< Terug

Judas en Henoch

De schrijver van de brief van Judas verwijst naar het Boek der Wachters (1 Henoch 6 – 16). Hierdoor hadden sommige kerkvaders moeite het geschrift op te nemen in de canon van het Nieuwe Testament. De uiteindelijke opname van de brief van Judas betekende, paradoxaal genoeg, dat 1 Henoch nog enkele eeuwen een belangrijke rol heeft gespeeld in het vroege christendom. Latere theologische ontwikkelingen, waaronder het groeiende belang van de val van Adam en Eva in de christelijke verlossingsgeschiedenis, maakten het echter moeilijk te accepteren dat de zonde op een ander tijdstip dan bij de schepping in de wereld is gekomen. Hierdoor verdween het belang van 1 Henoch voor de meeste christelijke kerken.

Ikoon van Henoch in de kerk van Johannes Chrysostomus in het Russische Korovniki – 1654
De brief van Judas bestaat voor een groot deel uit voorbeelden van goddelijke straffen.

Jacques van Ruiten is hoogleraar Receptiegeschiedenis van de Bijbel: historische hermeneutiek aan de Rijksuniversiteit van Groningen

De brief van Judas wordt vaak gezien als één van de laatste geschriften van het Nieuwe Testament, maar kan mogelijk toch al in de tweede helft van de eerste eeuw gedateerd worden. De vroege canonlijsten laten zien dat er enige onzekerheid bestond binnen sommige delen van de vroege kerk over de status van de brief van Judas. Tertullianus en Clemens van Alexandrië erkennen de brief als gezaghebbend, maar Eusebius beschouwt hem als betwist. Het lijkt erop dat het gebruik dat Judas maakt van tradities die niet gevonden worden in het Oude Testament, iets met zijn zwakke status te maken heeft. Onder deze tradities zijn woorden die expliciet worden toegeschreven aan Henoch.

De brief bestaat voor een groot deel uit voorbeelden van goddelijke straffen in het verleden of van onheil dat door tegenstanders wordt begaan: zij die bevrijd werden uit Egypte, werden later gedood wanneer ze niet geloofden (vers 5); de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw werden en de hun toegewezen plaats verlieten, houdt hij tot het oordeel op de grote dag met onbreekbare boeien in de onderwereld gevangen (6); Sodom en Gomorra en de naburige steden zijn gestraft (7). De schrijver heeft hier verwijzingen naar voorvallen in Exodus/Numeri (5), 1 Henoch (6), en Genesis (7) op één lijn geplaatst, zonder het nodig te vinden iets te zeggen over de status of het gezag van deze werken. Judas vervolgt met het aanklagen van goddelozen voor laster en voor het volgen van de weg van Kaïn, Bileam en Korach (8-11). Kort hierna volgt een expliciet citaat uit 1 Henoch 1,9:

Zij zijn het ook over wie Henoch, de zevende vanaf Adam, geprofeteerd heeft toen hij zei: ‘Ik zie de Heer komen met zijn heilige tienduizendendtallen om over allen zijn vonnis uit te spreken; alle goddeloze zondaars zal hij veroordelen voor alle goddeloze daden die ze in hun goddeloosheid bedreven hebben en voor de harde woorden waarmee ze hem hebben beledigd’.

(VERS 14-15)

Henoch, de zevende vanaf Adam, profeteerde, nog voor de zondvloed, al over de goddelozen in de dagen van Judas, en ook over hun oordeel aan het einde der dagen. Judas moet verschillende delen van het Boek der Wachters (1 Henoch 6 – 16), in ieder geval 1 Henoch 6 – 11, hebben gekend.

