< Terug

Je blijft naar mij uitzien

November is de maand van Allerzielen en van ‘de laatste zondag van het kerkelijk jaar’, dagen waarop overledenen herdacht worden. Martien Brinkman laat zien hoe Hester Knibbe en Guillaume van der Graft de rouw om hun dierbaren in hun gedichten verwoorden.

Martien E. Brinkman is emeritus hoogleraar oecumenische/interculturele theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij publiceeerde recent ‘Dicht bij het onuitsprekelijke. Veertien dichters over het onzegbare’, Utrecht – Meinema 2018.

Hester Knibbes zoon overleed in 1999 op 29-jarige leeftijd aan een hersentumor. Zijn overlijden keert op tal van plaatsen in haar gedichten terug. Zoals in ‘Psalm 4631’. Het getal verwijst naar het nummer van het graf van haar zoon.

In mijn nood roep ik niet en tot niemand, ik zwijg. Wie na zoveel zand erover nog leeft, heeft het schreeuwen

verleerd. Laat de eik maar kreunen en klagen om dat blad dat voortijdig te gronde, de tak van zijn stam

afgerukt, laat mij woordeloos staan in zijn schaduw. Laat

mijn zwijgen niet klein en gebukt zijn maar waardig hoog en breed als de kroon van de boom

nu zijn wortels en stilte zich hechten aan hem en alle gebed wordt gesmoord in de aarde.

DRAGEN

In de cyclus ‘De kunst van het dragen’ beschrijft Knibbe een Goede Week-processie die ze eens in Spanje bijwoonde. Er wordt een Christusbeeld gedragen. In de wijze waarop ze dat dragen beschrijft, lijkt zich haar eigen ‘dragen’ van het verlies van haar eigen zoon te weerspiegelen.

We waren op tijd voor de intocht. Muziek droeg de stoet en we hoorden wat muziek doet met een nauwe straat en een hart dat te ruim zit. Acht

droegen zijn beeld op een baar. Dat het de kunst is goed te dragen, een ritme te vinden samen balans te bewaren zagen we daar. Het moet een soort wiegen zijn dat de angst voor het laatste

verdrijft. In beweging blijven desnoods pas op de plaats.

In het laatste gedicht in deze cyclus is de ‘omweg’, een processie, weggevallen. Nu gaat het direct over het dragen van haar eigen kind.

Hoe draag je een kind naar zijn laatste. Acht

heb je er nodig, zijn vrienden met liefde en lef genoeg om hun schouders eronder te zetten. Ze hebben veel

meer te dragen dan het gewicht van het hout en het lichaam erin, ze moeten wegdragen. Hoe ze dat doen, hoe dat moet?

Zwijgend. Voet voor voet.

Hier klinkt iets door van een uiteindelijk ‘ja’ tegen het leven. Een ‘ja’ dat het gemis niet te niet doet, maar het mogelijk maakt om zelf door te gaan met leven.

ONZEGBAAR

Zo’n ja tegen het leven kan ook de vorm krijgen van een verlangen naar hereniging. Dat is het geval in de bundel Onbereikbaar nabij van Guillaume van der Graft. Hij schreef die kort na het overlijden van zijn vrouw.

Die mijn kinderen droeg tot aan de drempel van het licht, die mijn

hand vroeg om over het grote duister heen mij te redden, waar

was ik, je blijft naar mij uitzien, voorgoed onbereikbaar nabij.

Hereniging wordt door hem voorgesteld als een vereniging met wat onzegbaar is, met een ‘u’ waarheen de stilte ons leidt. Hij heeft weet van verschillende soorten stiltes. Soms is die pijnlijk. Soms kan die een bron van bezinning zijn. Maar er is nog een derde vorm van stilte. Die creëren we niet zelf, die komt op ons af en kan ineens veelzeggend zijn:

Zolang er nog ergens iemand bestaat met wie ik als mens kan spreken vind ik ook wel een stilte midden op straat een stilte die niet kan breken.

Een kostbare stilte van zuiver glas dat ik zelf met mijn stem heb geslepen. Als ik er niet was en die stem er niet was had niemand die stilte begrepen.

Maar als Hij er niet was en Zijn stem was er niet dan was er van stilte geen sprake. Alleen maar van zwijgen, zo hard als graniet en dat kan je doodeenzaam maken. Maar de stilte, dat is een tweestemmig lied, waarin God en de mens elkaar raken.

< Terug