< Terug

JHWH, tsaddiek bij uitstek

Alternatief bij 4e zondag van Advent (Micha 7:1-7.18-20)

In Micha 1-5 richt de profeet zijn strafprofetie in het bijzonder tegen de valse profeten en tegen de leiders van het volk, de hooggeplaatsten. In Micha 6 en 7:1-7 wordt de profetie verbreed en richt de profeet zich tegen het volk. De zonde is zo algemeen geworden dat die de gehele maatschappij heeft aangetast. Er zijn geen rechtvaardigen meer onder de mensen.

De rechter wenst een vergoeding, de ambtenaar een gift en de hooggeplaatste spreekt het oordeel naar willekeur uit; zo ‘vlechten zij het in elkaar’ (Hebr.: ‘abhat, verdraaien; ‘abhot = een vlechtwerk van touwen – Micha 7:3). In de Septuagint staat: ‘zo nemen zij het weg’ (Gr.: exhaireoo). Het object van wat zij verdraaien (of wegnemen) is volgens het tekstkritisch apparaat van de Hebreeuwse Bijbel vermoedelijk het recht.

Moreel verval tot in de gezinnen

Allen ‘liggen op de loer’ (Hebr.: ’arabh) om bloed te vergieten (Micha 7:2). De dag is gekomen van hen die jou ‘bespieden’ (Hebr.: tsafah – Micha 7:4). Deze verzen vertonen gelijkenis met de wijsheidsliteratuur zoals in het boek Spreuken. Ook daar gaat het om mensen die loeren op hun onschuldige naasten en hen belagen (Spreuken 1:11.18). Maar de wijze raad die daar klinkt om niet mee te gaan op de weg van deze zondaars (Spreuken 1:10), ontbreekt in de profetie van Micha. Het kwaad is alom aanwezig. Zelfs een rechtvaardige is niet te vinden. Ook klinkt er geen oproep tot omkering, zoals wel bij andere profeten. Het lijkt simpelweg daarvoor te laat: het is reeds de tijd van de nalezing van de oogst, er zijn geen druiventrossen en al helemaal geen vroege vijgen meer (Micha 7:1). En daarbij is het spioneren doorgedrongen tot in de huiskamers: ‘iemands vijanden zijn de mannen in zijn huisgezin!’ (Micha 7:6 – Naardense Bijbel). In de gezinnen staan kinderen op tegen hun ouders. Jezus haalt deze tekst aan om aan te geven dat zijn komst verdeeldheid brengt (Matteüs 10:35-36; Lucas 12:53). Maar hier zijn de mensen zelf reden voor onderlinge verdeeldheid. Niemand kan een ander nog vertrouwen. Ja, zelfs wat je zegt tegen je meest nabije huisgenoot – die aan je boezem ligt – (Micha 7: 5) kan later tegen jou gebruikt worden. Het niet doen van recht en het niet streven naar chèsèd, solidariteit, door de hooggeplaatsten leidt tot een algeheel moreel verval en uiteindelijk tot de desintegratie van de samenleving. Dat gebeurt zodra het de gezinnen heeft aangetast. Deze sociale verbanden zijn het gebinte van de samenleving. Zo maakt Micha duidelijk dat een gemeenschap niet kan bestaan wanneer niet de rechten van iedereen worden geëerbiedigd, ook de rechten van wie geen geld heeft om een rechter te betalen.

Eindtijd

Dat Micha spreekt over de ‘oogst’ (Micha 7:1) en ‘de dag die komende is’ (Micha 7:4), duidt erop dat zijn profetie gaat over de eindtijd. Hij spreekt vanuit de ervaring van wat er is gebeurd – de belegering door de Assyriërs die in de tijd van Micha het Noordrijk hadden weggevoerd – maar richt zich op de toekomst. De ramp die zich op deze dag voltrekt aan het volk zal erger zijn dan de belegering door de Assyriërs. Want een volk waarin geen rechtvaardige te vinden is, doet geen omkering, maar blijft voortgaan op de weg van zijn zonden. In zijn gebed tot God (vanaf Micha 7:8) noemt Micha dan ook niet de omkering van het volk als reden om God te vragen zijn volk, de schapen van zijn erfdeel, te hoeden (Micha 7:14). Hoe schitterend overigens is de opening van dat gebed: ‘Maar ik, ik kijk uit (of: ‘spied’, Hebr.: tsafah – zie Micha 7:4) naar de Heer!’ (Micha 7:7).

Mikha-’el

Micha eindigt zijn gebed met een vraag: ‘Wie is een God als Gij (…)’? (Hebr.: mi-’el kemokha – Micha 7:18). Daarmee ontsluit hij de betekenis van zijn eigen naam. Micha noemt vervolgens een aantal unieke eigenschappen van God waaruit de heidenen kunnen opmaken dat God onvergelijkelijk is met andere goden. Deze heidenen hadden gerekend op hun macht (Micha 7:16), vanwege het uiteenvallen van de gemeenschap van Israël. Maar ze rekenden buiten deze God die zijn volk zijn schulden vergeeft (Micha 7:18).

Vergeving vanwege het verbond

Als het volk zelf geen omkering doet, en er geen rechtvaardige meer is te vinden, waarom zou God het dan zijn schuld vergeven? Het antwoord zit ’m in Micha’s woordgebruik, dat verwijst naar de verbondssluiting op de Sinai als reden voor God om zich om te keren van zijn toorn. Eerst gebruikt hij de woorden ‘uw volk, uw erfdeel’ (Micha 7:14). Die verwijzen naar de deuteronomische relatie tussen God en zijn volk als ‘zijn erfdeel’. Het woord ‘erfdeel’ typeert de wijze waarop God zijn volk vindt en het tot het zijne maakt. Zoals te lezen is in Deuteronomium 32:9-12: ‘Want het deel van de Ene is zijn gemeente; Jakob het meetsnoer van zijn erfdeel. Hij vond hem in een land dat woestijn was, in een baaierd, een wildernis vol gehuil; hij omringde hem, paste op hem, behoedde hem als de appel van zijn oog; zoals een arend zijn nest wekt, over zijn jong heen en weer wervelt, – zijn vleugels uitspreidt, het opneemt, het draagt op zijn wieken, zo leidde hem alleen de Ene, zonder vreemde godheid bij zich’ (NB). De aanvaarding door God van dit volk als zijn erfdeel moet wel tot vergeving van zonden leiden, zoals te lezen is in Exodus 34:9. Het een kan niet zonder het ander!

Vervolgens gebruikt hij de woorden ‘ongerechtigheid dragend’ (Hebr.: nosé’ ‘awon – Micha 7:18), identiek als in Exodus 34:7. Ook Gods ‘welbehagen in goedertierenheid’ verwijst naar deze Exodustekst. Al deze verwijzingen geven aan dat Gods verbond met Israël doorslaggevend is. Als er in het volk geen rechtvaardige meer wordt gevonden, is God zelf de tsaddiek bij uitstek: de rechtvaardige die zich ontfermt. Als alle sociale verbanden desintegreren, blijft het verbond intact.

Deze exegese is opgesteld door Henk Schoon.

< Terug