< Terug

Jhwh sluit een nieuw verbond (Jeremia 31:31-34)

Het begrip ברית speelt in het Oude Testament een grote rol; het komt 287 keer voor. Een keer is sprake van ברית חדשה, en wel in Jeremia 31:31.’ Dat gegeven alleen al maakt Jeremia 31:31-34 tot een bijzondere tekst. Tot op heden is er onder de uitleggers geen overeenstemming over betekenis en inhoud van het bijvoeglijk naamwoord חדשה, dat als een sleutelwoord van deze passage beschouwd mag worden. Sommige exegeten menen dat het in Jeremia 31:31-34 gaat om een vernieuwing van het verbond.
1
Zij vatten חדשה op als ‘vernieuwd’. Anderen zijn van opvatting dat dit verbond ook qua inhoud nieuw is ten opzichte van het in 31:32 genoemde verbond. Zij vertalen חדשה met ‘nieuw’. Over de vraag wat nu precies het nieuwe is, bestaat verschil van mening. Diverse geleerden zien het nieuwe in het gegeven dat JHWH zijn Tora legt in het binnenste van de Israëlieten (31:33).
2
Anderen menen dat het nieuwe daarin bestaat dat allen JHWH kennen (31:34).
3
Weer anderen beschouwen het vergeven van de schuld (31:34) door JHWH als het nieuwe.
4
In het onderzoek naar deze passage speelt de betekenis van het begrip ברית nauwelijks een rol. Dat mag opvallend genoemd worden, omdat over de betekenis van ברית binnen de oudtestamentische wetenschap geen unanimiteit bestaat.

Deze bijdrage gaat vooral in op de begrippen בריתen חדשה. Het eerste deel van het artikel draait om het begrip ברית.Drie vragen staan centraal: Welke betekenis heeft בריתin Jeremia 31:31-34? Hoe verhoudt vers 31 met חדשה בריתzich tot vers 33, waarin alleen sprake is van ברית? En waarnaar verwijst het aanwijzend voornaamwoord זאת (‘dit’) in vers 33? Het tweede deel draait om het adjectief חדשה . Ook hier drie vragen: Welke betekenis heeft חדשה in Jeremia 31:31? Wat is precies het nieuwe in het nieuwe verbond? En wat wordt in de genoemde passage als reden aangemerkt voor de sluiting van het nieuwe verbond?

Het Hebreeuwse begrip voor ‘verbond’

Er zijn in grote lijnen drie opvattingen over de betekenis van ברית:

  • Vertaald met ‘verbond’ wordt בריתopgevat als een wederzijdse relatie met rechten en plichten voor beide partijen. Op deze opvatting is eindnegentiende eeuw al commentaar gekomen van J.J.P. Valeton.

    5
    Hij wijst erop dat het wederzijdse karakter niet in alle teksten is aan te wijzen. Daarin is dan ook de reden gelegen dat de vertaling met ‘verbond’, in elk geval in de Priestercodex, bij hem geen bijval vindt.
    6

  • D.J. McCarthy verstaat בריתvanwege de overeenkomsten met oudoos- terse vazalverdragen als ‘verdrag’ of ‘pact’.

    7

  • Volgens E. Kutsch gaat het bij בריתom een verplichting (in verschillende variaties) of belofte.

    8
    In Jeremia 31:31-34 gaat Kutsch uit van twee verschillende verplichtingen. In 31:32a vat hij בריתop als ‘een door JHWH opgelegde verplichting’ die het volk verbroken heeft.
    9
    In 31:31 vat hij בריתop als ‘zelfVerplichting’ dan wel als ‘(heils)belofte’.
    10
    Probleem van deze oplossing is dat we op deze manier met twee niet met elkaar te vergelijken verplichtingen zitten, terwijl het nu juist om de vergelijking tussen beide gaat.

