< Terug

‘Jullie zijn mijn getuigen’

5e zondag van Epifanie (Jesaja 43:9-12 en Matteüs 5:13-16)

De perikoop uit Jesaja is een vrij ontoegankelijke tekst. De Nieuwe Bijbelvertaling grijpt behoorlijk in om de tekst enigszins begrijpelijk te maken. Het grote verschil met de meer letterlijke Naardense Bijbel of Herziene Statenvertaling valt meteen op. Het is ook wel belangrijk om te begrijpen waar deze perikoop over gaat. De tekst is er belangrijk genoeg voor. Deze legt daarnaast een stevige bodem onder de bekende woorden uit het evangelie, Matteüs 5:13-16.

Daar zegt Jezus tegen zijn leerlingen: ‘U bent het zout van de aarde’ (Matteüs 5:13). ‘U bent het licht van de wereld’ (Matteüs 5:14). De verleiding kan groot zijn om dit in activistische zin op te vatten: als je volgeling van Jezus wilt zijn, moet je je als zout of als licht gedragen.

Wezenskenmerk

Toch is een andere lijn zinvoller. ‘U bent’ is iets anders dan ‘U moet zijn’. Het is een wezenskenmerk. Een volgeling van Jezus is uit zichzelf al als zout en als licht. Dat is het wezen van zijn/haar discipelschap. Hierin ligt een analogie met hoe in het boek Jesaja wordt gesproken over Israël. Het volk Israël, dat armzalige groepje bannelingen, is uit zichzelf al ‘mijn getuigen’ (Hebr.: ‘edai – Jesaja 43:10.12), zegt JHWH. Dat is het wezenskenmerk van het volk. Het pure feit dat dit volk bestaat, is een getuigenis van de macht van JHWH. Een stel slaven waren ze, onderdrukt in Egypte. Ze zijn tot een volk geworden door JHWH, die hen bevrijdde uit Egypte, die hen door de zee en de woestijn voerde en hun een land gaf om te leven. Hij gaf hun de Tora om hun samenleving vorm te geven in recht en gerechtigheid. Hun identiteit ligt daarin dat ze het volk van JHWH zijn. De profeet herinnert het volk daaraan, omdat ze daaruit hoop kunnen putten dat er ook nu weer een nieuwe toekomst zal zijn. JHWH zal hen weer bevrijden, ditmaal uit de ballingschap. Ze zijn zijn volk.

In een rechtszaak van JHWH

Het begin van Deuterojesaja (Jesaja 40-55) beschrijft een soort rechtszaak van JHWH tegen de andere volkeren en hun goden (zie ook Jesaja 41:1.21-24.26). Deze volkeren en hun goden worden uitgedaagd om hun macht te tonen. Hebben de vreemde goden de wereld geschapen? Hebben zij ooit iets bewerkstelligd? Hebben zij iets geprofeteerd wat later daadwerkelijk is gebeurd? Zijn hiervan getuigen? Nee dus. Hoe anders is Israël. Zij zijn allemaal getuigen – zelfs dus in juridische zin. Getuigen van de ene God, die redt (Hebr.: mosjija‘ – 43:11). De enige God. Dat zijn krachtige woorden, gericht op een volk dat in ballingschap dreigt uiteen te vallen en alle hoop op een toekomst te verliezen. Om getuige te zijn van deze God hoeven ze niets te doen. Als ze zich er maar van bewust zijn. Als ze het maar geloven.

Jullie zijn deel van het verbond

Op die manier kun je ook de woorden uit het evangelie begrijpen. Ze staan direct na de Zaligsprekingen. ‘Gezegend ben je, want voor jou is het Koninkrijk van God.’ Misschien kun je dat doortrekken naar onze perikoop. Gezegend ben je, want je bent het zout van de aarde en het licht van de wereld. Omdat je bij God hoort. Omdat je luistert naar de woorden van Jezus. Omdat je deel uitmaakt van het verbond, om het oudtestamentisch te zeggen. Er is alle reden om het oudtestamentisch te zeggen. De Zaligsprekingen staan vol verwijzingen naar het Oude Testament, en onze perikoop gaat daarmee door. Zout, dat is waarmee je een verbond bekrachtigt en daarmee eeuwigheidswaarde geeft (2 Kronieken 13:5; Leviticus 2:13). De uitspraak ‘Jullie zijn het zout van de aarde’ krijgt daardoor een extra dimensie: jullie zijn er het teken van dat Gods verbond met mensen eeuwig is. Laat dat zout niet zijn kracht verliezen; wees je er dus van bewust dat jullie dat teken zijn.

Laat je licht schijnen

En wat het licht betreft: Jesaja sprak al over Jeruzalem, dat het licht voor de volken zou zijn (Jesaja 60:1-3), de stad waar het licht van JHWH zou schijnen voor allen. De uitspraak ‘Jullie zijn het licht van de wereld’ heeft die gedachte als achtergrond. Daarmee wordt geïmpliceerd: jullie maken deel uit van die stad, jullie zijn Gods volk, door jullie heen wordt zijn luister zichtbaar voor alle volken. Doordat je deel uitmaakt van Gods volk, onderdeel bent van zijn verbond met mensen, straalt Gods licht door je heen. Dat gebeurt vanzelf. Wel is het bepalend hoe je met dat licht omgaat. Laat je het schijnen of stop je het weg? Onder een korenmaat zal het licht uitdoven uit gebrek aan zuurstof. De ‘goede werken’ (Gr.: kala erga – Matteüs 5:16) zijn dus geen ‘losse’ goede daden om te laten zien hoe het hoort. Ze maken deel uit van een levenshouding in het volle bewustzijn onderdeel te zijn van Gods volk. Je hebt niet een lamp die je te pas en te onpas aan moet zetten, maar je bént, samen met anderen die deel uitmaken van Gods verbond, een lamp die je alleen maar de gelegenheid hoeft te geven om zijn licht te verspreiden.

Deze exegese is opgesteld door Marise Boon.

< Terug