< Terug

Is innerlijkheid een luxe?

Augustinus’ zoektocht naar wat er werkelijk toe doet

In haar column in het dagblad Trouw van 21 mei brak de filosofe en publiciste Welmoed Vlieger een lans voor innerlijkheid. Innerlijkheid, zo schreef ze, is dat wat we nodig hebben om ons te weer te stellen tegen de (on)zin van sociale media, zoals facebook en twitter. Via deze media worden heel wat gegevens over jezelf vastgelegd en door je surfgedrag ook blootgelegd. Eens gemaakte fouten of onbezonnen acties lijken daar voor de eeuwigheid vastgelegd en wat dat betreft lijkt God barmhartiger dan facebook.

Welmoed Vlieger pleit voor een innerlijkheid die zich te weer kan stellen tegen de onwaarheden die snel de wereld in geslingerd kunnen worden. Onwaarheid die gekeerd moet worden door waarheid. Maar voor die waarheid zijn scholing, discipline, toewijding en geduld nodig. Daarmee zijn waarheid en vrijheid een luxe, want niet iedereen heeft de mogelijkheden om geschoold te worden of zich discipline eigen te maken. Het gaat er om deze schatten te koesteren maar die ook te openen voor anderen, zodat ze weliswaar een schat blijven, maar geen luxe en daarmee onbereikbaar voor de meeste mensen. Een verinnerlijkt geloof dat zelfstandigheid verleent. In dit artikel wil ik aan de hand van de kerkvader Augustinus ingaan op die innerlijkheid die een groot goed is.

Verkenning van het hart

De kerkvader Augustinus (354-430) is zeer bepalend geweest voor het christelijk landschap in het westelijk en zuidelijk deel van Europa. Hij was niet alleen een begenadigd spreker, maar ook een scherpzinnig denker, een herder voor zijn mensen en geestelijk leidsman voor zijn kloostergemeenschap. Hij is goed voor heel wat citaten waarmee je een rek met T-shirts kunt vullen, zoals: ‘Heb lief en doe wat je wilt’ of ‘Alleen de waarheid wint, maar de overwinning van de waarheid is de liefde.’ In de meeste kerken en op de meeste prenten wordt hij afgebeeld als een bisschop, compleet met staf en mijter. Vaak heeft hij een bijbel in zijn hand en soms een duivel of een jongetje met een schelp aan zijn voeten.

Het meest kenmerkende symbool dat hij in zijn hand heeft, waaraan je Augustinus altijd kunt herkennen, is een hart. Een hart waar een vlam uit komt, soms doorboord met een pijl. Dit symbool is gekozen omdat Augustinus vaak spreekt over het hart. In een van zijn meest beroemde boeken, Belijdenissen, schrijft hij: ‘Gij hebt ons hart met uw liefde getroffen en wij droegen uw woorden met ons mee, als pijlen door ons binnenste geboord.’ Elders in Belijdenissen schrijft hij de ook al zo beroemd geworden zin: ‘… want Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U.’ Heel zijn leven lang verkende hij zijn hart, zijn meest innerlijk leven, met een mengeling van de duistere diepten van kwaad en een alles overstijgende liefde, het verlangen naar wat volmaakt heet maar onvolmaakt bleek, en de kracht van vergeving. Deze man is een gids om ons eigen innerlijk leven te verkennen.

Speelgoed

In de Bergrede zegt Jezus: ‘Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg, en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.’ (Mat. 6,19-21) Jezus houdt zijn leerlingen voor: waarvoor ben je bereid alles op alles te zetten om het te bemachtigen? Wat ben je bereid om met hand en tand te verdedigen? Waarvan kan je dromen en wat beheerst je gedachten? Jezus maakt hier het verschil tussen schatten op aarde en schatten in de hemel, schatten die zichtbaar zijn en schatten die je niet vast kunt pakken. Misschien denken we al snel dat onze gedachten beheerst worden door schatten die we echt in handen kunnen hebben. Toen ik een kind was kon ik alleen maar dromen van een elektrische legotrein, en toen ik die eenmaal had, droomde ik verder over de uitbreidingsets aan wissels en seinpalen en welk ingewikkelde parcours ik zou kunnen maken met de rails die ik nog niet had. Als we eenmaal volwassen zijn is het speelgoed dat we verlangen alleen maar duurder geworden en gaan we er doorgaans zuiniger mee om, maar denken we er ook iets ‘van de hemel’ bij te kopen: als ik eenmaal in deze Mercedes Cabrio uit de S-klasse rijd, laat ik zien dat ik succesvol ben; als ik mij geregeld weekendjes New York of Parijs kan veroorloven, toon ik mij een man of vrouw van de wereld, en al heb ik geen geld om mijn verwarming te betalen, ik zal een breedbeeld-tv hebben en een Samsung S10 om mij mijn waardigheid te kopen.