Verscheidene exegeten, onder wie C.J. Labuschagne en I. Van Den Eynde, bepleiten een weergave van בריתmet ‘verbintenis’.
11
Een dergelijke weergaveof een vergelijkbare zoals ‘overeenkomst’ – is in Jeremia 31:31-34 goed mogelijk, met dien verstande dat de verbintenis of overeenkomst eenzijdig van karakter is en één of twee bepalingen kan kennen, waarin tot uitdrukking gebracht wordt wat de een voor de ander zal doen. De vertaling van ma met ‘verbond’ zou ik willen handhaven, met dien verstande dat het niet om een wederzijdse relatie gaat, maar om een overeenkomst.

De relatie tussen 31:31 en 31:33

Het begrip ברית komt vier keer in Jeremia 31:31-34 voor: een maal in vers 31, twee maal in vers 32, en een maal in vers 31:31 en 31:33 gaat het over hetzelfde (nieuwe) verbond. Dit verbond verschilt van het verbond, waarvan twee keer sprake is in het tussenliggende vers 31:32a en 31:32b gaat het over hetzelfde verbond. Sommige uitleggers houden dit verbond voor het Sinaï-verbond.
12
Anderen spreken van het Egypte-verbond.
13
Bijzondere aandacht vragen de verzen 31 en 33, omdat beide verzen op een aantal punten van elkaar verschillen:

  • In 31:31 is sprake van een ‘nieuw verbond’. Het adjectief ‘nieuw’ ontbreekt echter in 31:33.

    14

  • In 31:31 wordt het nieuwe verbond gesloten met het huis van Israël en het huis van Juda, terwijl in 31:33 sprake is van de sluiting van het verbond met het huis van Israël. Diachronische oplossingen die hier geboden worden lossen het leesprobleem niet op.

    15
    De lezer blijft zitten met het gegeven dat er eerst sprake is van twee huizen en daarna (alleen) van ‘het huis van Israël’. Hoe moet de lezer in vers 33 het syntagma ‘het huis van Israël’ verstaan? Gaat het hier alleen om het Noordelijke Rijk?
    16
    Dat zou betekenen dat het huis van Juda verdwenen is. Of heeft Israël hier de ruime betekenis en gaat het om een vereniging van beide huizen tot ‘het huis van Israël’?
    17
    Ik meen dat het laatste hier het geval is.
    18

  • In 31:31 is sprake van dagen, die eraan komen, waarop JHWH een nieuw verbond sluit, terwijl in 31:33 sprake is van een verbond dat gesloten wordt ‘na die dagen’. Hoe verhouden de tijdsaanduidingen ‘Zie, de dagen komen eraan’ en ‘na die dagen’ zich tot elkaar?

    19
    In het voorafgaande orakel (31:27-30) komt de lezer ook twee tijdsaanduidingen tegen: ‘Zie, de dagen komen eraan’ (31:27) en ‘In die dagen’ (31:29). Het aanwijzend voornaamwoord ‘die’ in 31:29 verwijst naar de komende dagen van 31 :27. Het aanwijzend voornaamwoord ‘die’ in 31:33 kan echter niet verwijzen naar de komende dagen van 31:31, want in de dagen die volgens het laatste vers eraan komen wordt nu juist het nieuwe verbond gesloten. In 31:33 is echter sprake van ‘na die dagen’.

Als het aanwijzend voornaamwoord ‘die’ niet naar 31:31 kan verwijzen, waarnaar verwijst het dan wel? B. Renaud meent dat daarmee de dagen bedoeld zijn, waarin de Israëlieten het verbond verbraken (zie 31:32).
20
Het woord ‘dagen’ komt in 31:32 evenwel niet voor, wel in 31:31. H. Leene meent op grond van de parallellie tussen 31:27-30 en 31:31-34 dat het plausibel is dat ‘in die dagen’ (31:30) en ‘na die dagen’ (31:33b) naar elkaar verwijzen.
21
Met de laatste tijdsaanduiding wordt dan de tijd aangegeven dat het geciteerde spreekwoord ‘De vaderen hebben onrijpe druiven gegeten, de tanden van de kinderen zijn slee geworden’ (31:29) niet meer geldig is. Probleem van deze lezing is dat juist ook hetgeen voor het spreekwoord in de plaats is gekomen in 31:31-34 niet geldt. In 31:30 werd immers gezegd dat ieder om zijn eigen ongerechtigheid (עון) zal sterven en dat de tanden van een ieder die onrijpe druiven eet, slee zullen worden, terwijl in 31:34 nu juist sprake is van vergeving van ongerechtigheid (עון) en van het niet meer gedenken van hun zonden. Verklaart dat ook het verschil in de tijdsaanduidingen: ‘in die dagen’ (31:29) en ‘na die dagen’ (31:33)? Met ‘na die dagen’ zouden we dan in de periode zitten die volgt op de periode, waarin iedereen om zijn eigen ongerechtigheid sterft.
22

