< Terug

Jozef: een messiaanse figuur?

Bij Genesis 45,1-15

Bekend maken

Hink-stap-springend door het boek Genesis zijn we beland in de scène waarin Jozef zich aan zijn broeders bekendmaakt (doet ‘kennen’). De dreamboy, die gaandeweg een nachtmerrie werd voor zijn broers, die doodgewaand en -gezwegen werd (zie bijv. Genesis 44,20), doemt onverwacht levend en machtig op uit het lot dat zij hem hadden toegedacht.

Aan deze scène is veel voorafgegaan: Jozef heeft zijn broers knap op de zenuwen gewerkt. Hij heeft met hen gespeeld, toen ze tot tweemaal toe afreisden naar Egypte (Genesis 42-43). Begrijpelijk, maar niet per se sympathiek. Zoals zijn broers met hem speelden, zo speelt hij nu zijn troeven uit, uitlopend op de dramatische ‘bekendmaking’, het hoogtepunt van deze geschiedenis van Jozef en zijn broeders. Deze speelt binnen het grotere raam van de vertelling over Jakob, naast de kleinere vertelling over Juda en Tamar (Genesis 38). Juda lijkt daardoor minder belangrijk dan Jozef, maar in Matteüs 1 wordt Juda wél en Jozef niet onder de verwekkingen van Jakob genoemd. De onthulling volgt op de indrukwekkende pleitrede van Juda (Genesis 44,18-34), die ook een bede is en duidelijk maakt waarom Jozef zich niet kan bedwingen en ‘alle man’ (Hebr.: khal-’isj) wegstuurt. Juda biedt zich aan als plaatsbekleder voor ‘de jongen’ (Genesis 44,33); ook dát is een revelatio.

Epifanie

Naastepad schrijft in dit verband dat nu, in de zelfopenbaring van de verstoten broeder, ‘de epifanie van het huis Israël zich aandient’. 1 Een begrip dat niet uit de lucht komt vallen: breed gedeeld is immers de opvatting dat Jozef een messiaanse figuur is, een prefiguratie van Jezus zelf. Bij mij op zolder ligt nog een oude Spurgeon 2 en daarin staat onvermoed: ‘I need not say to you beloved, who are conversant with Scripture, that there is scarcely any personal type in the Old Testament which is more clearly and fully a portrait of our Lord Jesus Christ than is the type of Joseph.’ Spurgeon is de enige niet die er zo over denkt.

Maar wat te denken van de daden van deze ‘Messias’? Hij redt, als gezondene, ‘een rest (…) tot grote ontkoming’ (Genesis 45,7). Zeker. Maar vraag niet hoe. Hij onteigent het vee, de paarden, het rundvee, de ezels. En vervolgens grond en lijf en leden: akker en mens zullen Farao dienstbaar zijn (Genesis 47,13-26). Is Jozef een wonderlijke messiaanse antiheld, die onopgemerkt maar volgens een aloud plan het faraonische systeem van binnenuit opblaast, een antikapitalist avant la lettre? Zoals zijn broers met hem speelden, zo speelt hij nu zijn troeven uit. Messiaans, die ‘opgang’? De rabbijnen hebben zich hun Messias zo in elk geval niet voorgesteld. Jozef jaagt zijn broers zo veel angst aan, dat ze na Jakobs dood nóg vrezen dat Jozef zich zal wreken vanwege al het kwaad ‘dat wij hem hebben aangedaan’ (Genesis 50,15). Een wrekend messiaans perspectief, in plaats van een ‘wenkend’? Mij laten de woorden uit Jesaja 5,8 niet los: ‘Wee hun die huis aan huis trekken, veld aan veld voegen, tot er geen plaats meer over is.’ Dat is wat Jozef deed. Met het oog op het nut van het algemeen. Collectivisatie vanwege een hoger en heilig doel? Naastepad levert hier een bevlogen, lezenswaardig, maar ontegenzeggelijk verongelijkt commentaar.3

Ellende met een bedoeling?

Niet de broers hebben Jozef hierheen gezonden, maar ‘God’ zelf ‘om voor u te stellen een rest op aarde en behoud van leven voor u, tot grote ontkoming’ (Genesis 45,7). De broers lijken zonder het te weten deel van een veel groter geheel, hun kwaad blijkt het goede te dienen. Het was qualitate qua slecht bedoeld, maar werd ten goede bezield. Zo wordt het vaak uitgelegd, met een actueel troostende spits: ook met een kromme staf kan ‘God’ recht slaan. God heeft ook met ellende een voorlopig onbekende, maar uiteindelijk ongetwijfeld heilzame bedoeling, en zijn voorzienigheid doet onze kortzichtigheid beschaamd staan. Zou het? Er staat niets anders dan wat er staat: jullie waren het niet, God was het. Overschat jezelf niet, zelfs niet je slechtigheid. Er klinkt niets anders dan een indrukwekkende belijdenis: God heeft mij gezonden (vgl. Genesis 45,8). Hij blijkt er te willen zijn, te midden van verraad en verlies.

Te midden van de volken

Als Jozef zijn positie aan het Egyptische hof beschrijft, ‘al mijn gewichtigheid’ (Hebr.: kal kebhodi – Genesis 45,13), dan ga je bijna naar lucht happen. Een vreemdeling, een Hebreeër nog wel, die ‘vader van Farao, heer over zijn hele huis en regeerder van gans Egypteland’ (Genesis 45,8) genoemd wordt. ‘Vader’ kan men op vele manieren en van velen zijn, als leidsman, als raadgever (vgl. 1 Samuël 10,12; Job 29,16; Richteren 17,10). Is deze functiebeschrijving, van de kleine man uit de diepe put die de hoogste in de hofhouding wordt, een eerder terloops aspect van het grote thema ‘Israël te midden van de volkeren’? Met, verborgen in een niet te ontkennen ironie, de cliffhanger? Zo klein, en dan zo groot in het grote mitsrajim? Dit kan niet goed aflopen. Preludeert daar niet die ‘rest’ (Genesis 45,7) al op, met de ‘grote ontkoming’: wordt dat de uittocht?

Maar eerst is Egypte dus, zoals wel vaker, een reddende wijkplaats: ‘Je zult in het land Gosen wonen’ (Genesis 45,10). Gevangenisland is voor even overvloedsland (vgl. Genesis 46,32-34; 47,6.11). Men meent wel dat dat land Gosen in het uiterste noordoosten van Egypte ligt, bijna op de rand van het veelbelovende land, met de uittocht om zo te zeggen onder handbereik. Anderen zeggen dat het niet om een geografisch omlijnd gebied gaat, maar meer een werkterrein behelst, en wel één waar het goed schapen en runderen weiden is.

< Terug