat het waanzin is om ‘zomaar’ binnen te komen in dat vreemde land. Er moet dus over nagedacht worden en dat wordt dan ook gedaan. Daarbij blijken de meningen verdeeld te zijn. Dat klinkt op zich realistisch, maar het helpt de hoorders niet. En dan loopt het uit de hand. De leiders, de pioniers van de beweging, kunnen geen leiding geven aan de maatschappelijke discussie en ze brengen het gesprek in een impasse. Dat belemmert de besluitvaardigheid. Sterker nog, het blokkeert iedere vorm van gerichte actie en dat roept frustratie op en ontaardt in ongerichte, wilde emoties, angst en woede. De oplossing die het volk voor zich zelf zoekt, is even impulsief als voorspelbaar: het wordt vluchten of vechten. Eerst slaat de angst en de wanhoop toe, men keert zich tegen de eigen leiding, men verlangt terug naar een veiliger verleden en dringt er uiteindelijk op aan om te vluchten. Als dat geen optie blijkt te zijn, slaat de stemming om in woede en kiest men ervoor met geweld de toegang tot het land te forceren, maar ook vechten blijft zonder resultaat. Of het nu vluchten wordt of vechten, het schiet niet op. De mensen blijven in de woestijn en vanuit de woestijn gezien, ziet het land van de toekomst er ontoegankelijk uit. De bewoners van dat land kennen immers maar één wet: eten of gegeten worden. En eten kunnen ze. De verspieders zeiden het letterlijk: ‘dit is een land dat zijn bewoners opeet’ (13,32). Met andere woorden: als jullie je argeloos in dat land begeven in de hoop daar je brood te kunnen verdienen, dan word je in het beste geval opgenomen in het economisch systeem, maar dan zal je wel merken dat ze je arbeid gebruiken, je leegzuigen en je na afloop uitspuwen. Je krijgt niet te eten. Je wordt opgegeten. Zo zit de economie in elkaar. Dat is het schrijnende probleem in het boek Numeri, een boek dat in de joodse overlevering terecht genoemd wordt ‘In de woestijn’. Om uit de woestijn te komen, is blijkbaar nog een ander boek nodig. Maar voor wie voorlopig nog in de woestijn verkeert, is dit boek onontbeerlijk.

Of het nu vluchten wordt of vechten, het schiet niet op. De mensen blijven in de woestijn.

Wat wil het verhaal?

Het kan zijn dat het verhaal uit Numeri een echo is van een migratiegolf die tegen het einde van tweede millennium voor onze jaartelling moet hebben plaats gehad in het Midden-Oosten. Voor het eerst in historische tijd werd men zich pijnlijk bewust van de ongelijke uitgangspositie van de volken en van het onrecht dat daardoor aangedaan wordt aan de mensen zonder land en status, en van de gevolgen die dit heeft voor mensen die wel land en status hebben. Men begreep dat het niet een normale gang van zaken was, maar dat de mensheid een probleem had. Die pijn en dat onrecht zijn nooit overgegaan. Integendeel, er zijn sindsdien nieuwe en verschrikkelijke ervaringen overhéén gegaan. Steeds waren er volken die weg moesten uit een ondraaglijke situatie en die op weg gingen naar gebieden waar het beter was. Die vernederende ervaringen werden meestal uit het collectieve geheugen gewist door de overwinnaars. Maar met name in de overlevering van Israel werden deze ervaringen niet verdrongen, maar juist met klem te binnen gebracht, herinnerd en overgeleverd. Zo is dit verhaal van Numeri het vademecum geworden voor het joodse volk onderweg, te midden van machtiger volken. Het verhaal biedt een structuur om steeds nieuwe ervaringen van pijn en onrecht te kunnen opslaan en bewaren. En als zodanig kan het ook door andere volken met vrucht worden gehoord. Het verhaal wordt verteld om het zwakste volk de moed te geven om oog in oog te gaan staan met het probleem van het onrecht tussen de volken en om dan in die situatie een weg te wijzen die origineler is dan het gebruikelijke ‘vluchten’ of ‘vechten’. Dat zwakke volk wordt daarbij niet beschouwd als zielig slachtoffer van de omstandigheden, maar als een groep mensen die kan optreden en dat ook moet doen. Althans, dat wil het verhaal.

