< Terug

‘Is niet mijn woord zo: als een vuur?’

Negende zondag van de zomer (Jeremia 23:23-29 en Lucas 12:49-56)

Vuur is in bijbelse teksten een krachtig beeld van Gods aanwezigheid. Als een stem uit het vuur klinkt Gods woord telkens weer in Deuteronomium. Als vuur is Gods aanwezigheid zichtbaar bij de uittocht. Gods oordeel en toorn uiten zich in vuur, en dat vuur gaat op de dag van JHWH aan Gods komst vooraf. Zowel Jeremia als Lucas maken dan ook gebruik van dit beeld om hun boodschap kracht bij te zetten.

Profeten spreken in Gods naam. Of beter, dat zouden ze moeten doen. God spreekt tot hen in dromen en maakt hun zijn visioenen bekend (Numeri 12:6). Van oudsher vroegen mensen zich af hoe zij het onderscheid kunnen maken tussen profeten die uit eigen naam spreken en zij die spreken uit naam van JHWH. Deuteronomium 13 en 18 geven hierbij een aantal criteria aan. Als een profeet iets aankondigt, maar het komt niet uit, is het geen woord van JHWH (18:22). Maar ook een profeet of dromer die aanmoedigt om andere goden te volgen, spreekt niet uit Gods naam, zelfs niet als zijn tekenen uitkomen (13:2-4).

Het kaf van het koren onderscheiden

In Jeremia 23:27 klaagt God dat de profeten dromen vertellen om het volk Gods naam te laten vergeten, zoals ook eerder hun voorvaders God vervingen door Baäl. Volgens de criteria van Deuteronomium zijn dit valse profeten. Eerder bleek al wat de concrete leugens zijn die zij het volk verkondigen: aan wie God minacht zeggen ze dat er vrede zal zijn, aan wie hardnekkig is dat hun geen kwaad zal overkomen (23:17). Dit valt onder aankondigingen waarvan de tijd nog moet uitwijzen dat ze niet zullen uitkomen (omdat booswichten onder Gods oordeel zullen vallen). Voor de toehoorder zou het onderscheid nochtans nu al helder moeten zijn. Het woord van die valse profeten en dat van God verschilt immers evenveel als kaf en graan. Een sprekend beeld: graan voedt, terwijl kaf als afval wegwaait in de wind. Gods woord is bovendien als vuur, met evenveel kracht als een hamer die een rots verbrijzelt.

Een vuur op aarde

Als Lucas Jezus laat zeggen dat Hij gekomen is om een vuur te ontbranden en zelf een doop zal ondergaan (12:49-50), roept dit dadelijk de woorden van Johannes op in Lucas 3:16-17. Als Johannes doopt, kondigt hij aan dat er iemand komt die groter is dan hij, die zal dopen in Geest en vuur. Bovendien zal
deze de dorsvloer reinigen, koren samenbinden en het kaf verbranden in onblusbaar vuur. Dit laatste beeld is te vergelijken met Johannes’ eigen prediking dat elke boom die geen vrucht draagt, omgehakt en in het vuur geworpen zal worden (3:9). Vuur is hier beeld van Gods oordelende aanwezigheid. Het oordeel zuivert uit, door enerzijds het afval definitief te vernietigen en anderzijds het vruchtbare te verzamelen. Het beeld past goed in de profetische traditie waar een dergelijke uitzuivering vaker voorkomt (zie bijv. Jesaja 10:17 en Zacharia 13:8-9). Zelf zal Jezus ‘met een doop gedoopt’ moeten worden (Lucas 12:50). Hiermee is niet een ritueel bedoeld als dat van Johannes of van de latere christenen. Gedoopt worden kan ook verwijzen naar levensbedreigend onheil dat iemand als het ware overspoelt. In deze situatie verwijst het naar de naderende kruisdood.

Het interpreteren van de tijd

Uit natuurelementen kan de menigte correct afleiden of het gaat regenen, of dat het juist heet zal worden. Jezus verwijt hun dat ze wel zien wat wolken en wind betekenen, maar niet zien wat zich vlakbij afspeelt, en de actuele gebeurtenissen van de huidige tijd niet kunnen interpreteren. Dit sluit aan bij het voorgaande. Ze denken dat Jezus vrede op aarde is komen brengen, terwijl juist verdeeldheid de realiteit is die Hij voorziet. Verdeeldheid komt er onder wie als familie samenwoont: tussen vader en zoon, moeder en dochter, schoonmoeder en schoondochter. Nochtans had Zacharias aangekondigd dat met wat met zijn zoon Johannes aan het gebeuren is, het volk op een weg van vrede gezet is (Lucas 1:79). Maar zoals uit de lezing van Jeremia blijkt, is dromen over vrede alleen echt profetisch als dit overeenstemt met wat zich van Godswege aandient. Bij Jeremia mag een profeet geen vrede toezeggen aan wie God minacht. Bij Lucas wenst Jezus mensen vrede toe (7:50; 8:48), en is het eerste woord dat Hij zijn leerlingen laat zeggen: ‘Vrede over dit huis’ (10:5). En toch ziet wie de signalen van de huidige tijd aandachtig bekijkt, verdeeldheid in plaats van vrede.

Bloedverwanten of kinderen van God?

Dat toch familieleden onderling tegenover elkaar komen te staan, hangt samen met een geloofsovertuiging waarin verbondenheid tot stand komt door de gedeelde weg van trouw aan God, eerder dan door bloedverwantschap. Jezus deelt deze overtuiging met Johannes. Deze waarschuwde eerder al dat bloedverwantschap met Abraham de joden niet van Gods oordeel zou redden, aangezien God uit stenen kinderen van Abraham kan scheppen (Lucas 3:8). Zelf ziet Jezus verwantschap op de eerste plaats als een verwantschap met zijn Vader (2:48-51), en beschouwt Hij al wie Gods woord horen en volbrengen als zijn moeder en broers (8:19-21; 14:26-27). Wie Jezus wil volgen, moet dit boven zijn bloedverwantschappen zetten (14:26). De eerste leerlingen laten ook alles achter om Hem te volgen (5:11). Maar wie vrouw, kinderen, ouders achterlaat omwille van Gods Rijk, zal nog ‘in deze tijd’ een veelvoud ontvangen en eeuwig leven (18:29-30). Deze ruime verwantschap met al wie zich als Gods kind gedraagt, is ook een signaal van deze tijd, dat uiteindelijk duurzaam leven in zich bergt.

Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.

< Terug