< Terug

Jezus gekomen om zondaars te redden

Bij Lucas 19:1-10

Terwijl de actie wordt ingeleid door het de lezer activerende ‘zie’, krijgt de daaropvolgende introductie van Zacheüs relatief veel plaats. Niet alleen heeft hij een naam – Zacheüs – wat niet altijd het geval is bij protagonisten in de evangeliën, maar deze perikoop uit het Lucasevangelie legt er grote nadruk op dat hij een (of de) hoofdtollenaar is en dat hij rijk is.

Wie al enigszins vertrouwd is met het Lucasevangelie, zal gelijk aanvoelen dat deze introductie de zaak op scherp zet: Jezus, bij Lucas met bijzondere nadruk een vertegenwoordiger van Gods optie voor de armen, komt hier een hoofdtollenaar tegen, een rijke en machtige vertegenwoordiger van het Romeinse imperiale systeem. Tollenaars pachtten immers het recht tol te heffen van de bezettende macht en precies dat maakt Zacheüs tot een zondaar in de ogen van zijn volksgenoten: hij is een verrader.

Zacheüs en de blinde bedelaar

Het Lucasevangelie bouwt deze spanning narratief op door vóór deze tekst een perikoop te plaatsen over gebeurtenissen in de buurt van Jericho, die gaat over de genezing van een blinde bedelaar – volledig volgens Jezus’ programma in Lucas 4:18-19. Een groter contrast tussen deze blinde bedelaar en Zacheüs is nauwelijks denkbaar. Ze hebben echter één overeenkomst: beide staan aan de rand van de samenleving en zouden niet zonder meer toegang tot Jezus moeten hebben, tenminste in de ogen van zijn volgelingen (zie 18:39) of van de onmiddellijke maatschappelijke context (zie 19:7). Op de achtergrond staat natuurlijk verder nog de opmerking van Jezus over rijke mensen in het algemeen: het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk Gods binnengaat (18:25).

Een man van niets

Zacheüs wordt dus in vers 19:2 vanuit maatschappelijk perspectief en gezien zijn beroep allesbehalve positief neergezet, waarbij hij de vooroordelen die zijn tollenaarschap oproept, zelf bevestigt in vers 19:8, waarin hij impliceert dat hij mensen heeft afgeperst. Vers 19:3 voegt hier weinig positiefs aan toe: Zacheüs wil weliswaar Jezus zien – waarom precies blijft open –, maar hij wordt ook beschreven als klein van stuk. Dit is geen reden om medelijden met hem te hebben of om er een minderwaardigheidscomplex bij hem op te baseren, zoals in sommige populariserende exegeses gebeurt. Hier wordt door gebruik te maken van het fysiognomische vocabulaire van de eerste eeuw een verdere schaduw op Zacheüs’ persoonlijkheid geworpen. Iemands uiterlijk was, op een manier die tot op de dag van vandaag doorwerkt, bepalend voor de inschatting van iemands persoonlijkheid, inclusief geslacht en deugdzaamheid. Een man die die naam waard was, had daarom ook een fysiek voorkomen dat de moeite waard was en dat zeker niet zó iel was, dat hij in een boom moest klimmen om te zien wie er langs kwam (19:4). Ondanks zijn – dubieuze – macht en rijkdom is Zacheüs letterlijk een man van niets. Wanneer Jezus

juist déze man, in z’n boom, bij zijn naam noemt – een opvallend gegeven, waar deze perikoop niet nader op ingaat – gaat Hij, een gevierd rabbi die in de stad welkom wordt geheten, op een dubbele manier in tegen sociaal culturele scripts van zijn tijd. Niet alleen associeert Hij zich publiekelijk met een volksvijand, maar ook nog met een minder dan mannelijke figuur.

Een heilig moeten

De manier waarop Jezus Zacheüs aanspreekt, is ook om een andere reden opvallend: Jezus zegt namelijk dat Hij in het huis van Zacheüs verblijven ‘moet’ (Gr.: dei – 19:5). Wie dit woordje hoorde – tenminste in de eerste eeuw en met enige klassieke scholing tussen de oren, zoals van Lucas verwacht mag worden – wist dat er een soort goddelijke of noodlottige noodzaak was voor hetgeen er te gebeuren stond. Wie met een concordantie kijkt waar in het Lucasevangelie dit ‘heilige moeten’ (dei) nog meer voorkomt, zal deze aanname bevestigd vinden. Ook Lucas gebruikt het in het kader van verplichtingen van de wet of andere vormen van goddelijke noodzakelijkheid, bijvoorbeeld gerelateerd aan Jezus’ optreden. De regel die deze noodzakelijkheid hier bepaalt, citeert Jezus aan het einde van deze perikoop: ‘De Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.’

Zacheüs en Levi

Dit, samen met Jezus’ ontmoeting met Zacheüs de tollenaar, herinnert aan een eerdere scène uit het Lucasevangelie. Lucas 19:1-10 is namelijk tot op zekere hoogte een narratieve verdieping van het verwijt dat Jezus treft in Lucas 5:30-31, waar het gaat om een andere tollenaar, Levi, die Jezus eveneens roept en die tot Jezus’ navolging overgaat. Op de vraag waarom Jezus (en zijn leerlingen) met tollenaars en zondaars eet, antwoordt Jezus dat Hij gekomen is niet om rechtvaardigen, maar om zondaars tot bekering te roepen (Lucas 5:32). Ook tussen Levi’s en Zacheüs’ reactie op Jezus’ roep bestaat een parallel: ze geven er vol vreugde – en radicaal – gehoor aan en veranderen hun leven. Ze bekeren zich en volgen Jezus na. Hun bekering heeft voor hen grote sociaal-economische gevolgen: enerzijds het verlies van hun rijkdom en macht, maar anderzijds (her)integratie in het volk van God zoals Jezus dat opnieuw verzamelt, met name uit alle randfiguren van de maatschappij, onreinen van allerlei slag; of ze nu door ziekte of beroep onrein of zondig geworden zijn, is daarbij niet van doorslaggevend belang. De uitdaging voor de prediking die in deze perikoop schuilt is precies die, waar Lucas door het citeren van zowel de omstanders (19:7) als ook Jezus’ regel (19:10) op wijst: de zondige rijken zijn er niet als een soort negatief voor de heilsboodschap voor armen en onderdrukten, maar ze verschijnen als mensen die eveneens, en met name, door Jezus aangesproken worden om deel te gaan uitmaken van het Godsvolk. Lukt dat de kerk van vandaag ook – zonder tegelijkertijd een moraliserend vingertje op te steken?

< Terug