De canon

Judas citeert 1 Henoch, maar deze tekst is vandaag de dag geen deel van onze Bijbel. Over de exacte omvang van de canon hebben verschillende geloofsgemeenschappen onderscheiden opvattingen. Dat betekent ook dat de omvang van wat wij de Bijbel noemen niet zonder meer uniform te noemen is. Christelijke kerken hebben lang geworsteld met name met een groep boeken die niet in het Hebreeuws Oude Testament terecht zijn gekomen, maar wel in de Griekse vertaling daarvan, de zogenaamde Septuaginta. Uiteindelijk erkende het concilie van Trente (1546) deze ‘extra’ boeken, maar zij worden aangeduid als deutero-canoniek, ter onderscheid van de boeken die in de Hebreeuwse canon voorkomen. Luther nam deze extra werken op in zijn bijbeluitgave van 1534, maar achtte ze niet canoniek. Wel waren ze nuttig en goed om te lezen. Op de synode van Dordrecht in 1618 hadden verschillende invloedrijke figuren, waaronder de latere Groninger hoogleraar Gomarus, zich verzet tegen het opnemen van deze boeken in de Statenvertaling. Pas na lange beraadslagingen besloot men uiteindelijk toch deze boeken op te nemen, vooral om niet uit de pas te lopen met de andere reformatorische kerken, zoals de Lutherse en de Anglicaanse kerk, waar ze wel werden gebruikt. Als compromis werden ze echter geplaatst na het Nieuwe Testament, en voorzien van een ‘Waarschouwinge aan de lesers’ dat ze niet op één lijn staan met de canonieke boeken. Mogelijk door Hollandse zuinigheid zijn deze boeken in de loop van de 18e eeuw weer verdwenen uit de meeste drukken van de Statenvertaling.

De canon van de orthodox Ethiopische kerk is omvangrijker dan zowel de katholieke als protestante canon. Het omvat 81 werken, waaronder 1 Henoch en Jubileeën. Het is opvallend dat deze twee werken ook in het vroege jodendom als gezaghebbend werden beschouwd. In Qumran, bijvoorbeeld, zijn van het boek 1 Henoch elf manuscripten gevonden, in het Aramees geschreven, terwijl heel veel andere vroeg Joodse werken grote delen van 1 Henoch kennen en als gezaghebbend beschouwen. Onder christenen was het werk bijzonder populair in de eerste eeuwen van de gewone jaartelling.

Boek der Wachters (1 Henoch 6 – 16)

Waarover gaat 1 Henoch, het boek dat Judas citeert? In de vroeg Joodse literatuur van de Tweede Tempelperiode (515 v.Chr. -70 n.Chr.) is veel aandacht voor het verhaal van de gevallen engelen. Verschillende van deze werken, die gezien kunnen worden als doorwerkingen van het verhaal van Genesis 6,1-4, schilderen de hemelse wezens, die nu niet meer de ‘zonen van God’ genoemd worden, maar Wachters, een bepaalde groep van engelen, en hun nageslacht, af als vijanden van God. Zij spelen een belangrijke rol bij de beslissing om de zondvloed te zenden.

De oudste doorwerking treffen we aan in het eerste gedeelte van het Boek der Wachters (1 Henoch 6 – 16), zelf een onderdeel van het boek 1 Henoch, dat gedateerd kan worden in derde eeuw voor Christus. Men gaat ervan uit dat al in een vroeg stadium twee onderscheiden verhalen tot één geheel werden gesmeed. De focus van het ene verhaal ligt op de verspreiding van bepaalde die wordt toegeschreven aan de gevallen engelen (verbonden met de naam Asa’el). De focus van het andere verhaal ligt meer op de activiteiten van hun nageslacht, de reuzen, die verantwoordelijk worden gehouden voor de toename van geweld en onderdrukking op aarde in de tijd voor de zondvloed (verbonden met de naam Sjemichaza).

De tekst van het Boek der Wachters is nauw verbonden met Genesis. Bijna letterlijk wordt herhaald hoe de hemelse wezens sterk verlangen naar de schoonheid van de menselijke vrouwen, hoe ze afdalen naar de aarde, gemeenschap met hen hebben, en reuzen voortbrengen (1 Henoch 6,1-2; 7,1-2). Maar er gebeurt hier nog veel meer met het verhaal. Volgens de weergave van het verhaal in 1 Henoch is het zo dat het hier gaat om een doelbewuste daad van rebellie. Een bepaalde groep engelen, onder leiding van Sjemichaza, zijn in de hemel in opstand gekomen, en de gemeenschap die zij met de vrouwen hebben, wordt in de tekst vanaf het begin beschreven als verderfelijk. Hun nageslacht, de reuzen, wordt afgeschilderd als wezens van een onvoorstelbaar grootte (3.000 el, dat is ongeveer 1.500 meter) en onvoorstelbare wreedheid. Bloeddorstig en alles verwoestend ontsnapt niets aan hun vraatzucht: mensen, dieren, en uiteindelijk eten ze ook elkaar op.

