De christen en de consument: in hoeverre bijten zij elkaar?

Herman Paul schreef Shoppen in advent, waarin secularisatie en consumentisme de grote woorden zijn die ons brengen bij een bezinning op de waarden van geloof, kerk en Kerst.

Prof. dr. H.J. Paul is hoogleraar Geschiedenis van de Geesteswetenschappen aan de Universiteit Leiden. Van 2012 tot 2020 bekleedde hij een bijzondere leerstoel secularisatiestudies aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Op de keper beschouwd is Shoppen in advent een simpel boekje. Wie alle voetnoten en Engelse citaten negeert, houdt een eenvoudige boodschap over. ‘Kijk aandachtig om je heen’, luidt deze boodschap. ‘Luister zorgvuldig naar wat mensen zeggen. Probeer te begrijpen wat het doet met mensen om te wonen in een van de welvarendste landen op aarde, waar luxe voor velen gewoon is en burgers voortdurend worden uitgedaagd om het “product ik” luid aan te prijzen. En schort daartoe, zo goed en kwaad als dat gaat, je eigen vooroordelen even op. Nauwkeurig observeren vergt een zekere onbevangenheid.’

Het christelijk geloof is een levensbeschouwing, maar ook een levensvorm met rituelen, ritmes en sociale praktijken

Al klinkt dit als een open deur, het is het niet. Shoppen in advent gaat namelijk over secularisatie. In christelijk Nederland is dat een woord, geladen met emoties. Het is gekleurd door verdriet over kerkgebouwen die gesloten zijn en mensen die de kerk vaarwel hebben gezegd. Bovendien wordt secularisatie alom ervaren als iets wat zo mogelijk voorkómen moet worden. Ik heb geleerd om een uitnodiging om over secularisatie te komen spreken te duiden als een variant op de vraag: ‘Wat moeten we doen om mensen bij de kerk te houden?’

Ik vind dat een vraag die ertoe doet, mits zij niet overhaast wordt gesteld. Sterker nog, wil de vraag écht relevant zijn, dan moeten we eerst een andere vraag stellen: ‘Wat is er eigenlijk aan de hand?’ Het heeft geen zin om te brainstormen over prediking of catechese zonder te begrijpen waarom studenten op zondag liever in teamverband gaan roeien dan uit het Liedboek komen zingen, of waarom gemeenteleden die er ’s zondags wél zijn, op maandag geen minuut meer denken aan wat zij daags ervoor hebben gehoord.

Christelijke levensvorm

Op zoek naar een antwoord heb ik de afgelopen jaren met veel mensen gepraat, binnen en buiten de kerk. Daarnaast heb ik boeken gelezen die heel precies in kaart brengen wat mensen zoeken in een kerk, wat hen bindt aan een gemeente of wat hen juist vervreemdt van de kerk. Het zijn vaak Engelstalige studies, over kerkgangers en kerkverlaters op andere continenten dan het onze. Toch denk ik dat ook Nederlandse lezers er veel van kunnen leren, al was het maar omdat je na lezing van zo’n boek met andere ogen naar je eigen gemeente kijkt.

Eén van de dingen die ik scherper ben gaan zien, is dat het christelijk geloof niet alleen een levensbeschouwing is, maar ook een levensvorm: een manier van leven die wordt gekenmerkt door rituelen (bijbellezen, zingen), ritmes (zondagse kerkgang, bidden voor het slapengaan) en sociale praktijken (vrijwilligerswerk, gastvrijheid). Natuurlijk verschillen deze gewoonten per land en kerkelijke traditie: gereformeerden op de Veluwe leven anders dan pinkstergelovigen in Los Angeles. Hóe christelijke levensvormen botsen met andere, valt daarom niet op voorhand te zeggen: dat is afhankelijk van allerlei factoren.

Revolutie in levensstijl

Dát zulke botsingen van invloed zijn op kerkelijke betrokkenheid, blijkt echter uit talloze studies. Neem de kerkverlating in West-Europa in de jaren zestig. Historici zijn het er over eens dat deze primair werd veroorzaakt door een ‘revolutie in levensstijl’. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog steeg de welvaart met sprongen. Werknemers kregen meer vrije tijd dan ooit tevoren. Gezinnen verhuisden naar nieuwbouwwoningen in buitenwijken. Elektrische apparaten deden hun intrede in het huishouden, mede dankzij reclames die vrouwen vertelden dat ze met een wasmachine meer tijd hadden om leuke dingen met hun man en kinderen te doen.

Consumptieve levensstijlen veroorzaken afnemende betrokkenheid op de kerk

‘Leuke dingen doen met het gezin’ werd inderdaad het motto van de jaren zestig. Ouders en kinderen verschansten zich achter de tv of gingen in het weekend met de auto naar het strand. Historici hebben laten zien dat deze nieuwe, ‘consumptieve’ levensstijlen niet de enige, maar wel de voornaamste oorzaak waren van afnemende betrokkenheid op de kerk. Al baden mensen nog voor hun eten, de kerkgang schoot erbij in. Erop uitgaan in het weekend of doe-het-zelven op zolder bleek voor velen té aantrekkelijk.