Waar Leene aan het pronomen demonstrativum ‘die’ (ההם) in 31:33 een terugwijzende functie toekent, zou ik daaraan een vooruitwijzende functie willen toekennen, zoals mijns inziens ook het geval is bij het andere aanwijzende voornaamwoord aan het begin van het vers, namelijk bij het woordje ‘dit’ (זאת). Ik zou hier willen verdedigen dat 31:33b (‘Ik zal mijn Tora in hun binnenste leggen en die op hun hart schrijven’) de inhoud vormt van ‘die dagen’. In vertaling weergegeven: ‘want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël zal sluiten na die dagen – uitspraak van JHWH – dat Ik mijn Tora in hun binnenste zal leggen en die op hun hart zal schrijven: Ik zal hun ….’ Een vergelijkbare grammaticale constructie – een tijdsaanduiding, gevolgd door een verbum, zonder verbindingswoord tussen de tijdsaanduiding en het verbum – doet zich ook voor in 31:32:

a

Niet zoals het verbond,

b

dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag

c

dat Ik hen bij hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te doen uitgaan …

a’

want dit is het verbond,

b’

dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen – uitspraak van JHWH –

c’

Jat Ik mijn Tora in hun binnenste zal leggen

en die op hun hart zal schrijven:…

JHWH sluit dus het verbond met het huis van Israël na eerder zijn Tora in het binnenste van de Israëlieten te hebben gelegd.

De verbondsbepalingen

Door de dubbele punt aan het slot van 31:33 wekt de Nieuwe Bijbelvertaling de indruk dat het leggen van de Tora in het binnenste van de Israëlieten de inhoud van het verbond is. We zagen hierboven echter dat het leggen van de Tora in hun binnenste de inhoud vormt van ‘die dagen’. Het pronomen demonstrativum זאת (31:33a) verwijst naar 31:33c: ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn’, traditioneel de verbondsformule genoemd (vgl. Ex. 6:6; Lev. 26:12; Deut. 29:12; 2 Sam. 7:24; Ezech. 11:20; 14:11; 36:28; 37:23, 27; Zach. 8:8).
23
Ook in Jeremia komen we deze formule, in wisselende volgorde, een aantal keren tegen: 7:23; 11:4; 24:7; 30:22; 31:2; 32:38. ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn’ drukt de (twee) bepalingen van het verbond (= de verbintenis) uit (zie ook 11:4).

We kunnen wel alvast de eerste conclusies trekken met betrekking tot het ברית חדשה. Ten eerste kan het niet verbazen dat חדשה in 31:33:33 ontbreekt. De ‘inhoud’ van dit verbond dat daar ter sprake komt, verschilt niet van die van het verbond met de vaderen: ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn.’ De lezer komt hier dezelfde formule tegen als hij rond de uittocht uit Egypte heeft gehoord (Ex. 6:6, zie ook Jer. 31:32). Het nieuwe zit dus niet in het verbond zelf. Ten tweede zit het nieuwe ook niet in het leggen van de Tora in het binnenste van de Israëlieten (31:31c). Het nieuwe verbond wordt pas gesloten na de dagen dat JHWH zijn Tora in hun binnenste heeft gelegd.