Een belangrijke vernieuwing in 1 Henoch is het gegeven dat de Wachters geheime vormen van kennis overbrengen. Ze onderwijzen de mensheid de productie van wapens, wat leidt tot geweld (1 Henoch 8,1), bepaalde technieken om juwelen en cosmetica te maken, wat tot ontucht leidt (1 Henoch 8,1-2), en activiteiten verbonden met magie en astrologische vormen van waarzeggerij (1 Henoch 8,3). De verspreiding van cultuur onder de mensheid wordt zo toegeschreven aan de gevallen engelen en negatief beoordeeld.

De wereld is door dit alles veranderd en er wordt beschreven hoe de mensen een geschrei aanhieven na de slachting van de reuzen (1 Henoch 7,6; 8,4). Hun weeklacht bereikt de hemel, en wordt door de engelen bij God bekend gemaakt, die daarop besluit te in te grijpen. Vier aartsengelen worden op afzonderlijke missies gezonden: Uriël kondigt aan Noach de zondvloed aan (1 Henoch 10,1-3); Rafaël de bestraffing van de verraders van de hemelse geheimen, wat inhoudt dat Asael en de zijnen worden gebonden en in een opening in de aarde gegooid, om veroordeeld daar te liggen op scherpe stenen, tot aan de dag des oordeels (1 Henoch 10,4-8); Gabriël de vernietiging van de reuzen, door ze elkaar te laten uitmoorden (1 Henoch 10,9-10), en Michaël de straf voor Sjemichaza en zijn volgers, zij worden vastgebonden voor 70 generaties onder de aarde om het laatste oordeel af te wachten (1 Henoch 10,11 – 11,2). In de daaropvolgende hoofdstukken (1 Henoch 12 – 16) wordt beschreven hoe de Wachters Henoch vragen een verzoekschrift om vergeving bij God in de hemel te brengen. Henoch stijgt in een visioen ten hemel, maar God wijst het verzoek af. Hun gedrag is niet alleen een vergrijp tegen de Allerhoogste voor het verstoren van de scheppingsorde, maar ook een tragedie voor de Wachters zelf. Als geesten werden ze verondersteld eeuwig te leven, maar door het huwen met menselijke vrouwen hebben zij zichzelf sterfelijk gemaakt. Door de afdaling van de Wachters en de openbaring van de geheime kennis is het kwaad in de wereld gekomen.

Ook de reuzen ontsnappen niet aan het oordeel, maar dit betekent niet hun einde. Hun wordt toegestaan te overleven in een radicaal andere vorm, namelijk als kwade geesten (1 Henoch 15,8 – 16,1). Op het moment dat de reuzen worden gedood, stijgen kwade geesten op uit hun karkassen. Dit zijn de aardse geesten, die in contrast met de hemelse geesten op aarde blijven om de mensen, tot aan het uiteindelijke oordeel, schade toe te brengen. Zo zien we hoe zonde en kwaad in de wereld aanwezig kunnen zijn. Mensen zondigen omdat zij misleid zijn door demonen, en demonen bestaan in deze wereld omdat de Wachters zijn afgedaald uit de hemel en met mensen gemeenschap hebben gehad.

Het Boek der Wachters vertoont niet slechts overeenkomsten met de tekst van Genesis, maar ook met literatuur uit de Hellenistische cultuur van die tijd. Men heeft gesuggereerd dat het thema van het onderwijzen van geheime kennis door de Wachters direct beïnvloed is door de Griekse mythen over Prometheus. Zowel Asael als Prometheus rebelleren tegen de hemel en introduceren bepaalde vaardigheden bij de mensheid. Als straf worden beiden gebonden. Onder Prometheus’ vaardigheden wordt ook het winnen van koper, ijzer, zilver en goud genoemd. De allesverslindende reuzen kan men als parallel zien van de titaan Kronos die al zijn kinderen verslindt. Men heeft wel naar voren gebracht dat we te maken hebben met een bewuste toespeling op de Griekse mythologie om zowel kennis van, als afwijzing van de Griekse cultuur uit te drukken. Overigens moet hier wel onmiddellijk aan toegevoegd worden dat, ook als er verschillende thematische overeenkomsten zijn aan te wijzen, we ook hier moeten zeggen dat, net als bij Genesis 6, de tekst niet direct te herleiden is tot één van deze andere teksten.

Zo zien we hoe zonde en kwaad in de wereld aanwezig kunnen zijn.

