< Terug

In ‘s Heren naam: Jezus

Bij Numeri 6,22-27, Handelingen 4,8-12 en Lucas 2,21

Vandaag, op de eerste dag van het ‘jaar onzes Heeren’ 2012 staat de naam centraal. We beginnen elk nieuw jaar anno Domini met de naamdag van Jezus. In de kerkelijke traditie is 1 januari de achtste dag van Jezus’ leven (zijn geboortedag op 25 december meegerekend) en daarmee de dag van zijn besnijdenis en naamgeving. Het is logisch en theologisch zinvol dat 1 januari de naamdag van Jezus is. In het liturgisch jaar is het de dag van Jezus’ naamgeving en op de kalender is het de eerste dag van een nieuw jaar.

Nomen est omen

What’s in a name?’ of Hollandser: ‘Als het beestje maar een naam heeft!’ Toch doen we ons best om onze kinderen een mooie naam te geven en negatieve associaties te voorkomen. Met die naam geef je iets mee – al is het maar dat je die naam zelf (samen) mooi vindt. Maria mocht niet zelf kiezen. Zij kreeg een sprekende naam om aan haar zoon te geven: Jezus – de Heer redt (Luc. 1,31-33; Mat. 1,21). Omineus: een voorteken! Zelfs meer dan dat: Gods belofte! De Heer is in Jezus reddend aanwezig. Zoals eerder bij zijn naamgenoot Jozua, maar nu niet alleen voor Israël. ‘In Jezus’ naam’ werd geen merk of stopwoord voor de leerlingen, maar de kracht van de belofte dat de Heer hen verhoort, zoals in Handelingen 4. De naam van Jezus op 1 januari – dat creëert een setting voor het nieuwe jaar: de komende 52 weken, die elk beginnen met een ‘dag des Heren’ – met vieringen in zijn naam – , staan in het teken van Jezus’ naam. We beginnen aan onze goede voornemens samen met Hem. We bidden in zijn naam om zegen over de komende 365 dagen van het jaar.

Toewending en toewijding

Jezus’ naam zet de toon. Hij wijst ons op Gods belofte en hij zet de toon voor het jaar. Zo heeft Jezus’ naamdag twee kanten: toewending en toewijding. God keert zich naar ons toe en nodigt ons tot bekering en navolging. Dit geldt ook voor de zegen: de Heilige wordt de Aanwezige, ondanks onze onreinheid, en wil ons tot zijn heilig volk maken. Zo vloeien ook in Numeri de thema’s van Gods leiding en de opwekking tot heiligheid ineen. In de zegen belooft God zijn aanwezigheid en vraagt om gerichtheid op Hem. Deze twee hoofdbestanddelen van zegen vinden we ook elders in de Tora, zoals in Deuteronomium 33,3 waar van Gods liefde en zijn onderwijs sprake is. De heilzame toewending van Gods aangezicht geeft (zicht op) redding (Ps. 80,20) en biedt de veilige omstandigheden voor een heilig leven. De termen bewaring en vrede wijzen hierop; dit is ons troostvolle perspectief in tegenspoed. De toewending in de zegen kan zelfs zover gaan, dat God naast zijn onderwijs ook de kracht geeft om het in de praktijk te brengen. Zo krijgt toewijding het karakter van overgave.

Zegenen in de Naam

In dit licht kan ook de rol van de priester worden besproken. Hij heeft weliswaar de opdracht om het volk te zegenen, maar dat doet hij om de Naam van de Heer op het volk te leggen. Hij voert daarmee een opdracht van de Heer uit, die het volk bepaalt bij zijn naam als ‘de actief aanwezige’: de Heer wil bij zijn volk zijn en het zegenen. De Naam creëert in zekere zin een volmacht, maar voorkomt een magische praktijk van ‘de-Heer-op-afroepbasis’; Hij zegent.

Doordat de Heer het volk zijn Naam oplegt, draagt het volk zijn naam. Deze zegenende toewending verlangt toewijding: heiliging is het visitekaartje van Gods volk waarmee het als gezegende een teken van Gods aanwezigheid is. Toont de dichter van Psalm 67 zich van zo’n rol bewust, dat door hem te zegenen de volken God zullen loven?

Wanneer het opleggen van de naam leidt tot het dragen van de naam, kan dit ook geconcretiseerd worden in het dragen van tekens zoals dat van de enige God in Deuteronomium 6,4-9. Het letterlijk dragen van de naam van de Heer sluit aan bij een Egyptische traditie. Al rond de veertiende eeuw voor Christus ontstond hier een naamtheologie, die de naam in de vorm van een standaard als teken van de heiligheid van de koning zag en de koningsnaam als zelfstandige grootheid een beschermende functie toeschreef.1

De Geest en de Naam

Handelingen 4 verbindt de Naam met de Geest. Vers 7 geeft een voorzet met de vraag: ‘Door welke kracht of door welke naamdoen jullie [stelletje …]22 dit?’ Lucas expliciteert het eerste element (kracht) narratief door zijn verhaal te vervolgen met ‘vervuld met de heilige Geest’ (vgl. Mar. 13,11). De naamgebruikt hij als voorbereiding van de kern van Petrus’ antwoord: ‘door de naam van Jezus’. Petrus’ verdediging verklaart hem Jezus’ volgeling in goede werken. Door ‘de oversten en oudsten’ te verwijten dat zij Jezus verworpen hebben, wordt Petrus van beschuldigde aanklager. Na de lichamelijke genezing van de lamme ‘in Jezus’ naam’ (Hand. 3,6-8) trekt Petrus het breder en wijst Jezus (‘door niemand anders’) en zijn naamwaarin heelheid/heil is. Vertaling van de strekking met ‘deze ene naam is gegeven’ focust op de mogelijkheid van heil in die naam, zonder zich af te hoeven vragen in welke namen er geen heil zou zijn. De jahwistischenaam ‘Jezus’ benadrukt het reddend handelen van de Heer. De Heer, ‘de actief aanwezige’, kreeg in Jezus mensenhanden en na zijn opstanding vervult de heilige Geest de kerk, zijn lichaam. Zo is God handelend aanwezig en dit wordt bemiddeld door hen die in zijn naam (Heer, Jezus) handelen; zo zegent de heiligende Geest.

< Terug