Constante wisselwerking

Wat is kostbaar voor je? Is dat het leven, de liefde of de vriendschap van een ander? Juist in de dood wordt zichtbaar wat die ander voor je betekent en wat kostbaar is. In een ontroerende brief aan een zekere Sapida schrijft Augustinus troostende woorden over wat kostbaar voor haar is, en wat ook kostbaar is voor God. Sapida treurt om de dood van haar broer Timotheus en Augustinus schrijft: ‘… omdat al wat van je weggenomen is en waar je nu om bedroefd bent, zijn tijd heeft gehad, daarom is toch de liefde niet verloren gegaan waarmee Timotheus van Sapida heeft gehouden en nog steeds houdt? Die blijft bewaard in de schatkamer van zijn hart en is met Christus geborgen in God. Wanneer mensen die van goud houden het veilig opbergen, verliezen zij het dan? Hebben zij het niet meer? Of voelen zij zich integendeel niet meer gerustgesteld, voor zover dat tenminste mogelijk is, wanneer ze hun goud bewaren in bergplaatsen waar het wel aan hun blik onttrokken is, maar toch veilig opgeborgen is?’ Elkaar weerzien na de dood is in Augustinus’ ogen niets anders dan dat God je teruggeeft wat Hij veilig voor je bewaard heeft. Het leven van de ander, over de grens van dood en leven heen, is de innerlijke schat die je koestert.

Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn

Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Alleen al die zin is een uitdaging voor ons om op zoek te gaan ‘naar waar je hart naar uit gaat’. Voor Augustinus is juist dat hart het meest kostbare, die meest intieme plek waar je met God verkeert. In Belijdenissen zegt hij over God dat Hij ‘dieper in mij is dan mijn eigen diepte en ook weer verhevener dan het meest verhevene in mij’. In zichzelf vindt hij God en tegelijkertijd valt God niet met hem samen, want Hij overstijgt hem. Die innerlijke wereld is een constante wisselwerking tussen God vinden in zichzelf, en God daarbuiten zoeken en vinden. In diezelfde Belijdenissen beschrijft hij hoe hij God gezocht heeft: ‘Ja, u was binnen in mij en ik buiten en daar zocht ik u. Onooglijk als ik was, stortte ik mij op al het mooie dat u geschapen hebt. U was bij mij maar ik was niet bij u.’

Het is het voortdurend verkennen van wie God is, of hij zijn gerichtheid op wat goed is nu geestelijk moet zien of lichamelijk, maar ook een verkenning naar wie hij zelf is: ‘Toen sprak ik mezelf aan: wie ben jij dan? En ik antwoordde: ik ben een mens. Ik ben een lichaam en een ziel, mijn buitenkant en mijn binnenkant. Vanuit welk van deze twee moest ik gaan zoeken naar mijn God? Ik had hem al gezocht via de concrete wereld, vanaf de aarde tot aan de hemel, zover als ik mijn ogen als boodschappers kon uitsturen (…) wij zijn God niet, maar Hij heeft ons gemaakt.’

Die zoektocht naar wat er werkelijk toe doet in het leven, de zoektocht naar wat kostbaar is, vindt bij Augustinus plaats in zijn hart. Het is niet zo maar de plaats van het innerlijk leven, zoals wij dat overal in ons populair taalgebruik kennen, maar het is de plaats waar God tot hem spreekt. Daar voelt hij zich het meest beeld van God. ‘Keer terug naar uw hart. Zie daar wat gij wellicht gewaar wordt van God, want daar is het beeld van God (…) Erken in het beeld van God de schepper van dat beeld.’

Begeerte maakt onzuiver

Het hart is de plaats waar we God ontmoeten en waar we ook het gesprek kunnen aangaan met God om de juiste weg te vinden. Geheel in overeenstemming met de uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie zei paus Franciscus al in een van zijn eerste toespraken tegen het publiek, dat het geweten ‘de innerlijke plek is van onze relatie met Hem, die tot ons hart spreekt en ons laat zien welke weg we moeten nemen, en ons helpt vooruit te komen, en om trouw te blijven zodra deze beslissing is genomen.’ Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Maar wat voor een hart is dat dan? Wat gaat erin om? Kan het hart alleen maar een plaats zijn van het goede, omdat het gericht is op het innerlijk? Of kan het alleen maar goed zijn omdat je daar echt ‘jezelf’ bent? Kortom, wanneer heb je een zuiver hart?

Volgens Augustinus gaat het er niet per se om dat aardse dingen een hart onzuiver maken. Ons hart wordt niet zuiver, zo zegt hij, door de begeerte naar aardse dingen. Het is niet zo dat het onzuiver wordt door de dingen zelf. De aarde zelf is gezien haar eigen aard en orde, rein en goed. Maar de begeerte naar datgene wat van de aarde is, dat vergankelijk is en de volgende dag weer kan verdwijnen, dat maakt onzuiver.