Wat is de actie?

De strekking van het verhaal van Numeri is duidelijk. Het wil een andere wet stellen dan die van ‘eten en gegeten worden’. In plaats daarvan onderwijst dit verhaal de wet van ‘geven en ontvangen’ en de alternatieve wetgever wordt God genoemd. Deze God geeft de aarde – met de bedoeling dat het een plaats zal worden waar genoeg te eten is voor iedereen en waar recht en vrede gewaarborgd worden. Het is de bedoeling dat de mensen die gave niet zullen negeren, maar met beide handen zullen ontvangen – en zich daarbij actief inzetten voor recht en vrede voor allen. Vanaf de eerste zin van het verhaal wordt ingezet op de hoop: God geeft zijn volk land als een werkplaats van vrede! Meedoen aan deze hoopvolle beweging, dat is de actie die hier wordt gevraagd! Door niet mee te doen aan deze actie, blijft de aarde een woestijn. Waarom zou men dan niet meedoen? Waarom zou een mens aarzelen om mee te werken aan de ontwikkeling van een goede samenleving? Wat is de reden dat het onderzoeksrapport van de pioniers die aarzeling oproept? Juist in het licht van deze hoopvolle actie wordt duidelijk waarom hun rapport zo frustrerend werkt. Het is empirisch onderzoek en daar is op zich weinig tegen in te brengen, maar het mist de grond van de hoop. Het gebod en de belofte van God gaan schuil achter de zogenaamd objectieve analyse. De bezorgdheid om het risico dat men kan lopen, klinkt luider dan de hoop. En precies daar gaat het mis.

Toen de theoloog Karl Barth in de jaren na de Tweede Wereldoorlog met dit dramatische verhaal van Numeri bezig was, stelde hij het onder de noemer van de bezorgdheid en schreef: ‘De wortel van alle kwaad is óók eenvoudig en verschrikkelijk: de bezorgdheid van de mens’. De gevolgen van die zorgelijke reactie zijn dodelijk. In hun bezorgdheid kunnen de mensen alleen nog maar aan het ergste denken, aan het falen, aan de ondergang, aan de dood dus. Het vergiftigt hun denken. Ze hebben geen oog meer voor het Godsgeschenk van de vrijheid en voor de rechten van de mens. Ze zien alleen maar het zwarte gat waarin alle hoop verdwijnt. Dat verlamt hun leven. Ze durven het niet meer aan om met risico’s te leven en hoopvol naar de toekomst te gaan. En dat is waar de actie blijft steken in de woestijn. En dat is nog zachtjes gezegd. Het verhaal van Numeri laat horen dat het volk bereid is om die enkele wijze mensen, die oproepen tot een leven in hoop, de mond te snoeren en om te brengen. Zo verschrikkelijk gevaarlijk is de bezorgdheid. Ze zet de geschiedenis stil.