Het Hebreeuwse begrip voor ‘nieuw’

Het adjectief חדש kan zowel ‘vernieuwd’ (Job 29:20; Klaagl. 3:22-23) als ‘compleet nieuw’ (Ex. 1:8; Deut. 32:17; 1 Sam. 6:7; Jer. 31:22; Pred. 1:10) betekenen. Een aantal uitleggers meent dat חדשה in Jeremia 31:31 de betekenis van ‘vernieuwd’ heeft.
24
Deze opvatting is ingegeven door de gedachte dat er geen verschil in inhoud is tussen het ene verbond gesloten op de dag van de uittocht van de Israëlieten en het andere verbond gesloten na die dagen dat God zijn Tora in hun binnenste heeft gelegd en die op hun hart geschreven heeft. De inhoud is in beide gevallen: ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn.’ Een tweede punt van continuïteit betreft de Tora, die zowel in het verbond met de vaderen als in het nieuwe verbond een centrale rol heeft. Groter dan de continuïteit tussen beide verbonden, die niet ontkend kan worden, is echter de discontinuïteit die het mijns inziens rechtvaardigt om te beweren dat חדשה de betekenis heeft van ‘geheel nieuw’.
25

In dat verband wil ik verwijzen naar Jeremia’s ‘collega’ Deutero-Jesaja. In Jesaja 40-55 is er diverse malen een contrast tussen ‘het nieuwe’ of ‘de nieuwe dingen’ (חדשות/חדשה) en ‘het vroegere’ of ‘de vroegere dingen’ (ראשנה/ראשנות) zie 42:9; 43:18-19; 48:3-11. Jeremia gebruikt in 31:31-34 niet het woord ‘vroeger(e)’, maar dat wil niet zeggen dat het nieuwe bij hem niet in contrast staat.
26
Om te zien hoe dat in Jeremia 31:31 -34 gebeurt, moeten we eerst aandacht schenken aan de structuur van deze passage. H. Leene gaat uit van twee delen: 31:31-33 en 31:34.
27
Het eerste deel ziet hij onderverdeeld in vers 31 en de verzen 32-33. Jeremia 31:34 valt zijns inziens niet meer onder (de beschrijving van) het nieuwe verbond; dit vers bevat de implicaties of de consequenties van het nieuwe verbond.
28
Er is, dunkt me, meer reden om 31:31 enigszins apart van de rest te zien dan om 31:34 los te maken van het geheel. Na 31:31 volgen twee rondes: 31:32-33 en 31:34, die allebei met een ontkenning beginnen: ‘niet zoals’ (31:32) en ‘niet weer’ (31:34). Zowel de ontkennende zin van 31:32 als die van 31:34 wordt na de Godsspraakformule (‘uitspraak van de Heer’) gevolgd door een כי-zin (31:33 en slot van 31:34). In beide כי-zinnen wordt gemotiveerd waarom de vroegere of komende situatie niet meer telt.
29

31

Jhwh sluit een nieuw verbond

32 ‘niet zoals’ – uitspraak van Jhwh – 33 ‘want’
34a ‘Niet weer’ – uitspraak van Jhwh – 34c ‘want’

Het nieuwe verbond staat in contrast met het verleden, te weten: met het verbond dat JHWH gesloten heeft op de dag van de uittocht. Ook met de nabije toekomst staat het in contrast: doordat zij niet weer zullen leren ‘Kent JHWH’ en doordat JHWH hun zonden niet weer gedenkt. ‘Nieuw’ betekent dus naast onvergelijkbaarheid met het verleden, waar het om het verbond met hun vaderen gaat, in elk geval een breuk met het verleden én met een toekomst, waarin het leren om JHWH te kennen en het gedenken van eigen zonden plaatsvindt. Aan beide rondes schenk ik aandacht. Ik begin bij 31:32-33. Later in dit artikel komt 31:34 aan de orde.

Een bijzondere positie neemt 31:33 in. Waar het om het sluiten van het verbond gaat, staat vers nauwe relatie met vers 31. Daarnaast is er een nauwe relatie met vers 32, aangezien vers 33 ten slotte de motivering geeft, waarom het (nieuwe) verbond onvergelijkbaar is met het verbond met de vaderen. op het spoor te komen waarin het onvergelijkbare zit, moeten we beide verzen met elkaar vergelijken. Dan zien we dat beide verzen langs een zelfde patroon lopen, in elk geval aan het begin. Er zijn daarnaast verschillen te constateren.
30

a

Niet zoals het verbond,

b

dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag

c

dat Ik hen bij hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te doen uitgaan,

+

dat zij verbroken hebben,

=

mijn verbond, Ikheb hen in bezit genomen,

– uitspraak van JHWH –

a’

want dit is het verbond,

b’

dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen

c’

dat Ik mijn Tora in hun binnenste zal leggen en die op hun hart zal schrijven

=

Ik zal hun tot een God zijn

+

en zij zullen Mij tot een volk zijn.

