< Terug

JHWH ziet naar het hart

Alternatief bij de twaalfde zondag van de zomer (1 Samuel 16:1-23)

Een waarlijk Shakespeariaans koningsdrama is het wat we de komende weken lezen: het tragische relaas van de nadagen van Israëls eerste koning Saul, gesteld tegenover de komst van zijn opvolger David. Aan spanning en intrige geen gebrek in dit toneelstuk, waarvan deze zondag zich het eerste bedrijf afspeelt.

Samuel rouwt om deze eerste door hem gezalfde des Heren. De Ene tikt hem op de vingers: hij moet weer aan het werk, dóór. ‘Hoe lang zul je blijven rouwen om Saul?’ Het leven gaat door, zeggen mensen vaak na een ingrijpende levensgebeurtenis. Dat kan een geweldige dooddoener zijn, maar ook een bescherming tegen het ‘uit de tijd raken’. De tijd blijft niet stilstaan en de mens kan ook niet blijven stilstaan bij wat voorbij is. ‘Blijf niet staren op wat vroeger was, Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen, het is al begonnen, merk je het niet?’ dichtte Huub Oosterhuis bij Jesaja 43:18-19, en inderdaad, de Ene blijft niet doelloos staren op wat ‘over en uit’ is. Hij gaat door met zijn heilsgeschiedenis: die móet doorgaan.

Een offerfeest in Betlehem

Nu Saul ongeschikt bevonden is om nog langer over Israël koning te zijn, heeft de Ene hem definitief verworpen en Hij heeft al een nieuwe kandidaat op het oog. Samuel moet die tot koning gaan heiligen. Daarvoor schrikt de profeet terug, bang als hij is voor de woede en de wraak van Saul, en terecht, want die is niet mals, zoals we in de komende hoofdstukken kunnen lezen. Maar de Ene heeft voor Samuel al een cover-up geregeld, een staaltje van goddelijke diplomatie: een offerfeest bij Jesse, de vader van vele zonen. ‘Offeren voor de Ene’ is een geloofwaardige dekmantel voor Samuels gang naar Betlehem. Samuel gehoorzaamt het woord van de Ene en gaat naar de plaats waar de ware koning in Israël vandaan moet komen. Betlehem, een naam van betekenis, voor nu en voor altijd: de goede herder-koning komt uit Betlehem, het broodhuis. Alle latere herder-koningen zijn naar hem gemodelleerd: zij zorgen voor het leven van hun schapen. Tot op die laatste, met zijn brood voor velen bij het meer van Tiberias.

Een nieuwe kandidaat-koning

Samuel is niet de enige die bij deze actie in vrees en beven is. De oudsten van dit stadje schrikken van zijn komst en willen weten of zijn komst vrede betekent, of misschien iets anders? Een offerfeest voor de Ene – ja, vrede, welzijn, sjaloom, is zijn antwoord, en zij mogen eraan deelnemen. Zij mogen getuigen zijn van wat hier gaat gebeuren. Vraag is wel of zij nog vrede zullen ervaren wanneer zij zijn ingewijd in dat vreeswekkende geheim: dat Saul niet lang meer te ‘koningen’ heeft. Zullen zij als eerste getuigen begrijpen wat Israël tot werkelijke vrede dient?

Alle aanwezigen heiligen zich voor het offermaal. De ene na de andere zoon van Jesse loopt over de catwalk en Samuel ziet de eerste voor de beste aan: deze mooie rijzige Eliab, Mr. Wonderful, zal hem zeker zijn! Tja, Samuel is ook maar een mens, die ‘ziet aan wat voor ogen is’ (1 Samuel 16:7). Het woord van de Ene verhindert hem een jammerlijke vergissing te begaan: ‘Verkijk je niet, mens, op wat je ogen zien: de schone schijn; de Ene ziet het hart aan’ (cf. Psalmen 139: ‘Doorgrond, o God, mijn hart, het ligt toch open voor uw aangezicht’).

De achtste zoon

Zeven zonen zijn er, als de zeven dagen van de schepping, voor elke dag één. Die gehele eerste week, het allereerste begin komt nog een keer voorbij. Maar geen van deze zeven is door de Ene uitverkozen. Nog is het niet goed, laat staan: zeer goed. Dan is daar de kleinste, de laatste: de herdersjongen. Rossig is hij als de ’adam, de rode mens die de Ene uit de ’adamah, de rode aarde formeerde: een nieuwe mens. En ‘mooi van ogen’ is
hij – het gaat er niet om wat de ogen van Samuel zien, maar wat de ogen van deze nieuwe koning zullen zien. Of zijn herdersogen met ‘herderlijkheid’ zullen blíjven zien. Ja! ‘Déze is het,’ zegt de Ene. Ik heb gezien wat er in zijn hart is. Deze zal het kunnen: koning naar míjn hart zijn.

David speelt voor Saul

De Geest van de Ene grijpt David aan vanaf de dag van zijn inwijding tot het koningschap. Saul wordt gegrepen door een boze geest, die van de Ene naar hem kwam, als een ‘opvulling’ van de leegte in hem doordat de Geest van de Ene van hem is geweken. Dat motief van de negatieve plaatsvervanging vinden we in het evangelie terug in de parabel van de mens die bevrijd is van zeven demonen: zij zwerven rond en komen terug en vinden hem als een huis dat geveegd en op orde is; dan zien deze verjaagde kwade geesten juist hun kans om terug te keren en zich weer te nestelen, ‘en het wordt met die mens erger dan in het begin’ (Lucas 11:24-26).

Vanuit menselijke optiek is het navrant, maar van Godswege een daad van barmhartigheid: Saul wordt niet geheel en al aan het duister prijsgegeven. Uitgerekend David, Sauls ‘concurrent’ in menselijke ogen, is degene die de gekwelde ziel van Saul nog enige rust kan verschaffen met zijn muziek, die goddelijke gave. De Geest van de Ene is sterker dan de boze geest die Saul in zijn greep heeft gekregen. Zo eindigt de eerste ‘confrontatie’ tussen de verworpen en de nieuw gezalfde koning: ‘En het geschiedde, wanneer Gods (boze) geest in Saul woedde, nam David de harp en bespeelde hij die met zijn hand; dat gaf Saul verlichting en deed hem goed en de boze geest week van over hem’ (1 Samuel 16:23).

Deze exegese is opgesteld door Elly Bakker.

< Terug