Latere ontwikkelingen

Het is opvallend dat in de rabbijnse literatuur, anders dan in eerdere vroeg-Joodse literatuur, er geen receptie meer plaatsvindt van het Boek der Wachters. Men heeft wel gesuggereerd dat dit te maken heeft met de positieve waardering van 1 Henoch in het vroege christendom, maar het zou ook goed kunnen passen binnen het bredere kader van een verwerping van het apocalyptisch gedachtengoed en een afwijzing van kosmologische speculaties. In het proces van de totstandkoming van de Joodse canon is 1 Henoch hierdoor geleidelijk uit het zicht verdwenen.

In tegenstelling tot het rabbijnse jodendom zijn in de eerste drie eeuwen van het christendom diverse auteurs in alle delen van de Romeinse wereld bekend met boeken van Henoch, en die door hen als gezaghebbend worden beschouwd. Behalve Judas kan men wijzen op 1 en 2 Petrus, Barnabas, Athenagoras, Irenaeus, Clemens van Alexandrië, Tertullianus en Origines. Henoch werd beschouwd als voorchristelijke getuige van Christus, en zijn werken waren bruikbaar bij de beschrijvingen van het laatste oordeel, terwijl het verhaal van de gevallen engelen gebruikt kon worden voor verschillende doeleinden, waaronder het afwijzen van de zeden en gewoonten van de Romeinse overheersers.

Als voorbeeld kan de vroeg-christelijke apologeet Justinus de Martelaar dienen, die stierf in ongeveer 165 van onze jaartelling. Hij gebruikt het motief van het onderwijs van de gevallen engelen en het gedrag van hun nageslacht om kritiek te kunnen leveren op zijn niet-christelijke tijdgenoten, waardoor de, in zijn ogen, verdorven Grieks-Romeinse cultuur verbonden wordt met de bijbelse geschiedenis.

Nadat het christendom staatsgodsdienst is geworden, verliest het Henoch-verhaal van de engelen sterk aan populariteit. De christelijke canonvorming begint die boeken die niet zijn opgenomen in de Joodse canon uit te sluiten. Ook binnen het christendom kreeg men moeite met het idee dat geestelijke wezens gemeenschap zouden kunnen hebben met vrouwen. Theologische ontwikkelingen, waaronder het groeiende belang van de val van Adam en Eva in de christelijke verlossingsgeschiedenis, maken het moeilijk een lezing van Genesis 6 te accepteren waarbij engelen op een ander tijdstip dan bij de schepping de zonde in de wereld brengen.

In christelijke geschriften wint de interpretatie van de ‘zonen van God’ als de ‘rechtvaardige zonen van Seth’ meer en meer terrein. Op deze wijze verdwijnt 1 Henoch uit het zicht van de hoofdstroom van het christendom. In kleine christelijke kringen, met name binnen het Manicheïsme, bleef de lezing van de boeken van Henoch populair. Daarnaast bleven deze boeken populair in de kloosters in het zuiden van Egypte. Het beeld van Henoch als schriftgeleerde bij uitstek zal daaraan bijgedragen hebben. De Codex Panopolitanus, een Egyptisch manuscript van de vijfde of zesde eeuw, bevat gedeelten van het Boek der Wachters. Het is niet onmogelijk dat door Egyptische monniken de boeken van Henoch (evenals trouwens het boek Jubileeën) in de vierde eeuw in Ethiopië terecht zijn gekomen, waar ze tot op de dag van vandaag gebruikt zijn in de Orthodoxe Ethiopische kerk.

De brief van Judas was er mede de oorzaak van dat 1 Henoch in het vroege christendom als een belangrijke en heel bruikbare tekst werd gezien. Latere theologische ontwikkelingen zorgden er echter toch voor dat het boek uit de belangstelling verdween met uitzondering van enkele kleine christelijke gemeenschappen.

Literatuur

• Annette Y. Reed, Fallen Angels and the History of Judaism and Christianity: The Reception of Enochic Literature (Cambridge: Cambridge University Press 2005).

• Jacques van Ruiten, “Nomadic Angels: Gen 6,1-4 and Reception History.” In: H. Ausloos en B. Lemmelijn (red), A Pillar of Cloud to Guide: Text-critical, Redactional, and Linguistic Perspectives on the Old Testament in Honour of Marc Vervenne (BETL 269, Leuven: Peeters 2014), 247-276.

• James C. VanderKam, “1 Enoch, Enochic Motifs, and Enoch in Early Christian Literature.” In: J.C. VanderKam en W. Adler (red.), The Jewish Apocalyptic Heritage in Early Christianity (Compendia Rerum Iudaicarum ad Novum Testamentum III.4; Assen: Van Gorcum 1996), 33-101 (i.h.b. 35-37).

< Terug