Het verbond wordt in beide gevallen door JHWH gesloten, met respectievelijk de vaderen (31:32b) en met het huis van Israël (31:33b).22

Een eerste verschil doet zich voor inzake het tijdstip waarop het verbond gesloten wordt. Het verbond dat gesloten wordt bij de uittocht uit Egypte komt tot stand op de(zelfde) dag dat JHWH de vaderen bij hun hand vastgreep. Dat is anders in 31:33. Daar vindt de verbondssluiting niet plaats op de dag dat JHWH zijn Tora in hun binnenste legt, maar sluit Hij het verbond pas daarna. Een tweede verschil betreft hetgeen op de dag/na die dagen gebeurt. In 31:32 grijpt JHWH de vaderen op die dag bij hun hand vast om hen uit het landEgypte te doen uitgaan. De verbondssluiting van 31:33 vindt echter niet plaats op de (vergelijkbare) dag van de uittocht uit Babel (en daarmee op de dag van de terugkeer naar het land dat JHWH hun vaderen gegeven heeft, zie Jeremia 30:3), maar na de dagen dat hij de Tora in hun binnenste heeft gelegd. Dat roept vanzelfsprekend de vraag op waarom JHWH dit verbond niet op dezelfde dag sluit, maar ‘na die dagen’. Het is niet erg moeilijk om op die vraag antwoord te geven. Voordat JHWH het verbond sluit, wil Hij er eerst voor zorgen dat zijn verbondspartner ook gehoor zal geven aan de bepaling om Hem tot een volk te zijn. Het derde verschil dat zich voordoet is dat alleen in 31:32a na בריתtweeאשר-zinnen volgen: ‘dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag …’en ‘dat zij verbroken hebben …’Na ברית in 31:33 volgt eenאשר- zin: ‘dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen …’ Uit het feit dat er in 31:33 geen tweede אשר-zin volgt, mag de lezer opmaken dat er geen continuïteit zal zijn wat het verbreken van het verbond betreft (de tweede אשר- zin, zie 31:32c). Een vierde verschil: Aan het slot zowel van vers 32 als van vers 33 wijkt het patroon af. Ja, het wordt zelfs omgedraaid: eerst ‘zij’, dan ‘ik’ in 31:32 naar eerst ‘ik’, dan ‘zij’ in 31:33. Daarbij mag ook nog opgemerkt worden – vijfde verschil – dat ‘Ik’ in 31:32 met אנכי alle nadruk krijgt, terwijl ‘Ik’ in 31:33 geen nadruk heeft. Zowel in 31:32 als 31:33 valt echter door המה nadruk op het subject ‘zij’. Zesde verschil is dat er een complete transformatie plaatsheeft; deze transformatie betreft overigens niet alleen het volk, maar tevens JHWH. Van verbrekers van ‘mijn verbond’ worden de Israëlieten tot mensen die voor JHWH tot een volk zijn (d.i. mensen die Hem kennen). Waar JHWH zich opstelde als hun בעל (bezitter), daar is Hij nu voor hen tot een אלהים (God).