In zijn commentaar op de Bergrede zegt Augustinus dat alle werken die wij verrichten pas zuiver zijn en aangenaam voor het oog van God, als ze worden verricht met een oprecht hart. Dat wil zeggen: met een verheven instelling, die haar voltooiing vindt in de liefde. Daarom moeten we volgens hem niet kijken naar wat iemand doet, maar met welke bedoeling iemand iets doet. Als je geld geeft aan een arme bedelaar weet je niet wat hij of zij er mee gaat doen. Misschien haalt hij er een broodje gezond mee zoals je hoopt, of gaat hij linea recta naar de Gall en Gall zoals je vreest. Maar in wezen gaat het daar niet om: ik heb met een oprecht verlangen gegeven om goed te doen. Als ik met slechte bedoelingen geld geef, zoals een groep jongeren dat geld strooide voor een dakloze en dat opnam op YouTube, wordt mijn daad, geld geven, dat normaliter een daad van licht zou worden genoemd, een daad van duisternis.

De mens met een zuiver hart heeft inzicht in zijn handelen

Een onverdeeld hart

Die zoektocht naar innerlijkheid en de persoonlijke omgang met God brengt ons tot de zuiverheid van hart. Aan het begin van diezelfde Bergrede noemt Jezus mensen gelukzalig die zuiver zijn van hart, want voor hen is de belofte dat zij God zullen zien. In het Bijbels taalgebruik kun je God pas zien na je dood; sterker nog, mocht je God ooit zien dan zal je sterven. Augustinus ziet daarin ook een aansporing zuiverheid van hart drukt niet alleen dat voor hen die zijn de belofte is dat zien, maar het drukt wees zuiver van je God zien. ‘Een eenvoudig hart. En om ons heen alleen zuivere ogen, zo zien als het instrument Hij kan worden een-voudig hart is in deze letterlijk een hart onverdeeld hart. Zalig hart is de zesde zin uit en Augustinus ziet in de Zaligsprekingen een geestelijke ladder die we kunnen bestijgen om uiteindelijk bij God te komen. De Zaligsprekingen beginnen bij de mensen die arm van geest zijn. Dit zijn volgens Augustinus de mensen die niet opgeblazen en hoogmoedig zijn. Vanuit deze grondhouding bereiken we steeds meer en stijgen we via een geestelijke ladder steeds hoger op naar God door zuiverheid van hart. Die zuiverheid van hart is de vrucht van een goed geweten, dat men goed leeft en goed doet. Zij die goed leven en kunnen liefhebben omwille van de geliefde zelf hebben een zuiver oog om het eeuwige te begrijpen, zegt Augustinus.

De gave van inzicht

Dat gaat echter niet vanzelf en hoe goed je ook probeert, je hebt een steun in de rug nodig van boven om zo te kunnen leven. Die steun van boven heet ‘gave van de heilige Geest’. Augustinus verbindt de Zaligsprekingen, die volgens zijn telling uit 7 Zaligsprekingen bestaan, met de 7 gaven van de heilige Geest. Ook hier is een opklimmend principe dat begint met godvrezendheid als gave van de heilige Geest en eindigt met wijsheid als gave. De gave van ‘inzicht’ verbindt hij met de zuiveren van hart en is nodig om te komen tot een goed geweten. Inzicht in een juist verstaan van de wereld of inzicht in je diepere drijfveren of je angsten om iets na te laten. Volgens Augustinus is een oprecht hart een zuiver hart ‘als het zich boven de menselijke lofprijzingen weet te verheffen. Wanneer zulke mensen goed leven, richten ze hun blik alleen op Hem, die als enige het geweten doorgrondt.’ De mens met een zuiver hart heeft inzicht gekregen in het waarom van zijn handelen en van zijn gedachten. Hij of zij is in staat naar het goede toe te bewegen, niet omdat diegene daardoor geprezen wordt, maar omdat het goed is. Aangezien Augustinus houdt van zijn getal 7-symboliek verbindt hij het zuiver zijn van hart ook met het gebed uit de Bergrede, het Onze Vader. Dit gebed bestaat volgens hem uit 7 afzonderlijke beden en hij verbindt deze ook met de Zaligsprekingen. Als we het inzicht hebben verkregen waardoor we gelukkig genoemd kunnen worden omdat we zuiver van hart zijn, dan moeten we bidden dat we niet in verleiding worden gebracht. Dit is namelijk de zesde bede in het Onze Vader: breng ons niet in beproeving. Als, zo concludeert Augustinus, wij niet vatbaar zijn voor wat in de ogen van de mensen geluk en voorspoed is, dan zijn we ook niet vatbaar voor de beproeving van wat mensen als rampen en tegenspoed ervaren. Als je maar zuiver van hart bent.

Is innerlijkheid een luxe? Het is in ieder geval kostbaar. Het is een vast baken in de zee van meningen die van alle kanten op ons afspoelen. Augustinus zoekt naar een mogelijkheid om een vast anker te vinden, en dat zijn niet de meningen van goede mensen en van slechte mensen, maar het gelovig weten dat God woont in zijn hart.

Gerben Zweers is priester, verbonden aan de orde van sint Augustinus en werkzaam in het parochiepastoraat in Leuven en de vorming van jongere medebroeders. Van zijn hand verscheen onlangs het boek Op de weg van het geluk: De zaligsprekingen als leidraad voor het leven.

< Terug