< Terug

‘Je ziet zijn eigen ontroering’

Zijn hele leven was Rembrandt met bijbelse verhalen in de weer. Je vraagt je af: hoe kwam hij daarbij en wat betekende dat voor hem?

Jan Riemersma is emeritus predikant. Hij schreef ‘Een glimp van de hemel. Het geheim van Rembrandts geloof’ (Kok, Utrecht, 2016).

Het schilderij ‘Rembrandts moeder die in de rol van de profetes Hanna de Bijbel leest’, geeft een eerste antwoord op de vraag naar de verhouding tussen Rembrandt en de Bijbel: de manier waarop zijn moeder thuis over de Bijbel vertelde, moet een onuitwisbare indruk op hem gemaakt hebben.

Maar ook de Latijnse School die hij als zevenjarig jochie in Leiden bezocht, heeft een bijdrage geleverd. ’s Morgens werd daar altijd een hoofdstuk uit de Bijbel voorgelezen en ’s zondags gingen de kinderen twee keer naar de kerk. Op school werd dan nagegaan wat ze van de preken hadden onthouden. Een derde bron voor Rembrandts betrokkenheid bij de Bijbel is de Amsterdamse schilder Pieter Lastman, bij wie Rembrandt een half jaar stage liep. Lastman was een echte historieschilder, gespecialiseerd in onderwerpen uit de Bijbel en uit de klassieke Griekse en Romeinse mythologie. Eigenlijk was het hele culturele en sociale klimaat van de Gouden Eeuw, de 17e eeuw, doordesemd van de bijbelse verhalen. Ook een dichter als Joost van den Vondel verwerkte ze in zijn toneelstukken voor de schouwburg van Amsterdam.

HEFTIGE GEBAREN

In zijn jonge jaren werd Rembrandt vooral geraakt door de sensationele en dramatische kanten van veel oudtestamentische geschiedenissen. Bijvoorbeeld de verhalen over de krachtpatser Simson die zijn kracht verloor doordat hij zijn geheim verraadde aan Delila. Of het verhaal over de Babylonische koning Belsassar die zijn einde aangezegd kreeg via tekens die een geheimzinnige vinger op de muur van zijn feestzaal schreef (zie de illustratie hierboven). De nadruk valt dan op heftige gebaren.

ALS EEN DAGBOEK

Rembrandt leefde een dikke honderd jaar na de doorbraak van de Reformatie. Dé grote ontdekking van Luther was, dat hij de Bijbel niet als een afstandelijk document las, maar als een levend woord, als een brief. Datzelfde overkwam ook Rembrandt in de loop van zijn leven. Als zijn geliefde Saskia overlijdt, zoekt hij troost in de opstanding van Lazarus die hij etst in 1642. Zijn stijl wordt soberder, stiller, dieper en meer doorleefd. Je ziet zijn éigen ontroering.

Dat introverte zie je ook hierin dat hij steeds op bepaalde thema’s terugkomt, alsof hij steeds weer op zoek is naar de kern van het verhaal: de Emmaüsgangers bijvoorbeeld, die op de dag van Jezus’ opstanding op weg zijn naar Emmaüs, nog overtuigd van zijn dood; of de gelijkenis van de verloren zoon. Dat zie je helemaal in zijn tekeningen.

Zijn tekeningen waren echt zíjn werk, hij maakte ze niet in opdracht, niet voor de handel. Ze vormen als het ware een soort dagboek. Hier zie je Rembrandt in het hart. Hoe ouder hij werd, des te meer liet hij uitkomen wat voor hem de spirituele essentie van een verhaal was. En dan is er ineens weer iets waarom je moet glimlachen. Maar zijn werk is altijd levensecht, persoonlijk. Uiteindelijk gaat het hem om de ontmoeting van de enkele mens met de levende God.

OMSLAG

Wat altijd weer opvalt, is de warmte, de liefde waarmee hij zijn mensen neerzet. Rembrandts figuren zijn nooit eendimensionaal, nooit ‘of-of’. Hij heeft oog voor de dubbele gevoelens bij mensen. Geloof en ongeloof liggen dicht bij elkaar.

Het sterkst is hij, als twijfel omslaat in herkenning of in aarzelend vertrouwen: Maria Magdalena bij de ontmoeting met de opgestane Heer; de Emmaüsgangers als Christus met hen aan tafel het brood breekt. Dan valt er een glimp van de hemel over het menselijk gebeuren. Er is weer perspectief.

< Terug