Het gesprek

Het indrukwekkendste moment in dit verhaal van Numeri is het gesprek dat God met Mozes voert (14,11-25). Het is een gesprek waardoor voldoende communicatieve ruimte wordt geschapen om de geschiedenis weer in beweging te krijgen. ‘Gesprek’ is overigens een mild woord voor de keiharde onderhandeling die hier plaats vindt. Het is een worsteling op leven en dood. Het begint met een soort laatste oordeel, een woedend Exit-gesprek. God neemt de moordplannen van het volk serieus en confronteert het met de gevolgen. De moordenaar vernietigt niet alleen zijn vijand, maar vernietigt ook zichzelf. Het volk bereidt dus zijn eigen afgang voor en er is geen alternatief dan opnieuw te beginnen met een ander volk. Mozes laat zich daardoor niet intimideren, maar confronteert God met zijn eigen oordeel. Als God zijn volk laat vallen, dan gaat niet alleen dat volk af, maar God zelf gaat óók af. In de ogen van de andere volken wordt daarmee zijn hele bevrijdingsgeschiedenis te niet gedaan. Is dat wat God wil? De onderhandeling is daardoor in een patstelling terecht gekomen. Mozes en God houden elkaar tegen, kracht tegen kracht, en de geschiedenis balanceert boven de afgrond. Dan neemt Mozes een groot risico door de balans te ontregelen. Hij vraagt niet of God wat minder krachtig zal optreden, maar hij vraagt of Hij juist méér kracht wil zetten! Hij doet een beroep op de kracht van verandering en vergeving, waardoor niet alleen het onrecht wordt weggedaan, maar waardoor ook de mensen worden bevrijd van het onrecht en opnieuw kunnen leven. Daar zit zijn kracht en de kracht van die bevrijding is groter dan het geweld van de vernietiging. Zonder vergeving is geen geschiedenis mogelijk. Het gebed van Mozes klinkt zoiets als: ‘Vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen’. Hij vangt God daarmee in zijn eigen woord en dat werkt. God hoort het gebed en laat zich daardoor betrekken in deze hopeloze, menselijke geschiedenis. Hij neemt de verloren zaak van zijn volk aan als zijn eigen zaak en neemt Mozes’ woord aan als zijn eigen woord. De toon van het gesprek verandert. Het gaat niet meer over Exit, maar over Omkeer. De geschiedenis komt weer in beweging. Daarbij wordt aangetekend, dat omkeer, verandering en vergeving niet de oplossing is voor alle problemen. Het is slechts het begin van de oplossing. De geschiedenis begint opnieuw en is anders dan daarvoor. De mensen moeten weer helemaal opnieuw leren leven en dat duurt een leven lang: veertig jaar in de woestijn, veertig jaar heen en weer getrokken tussen de neiging om te vluchten of te vechten. Dat is geen happy end. Aan het eind van het verhaal klinkt wel, als een teken van hoop, dat de ark van het verbond niet zal wijken uit het kamp (14,44).

De mensen moeten weer helemaal opnieuw leren leven en dat duurt een leven lang: veertig jaar in de woestijn.

Zij zijn ons brood…

Tot slot, terzijde, een taalpuzzel. Halverwege het verhaal blijft een zinnetje bij me haken. Als twee van de twaalf verspieders, Jozua en Kaleb, proberen hun mensen alsnog moed in te spreken, zeggen ze dat ze niet bang hoeven te zijn voor het volk dat nu in het land woont, want zij zijn ons brood (14,9 in de Statenvertaling). Die beeldspraak intrigeert me. Wat is daarmee bedoeld? De Herziene Statenvertaling legt uit: ‘zij zijn ons tot voedsel’ en de Nieuwe Bijbelvertaling gaat nog verder en vertaalt: ‘die vermorzelen we met gemak’. Zo verstaan, wordt het volk in het land beschouwd als gefundenes Fressen. Je eet het makkelijk weg en je kan het tussen je tanden vermorzelen. Goed mogelijk, dat Jozua en Kaleb deze beeldspraak als peptalk gebruikten. Ze zouden ze zich dan beroepen op de wet van ‘eten of gegeten worden’. Maar het aardige van beeldspraak is dat er verschillende betekenislagen in kunnen zitten. Ik probeer maar. Is het mogelijk dat er wordt gezinspeeld op een andere economische wet? Hoe klinkt dat dan? De migranten krijgen te horen: wees niet bang, want de bevolking van het land waar jullie willen wonen, is jullie brood. Dat wil zeggen: die bevolking vormt de garantie voor jullie levensonderhoud. Zij kunnen ervoor zorgen dat jullie te eten hebben. Ze kunnen jullie laten delen in hun welvaart. Ze kunnen jullie werk geven zodat je je eigen brood kan verdienen. Dat weten zij zelf nog niet, maar daar komen ze wel achter. God zal het ze laten weten. Als het zover is, kunnen ze zich niet meer tegen jullie verzetten. Zo verstaan zinspeelt die beeldspraak op de wet van ‘geven en ontvangen’. Is dat wishful thinking?

< Terug