< Terug

Israël met geweld tot slaven gemaakt

Alternatief bij 5e zondag van Epifanie (Exodus 1)

Het alternatieve spoor over Exodus begint op de vijfde zondag na Epifanie. Vóór Vaticanum II begon op deze zondag in de katholieke kerken de voorvasten en heette hij zondag Septuagesima: zeventig dagen voor Pasen. Thema’s in de lezingen en gebeden van deze dienst waren: De Heer nodigt ons uit tot zijn dienst, die niet gemakkelijk is. De Heer is onze steun in de beproevingen van dit leven: Hij zal ons redden.[1]

Exodus 1 kan in drie perikopen worden onderverdeeld: Israël wordt tot volk (Exodus 1:1-7); Farao’s maatregelen (a): dienstbaarheid (Exodus 1:8-14); Farao’s maatregelen (b): de vroedvrouwen (Exodus 1:15-22).[2]

De zonen van Israël

Een opvallend motiefwoord in Exodus 1:1-7 is ‘zonen van Israël’ (Hebr.: benej jisra’el). Deze benaming komt in de Bijbel veel voor, maar wordt hier in Exodus 1 voor het eerst gebruikt. Hij heeft in deze perikoop een omlijstende functie: in Exodus 1:1 worden er nog de twaalf bij name genoemde zonen van Jakob/Israël mee bedoeld, maar in Exodus 1:7 zijn zij een volk geworden. De nieuwe koning van Egypte noemt het dan ook ‘volk van de zonen van Israël’ (Exodus 1:9). De ‘zonen van Israël’ worden nog twee keer in de tweede perikoop (Exodus 1:12.13) genoemd, en daarmee komt deze benaming vijf keer in Exodus 1 voor. Dit getal kan vooruitwijzen naar de vijf boeken van Mozes, de Tora, die in Exodus 20 aan de zonen van Israël gegeven zal worden. De NBV vertaalt deze benaming alleen in Exodus 1:1 letterlijk, waarmee deze numerieke structuur is wegvertaald. De omlijsting in Exodus 1:1-7 maakt nieuwsgierig naar wat er in het midden staat: ‘Aldus waren alle zielen, uitgegaan uit de heup van Jakob, zeventig zielen’ (Exodus 1:5). Exodus 1:1-7 telt 51 woorden: 25 + 1 + 25. Precies in het midden staat: ‘uitgegaan’ (Hebr.: jots’ej). Wordt hiermee al verwezen naar het centrale thema van Exodus: de uittocht? En met de twee keer 25 woorden eromheen naar het jaar 2500 sinds Adam, waarin de uittocht uit Egypte zou hebben plaatsgevonden? In de werkwoorden waarmee wordt aangegeven dat de zonen van Israël tot een volk uitgroeiden (Exodus 1:7), klinken motiefwoorden uit Genesis mee. Zij ‘waren vruchtbaar’ (Hebr.: farah), ‘werden veel’ (Hebr.: rabah), ze ‘wemelden’ (Hebr.: sjarats), ‘vervulden’ (het land) (Hebr.: mala’). De opdracht en de belofte van God aan Adam, Noach en de aartsvaders zijn dus vervuld (vgl. Genesis 1:22.28; 9:1.7; 17:6; 35:11; 47:27) – alleen niet in het land van belofte, zoals Piet van Midden in zijn inleidende artikel terecht opmerkt, maar in het ‘angstland’ Egypte (Hebr.: mitsrajim; vgl. Hebr.: tsarah = angst, benauwdheid, ellende).