Het nieuwe van het nieuwe verbond

De meeste exegeten herleiden חדשה tot één aspect. Dat lijkt mij bij ברית ten onrechte. Bij een verbond/overeenkomst zijn tenslotte twee partners betrokken, in dit geval: JHWH en het huis van Israël. Het nieuwe moet zich dan ook naar twee kanten uitstrekken: naar JHWH en naar het huis van Israël.
31
Wat het nieuwe is, krijgen we in 31:34 te horen.
32
Het wordt in ontkennende termen geformuleerd, eerst voor de leden van het huis van Israël: ‘Niet weer zullen zij leren, een man aan zijn naaste en een man aan zijn broer, zeggende: “Kent

Jhwh”’. Vervolgens wordt het ook voor JHWH geformuleerd: ‘Hij zal hun zonden niet weer gedenken.’
33

Waar aan het slot van vers 33 de bepalingen van het verbond (ברית) staan, daar staat in vers 34 wat het nieuwe (חדשה) is. De twee bepalingen van het verbond en de twee aspecten van het nieuwe staan in een chiastische verhouding tot elkaar: A (Ik) – B (zij) – B’ (zij) – A’ (Ik). Het volk wordt zo door JHWH omvangen.

Het nieuwe verbond

We kunnen het nieuwe verbond nu in relatie tot het verleden (31:32) als ook tot de toekomst (31:33) plaatsen:

Waar de vaderen in het verleden het verbond verbraken (31:32), daar zal het huis van Israël in de toekomst voor JHWH tot een volk zijn (31:33), hetgeen wil zeggen dat zij allen JHWH kennen (31:34).
34
Dat zij Hem kennen, vindt zijn oorzaak in het feit dat JHWH al eerder, vóór de verbondsluiting, zijn Tora in hun binnenste heeft gelegd en op hun hart heeft geschreven (31:33).
35
Daarmee heeft JHWH zelf gemaakt dat zij zijn verbond niet meer zullen kunnen verbreken, zoals gebeurde na de sluiting van het verbond met hun vaderen (31:32, zie ook 11:10).

Waar JHWH zich בעל toonde bij het verbond dat Hij met hun vaderen gesloten had (31:32), daar toont Hij nu met deze verbondsluiting dat Hij voor de Israëlieten tot een God is (31:33). Dat wordt duidelijk uit het feit dat Hij hun schuld vergeeft en hun zonden niet weer gedenkt (31:34), waar Hij dat eerder wel deed (11:8, 11).

Waarom een nieuw verbond?

Het veelgehoorde antwoord op de vraag ‘Waarom sluit JHWH een nieuw verbond?’ is: Omdat de Israëlieten JHWH’s verbond hebben verbroken (31:32c).
36

Hoe logisch dat ook moge klinken, toch voldoet dit antwoord niet. In Jeremia 11:1-14, waar het begrip ‘verbond’ eveneens een centrale rol speelt, is namelijk sprake van een andere reactie op het verbreken van het verbond door het huis van Israël en het huis van Juda (11:10): ‘Daarom, zo zegt JHWH, zie, Ik doe kwaad over hen komen, waaraan zij niet zullen ontkomen’ (11:11). Let op, deze reactie volgt onmiddellijk na de uitspraak over het verbreken van het verbond. Van een dergelijke reactie op het verbreken van het verbond horen we niet na Jeremia 31:32. JHWH lijkt er zelfs helemaal niet op te reageren. Waarom die reactie niet komt, horen we aan het slot in 31:34: JHWH vergeeft de schuld en gedenkt de zonde niet weer.

Het nieuwe verbond sluit JHWH dan ook niet, omdat de Israëlieten het verbroken hebben. De reden voor deze sluiting heeft met de slotsituatie van de voorafgaande passage (31:27-29) van doen. De uitspraak van JHWH (31:31) volgt daar niet voor niets direct op. Jeremia 31:27-30 eindigt met: ‘In die dagen zal men niet meer zeggen: De vaderen hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn slee geworden. Maar ieder zal om zijn eigen ongerechtigheid sterven; ieder die onrijpe druiven eet, diens tanden zullen slee worden.’ Dat met betrekking tot ‘Zie, de dagen komen eraan’ van fasering sprake is, in elk geval in de verhouding tussen 31:27-30 en 31:31-34, zoals ook Leene beweert, wordt hier wel duidelijk.
37
Met ‘Zie, de dagen komen eraan’ van 31:31 breken er nieuwe dagen aan, waarin men niet meer sterft om zijn eigen ongerechtigheid, omdat JHWH de ongerechtigheid vergeeft en de zonden niet weer gedenkt. Om aan die situatie een eind te maken, sluit Hij een nieuw verbond.

< Terug