< Terug

JHWH zal een rest van Israël wegvoeren

Alternatief bij 1e zondag van Advent (Micha 2)

De profeet Micha – tijdgenoot van Jesaja – die optrad tussen 740-770 voor Christus, is niet de eerste nabhi’ in Israël. Vele andere gingen hem voor, naamloze en bekende. Vroeg in Israëls geschiedenis (ca. 1100 v.Chr.) waren er rondtrekkende groepen die op basis van wonderlijke ervaringen, dromen en ‘gezichten’ koningen, legeraanvoerders en gewone mensen van (al dan niet goede) raad voorzagen. Door rituele handelingen in een extatische toestand gebracht, deden deze ‘zieners’ hun uitspraken.

Voortdurend vindt er bij de bijbelse profeten een strijd plaats tussen ‘ware’ en ‘valse’ profetie, tussen degenen die de woorden van de Ene overbrengen en die – vanuit een al dan niet ritueel opgewekte extatische vervoering, maar ook omwille van de ‘smeer’, als bron van inkomsten ‒ voorspellingen doen. De eerste categorie neemt dan ook met grote stelligheid afstand van dat soort ‘broodprofeten’. In Amos 7:12-15 wordt de profeet door een hofbeambte toegeroepen: ‘Ziener, ga heen, vlucht naar het land Juda (waar je vandaan komt); eet daar brood en profeteer daar!’ en Amos antwoordt: ‘Ik ben geen profeet en geen profetenzoon, (…) maar de Ene haalde mij achter de schapen vandaan en zei tegen mij: Ga heen, profeteer (…).’ Deze tegenstelling vinden we ook in Micha terug. Een ‘echte’ profeet wordt gedreven door de Geest van de Ene. Bij Micha vinden we niet, zoals bijvoorbeeld bij Ezechiël, Jesaja en Jeremia, een roepingsvisioen of -ervaring, maar wel duidelijke uitspraken over zijn drijfveren om als profeet op te treden. Micha’s spreken, zegt hij, vindt zijn oorsprong in de stuwende kracht van de Geest van de Ene: ‘Ik ben vervuld met kracht, de Geest van JHWH, met rechtsbesef en met moed, om Jakob te confronteren met zijn afvalligheid, Israël met zijn ongerechtigheid’ (Micha 3:8). ‘In de ruimte van deze Geest is heel het boek Micha, met zijn langdurige overleveringsproces en gecompliceerde redactiegeschiedenis, als deel van de bijbelse canon gezaghebbend geworden.’[1]

Onheils- en heilsprofetie

Micha 2 biedt het stramien dat we ook verder bij deze profeet vinden: onheilswoorden gevolgd door heilsprofetie. Micha 2:1-5 laat een schoolvoorbeeld zien van zo’n profetisch onheilswoord. Het valt in twee delen uiteen: eerst wordt het gepleegde onrecht beschreven, dan wordt het daardoor opgeroepen onheil geschetst dat het gevolg is van het goddelijk ingrijpen. Dat ingrijpen wordt meestal ingeleid door een ‘bode-formule’: ‘Zo zegt de Ene’ (Micah 2:3). In Micha 2:1-5 gaat dat dan zo: a) er zijn mensen (veelal welgestelden) die onheil beramen, ze begeren de akkers en huizen van anderen en nemen die in bezit; zo verdrukken zij de vrije burger: ‘Welnu, zo zegt de Heer’, b) de Heer beraamt onheil, een kwade tijd; daarop heffen zij een spreuk aan over verloren akkers; zo zullen de verdrukkers zelf eronderdoor gaan.

‘Wee hun!’

‘Wee (hun)!’ (Hebr.: hoi – Micha 2:1) is een formule die thuishoort bij de rouwrituelen van Micha’s tijd. De profetische aanklacht is in wezen een dodenklacht. Vergelijk Jeremia 22:18 en Jesaja 3:8-24, waar we een reeks van zes ‘wee’-woorden vinden. De eerste ervan lijkt sterk op die in Micha 2:1. Ergo: wie met ‘wee’ wordt aangesproken, ís in feite al dood. Hier in Micha 2 is echter geen sprake van doemdenken of onontkoombare onheilsvoorspellingen, geen noodlot. De aangesprokenen hóeven niet ten dode opgeschreven te zijn. Het ‘wee’-woord heeft in al zijn scherpte juist ómkering, bekering ten doel. Dat neemt geenszins de ernst van de aanklacht weg. Leven en dood staan hier op het spel! Er moet gebroken worden met het bedrijven van onrecht, het brengt niet alleen onheil nú voor anderen, maar ook voor de bedrijvers van het onheil straks zelf. En hoe actueel is dit?! Denk aan de discussie over de economie en de gevolgen voor mensen in samenhang met het klimaat op korte en lange termijn…

‘Géén gepreek!’

In Micha 2:6-11 horen we degenen die zich aan deze onheilswoorden storen. Zijn dat dezelfden als wie in de eerste vijf verzen worden aangesproken? Die conclusie ligt voor de hand. Voor welke exegese men kiest, hangt echter samen met de gemaakte vertaalbeslissingen, en die zijn nog niet zo gemakkelijk. Een probleem hierbij is dat het Hebreeuws geen aanhalingstekens kent. De vertaler moet dus zelf besluiten tot waar het aangehaalde spreken van deze personen doorloopt. Ik kies met wijlen professor Niek Schuman ervoor de tekst zo te lezen, dat 2:6 de woorden citeert van wie zich tegen Micha’s ‘gepreek’ verzetten. Het woord ‘preken’ heeft hier een pejoratieve klank: het duidt op profetische woorden die, zo zeggen de aangesprokenen, niet onverrichterzake zullen weerkeren naar de spreker – pas maar op! ‘Preken’ staat hier gelijk aan ‘profeteren tégen’. De door de profeet toegesproken mensen voelen zich bedreigd, ze horen smaad en schande over zich afgeroepen worden, en zeggen daarop: ‘Jouw schimpscheuten zullen hun doel niet bereiken!’ Ondertussen winden ze zich er wél behoorlijk over op; waarschijnlijk omdat zij wel weten dat profetische woorden meestal niet zonder effect blijven.

Micha 2:12-13 roept al eeuwenlang discussie op. Moet je deze woorden apart lezen of in samenhang met het voorafgaande? Het scharnier dat beide verbindt, is gelegen in die woorden: ‘Ik zal jou prediken van wijn en bier!’ Hebben we hier te maken met de valse profetie waartegen Micha strijdt? Rabbi Ibn Ezra en velen met hem lezen zo. De vraag blijft intrigeren: is dit een heilswoord of juist een onheilsprofetie? In het laatste geval wordt aangezegd dat de ‘kudde’ van Jakob plus de ‘rest’ van Israël bijeengeharkt wordt om weggevoerd te worden, en JHWH gaat hun daarbij voor: een totale breuk met een heilloos verleden. Dat is een exegese waarop meer dan één adventspreek te bouwen valt; ‘ware’ profetie blijft actueel uit te leggen.

Deze exegese is opgesteld door Elly Bakker.

Voetnoot

[1] N.A. Schuman, Micha: verklaring van een bijbelgedeelte, Kampen 1989.

< Terug