Hard dienstwerk met geweld

De maatregelen van de nieuwe koning van Egypte tegen het talrijk worden van de zonen van Israël lopen op van kwaad tot erger. Eerst stelde hij ‘dwangoversten’ over het volk aan om het met hun lastwerk te onderdrukken (Hebr.: ‘anah) en het voorraadsteden voor Farao te laten bouwen: Pitom en Raämses. Het volk bleef echter tegen de onderdrukking in groeien (Exodus 1:11-12). Toen maakte Egypte de ‘zonen van Israël’ dienstbaar met geweld. De Hebreeuwse stam ‘abhad / ‘èbhèd / ‘abhodah (= dienstbaar maken; dienstknecht, slaaf; dienstwerk) komt in Exodus 1:13-14 vijf keer voor. Het dienstwerk wordt ‘hard’ (Hebr.: qasjah) genoemd en gaat ‘met geweld’ (Hebr.: befèrèkh) gepaard (Exodus 1:13.14). Dat laatste is een zeldzaam woord; het komt verder alleen nog voor in Leviticus 25:43.46.53, waar Israël wordt voorgehouden dat het niet ‘met geweld’ over zijn arme broeder, zijn dagloner of de vreemdeling mag heersen. In Exodus 1:13 worden de ‘zonen van Israël’ voor de vijfde en laatste keer in Exodus 1 genoemd, niet langer als subject, maar als object – letterlijk lijdend voorwerp – van de slavernij en mishandeling van Egypte.

De vroedvrouwen laten Israëls zonen leven

Als derde maatregel draagt de koning van Egypte de vroedvrouwen op om bij het helpen baren van de Hebreeuwse vrouwen de zonen te doden en de dochters te laten leven (Exodus 1:16). Deze koning van Egypte, die de zonen van Israël wil laten doden, mag geen naam hebben; de vroedvrouwen wél: Sifra (Hebr.: sjifrah = ‘schoonheid’) en Pua (Hebr.: poe‘ah = ‘meisje’). Omdat de vroedvrouwen ‘God vrezen’ (Exodus 1:17.21) en tegen de wil van de koning de kinderen laten leven, wordt niet alleen ‘het volk veel en zeer talrijk’ (Exodus 1:20), maar maakt God bovendien ‘huizen’ (Hebr.: battim – NBG ’51: ‘een gezin’; Nieuwe Bijbelvertaling: ‘nakomelingen’) voor de vroedvrouwen, zoals de zonen van Israël ‘iedere man met zijn huis’ naar Egypte kwamen (Exodus 1:1). Als vierde maatregel beveelt Farao zijn volk om elke zoon die wordt geboren in de rivier te gooien, maar elke dochter te laten leven (Exodus 1:22). De zonen van Israël zijn dus kansloos. Midden in die kansloosheid wordt straks Mozes geboren, maar ook hij wordt door het laatste bevel van Farao dodelijk bedreigd. Een belangrijk motiefwoord in Exodus 1:15-22 is ‘baren’ (Hebr.: jalad; nif: ‘geboren worden’). Het komt er drie keer in voor (Exodus 1:16.19.22). Het woord ‘vroedvrouw’ is van deze stam afgeleid (Hebr.: mejallèdèt, ‘geboortehulp’) en komt er zeven keer in voor (Exodus 1:15.17.18.19.19.20.21), evenals het woord ‘jongens’ (Hebr.: jeladim, ‘borelingen’), dat er twee keer in voorkomt (Exodus 1:17.18). Tegenover de twaalf kansloze ‘zonen van Israël’ staan dus twaalf ‘geboorten’, als tekenen van hoop op redding. De vroedvrouwen vrezen God, die zijn naam nog niet bekend heeft gemaakt, maar die Israël uit de slavernij zal bevrijden. Het thema ‘dood of leven’ is duidelijk aanwezig in Exodus 1, de opmaat naar Mozes’ geboorte. Het komt aan het einde van de Tora terug, in de afscheidsrede van Mozes: ‘Kies dan het leven’ (Deuteronomium 30:15.19).

Deze exegese is opgesteld door Lidwien van Buuren.

Voetnoten

[1] Vgl. het Missale Romanum, ed. Dagmissaal, Roermond 1960, 97

[2] Voor deze exegese ontleen ik veel aan het voorbeeldige proefschrift van Jopie Siebert-Hommes, Laat de dochters léven. De literaire architectuur van Exodus 1 en 2 als toegang tot de interpretatie, Kampen 1993.

< Terug