Tegenkrachten

Suggereert dit voorbeeld dat consumentisme dé grote vijand van de kerk is? Voor deze stelling valt iets te zeggen. Ook hedendaags sociologisch onderzoek, naar kerkverlating in Ierland bijvoorbeeld, wijst uit dat welvaart een belangrijke graadmeter voor kerkbezoek is. Het punt is niet dat rijke mensen geen religieus houvast nodig hebben, maar dat een groter besteedbaar inkomen leidt tot consumptiegedrag dat dikwijls weinig ruimte laat voor kerkbezoek. Tegelijk springt in het oog dat het consumptiegedrag van christenen in veel westerse landen nauwelijks verschilt van dat van anderen. Al kopen ze fairtrade koffie, het aantal auto’s op het kerkplein doet gemiddeld niet onder voor dat bij de meubelboulevard. Daaruit volgt dat wat kerkgangers onderscheidt niet hun blootstelling aan consumentisme is, maar de aanwezigheid van tegenkrachten in hun leven die ervoor zorgen dat zij tóch betrokken blijven op de kerk.

In Shoppen in advent spreek ik daarom over mensenlevens die heen en weer getrokken worden tussen ‘seculariserende’ en ‘de-seculariserende’ krachten. Ik probeer te begrijpen hoe deze krachten eruit zien en hoe mensen omgaan met de spanning tussen beide. Je zou kunnen zeggen dat kerkverlaters de spanning naar één kant laten oplossen: secularisatie wint het in hun levens van de-secularisatie. Maar hoe zit dat bij kerkgangers? Lezend in met name psychologische studies ben ik onder de indruk gekomen van het vermogen van mensen om te switchen tussen rollen en taalvelden, of tussen een kerk waarin de laatsten de eersten heten en een bedrijf dat in agressieve competitie marktleider probeert te worden. Zoals Augustinus al wist: een mens kan meerdere gezichten, soms zelfs meerdere ‘ikken’ hebben.

Consumentisme

Suggereert dit al dat de christen en de consument elkaar niet per se uitsluiten, nog duidelijker wordt dit als we inzoomen op consumentisme. Consumentisme is een duur woord voor iets wat iedereen kent: meer dingen kopen dan je nodig hebt. Dit kunnen materiële, maar ook immateriële producten zijn (denk aan de ‘holiday experience’ die de touroperator belooft). Zo gedefinieerd is consumentisme alomtegenwoordig, vooral in rijke landen als het onze. Wat doet dit met mensen? Consumentisme duwt mensen in de rol van consument. Hoe makkelijker het is om met drie muisklikken spulletjes te kopen die de volgende dag al worden thuisbezorgd – met recht op gratis retourzending als de producten je niet bevallen – des te meer raken mensen eraan gewend een klant te zijn die koning is. Consumentisme kweekt burgers die willen kiezen (‘vergelijk hier alle ziektekostenpremies’) en op hun wenken bediend willen worden (‘vóór 23:59 besteld, morgen geleverd’).

Er bestaat inmiddels een stapel literatuur die laat zien dat dit consumentisme geen halt houdt voor de deur van de kerk. Dat springt het meest in het oog bij mensen die ‘shoppen’ tussen gemeenten of stemmen met hun voeten als de liturgie hun niet aanstaat. Maar iets subtieler zie je hetzelfde bij mensen voor wie de kerkdienst een zondags uitje is, vergelijkbaar met het Concertgebouw of de Efteling, en bij christenen voor wie geloof een lifestyle item is geworden (de één doet aan kickboksen, de ander aan psalmen zingen).

Consumentisme kweekt mensen die willen kiezen en meteen bediend worden

Hoe meer het leven versplinterd raakt, in de zin dat zondag en maandag elkaar niet meer raken, des te groter is de kans dat christelijk geloof een religieus product wordt en de kerkganger een religieuze consument.

Genade en advent

De vraag dringt zich op: ‘Wat valt hieraan te doen?’ Maar ook hier geldt dat we deze vraag niet te snel moeten stellen. Is het überhaupt mogelijk géén consument te zijn? Al zijn er goede redenen om consumentisme ‘de religie van onze tijd’ te noemen, de beeldspraak suggereert ten onrechte dat er iets te kiezen valt. Kinderen zijn in onze samenleving al consumenten vóór ze de leeftijd hebben om mee te gaan naar de kerk. En hoeveel heeft een zzp-er te kiezen die alleen aan werk komt als hij of zij ‘de BV Ik’ strategisch in de markt zet? Consumentisme is geen ideologie, maar een sociaaleconomische werkelijkheid.

Ik zou de vraag ‘Wat valt eraan te doen?’ daarom willen herformuleren tot ‘Hoe gaan we hiermee om?’ Mijn antwoord luidt: laten we in gesprek gaan over situaties waarin het ons niet past een consument te zijn. Iedereen voelt aan: in de liefde draait het om andere dingen dan ‘kiezen’ en ‘keuren’. Tegelijk moedigen datingsites zulk consumentengedrag wél aan. Spanning is er ook in hoe wij met onze kinderen omgaan. Ze zijn geen producten met een prijskaartje, hoezeer we ook kunnen bezwijken voor de verleiding ons kroost te kleden op een manier die herinnert aan de logica van de markt.

Parallel hieraan kun je je een gesprek voorstellen over de vraag: ‘Waar botst de consument met de christen?’ Genade, verwachting en wat ik ‘advent’ noem, zijn woorden die slecht passen bij consumentisme. De consument in ons zal bij deze woorden dus voortdurend bepaald moeten worden – niet rationeel, maar dieper, op het niveau van verlangens die onze levens sturen. Niets is belangrijker voor consumenten dan dat zij gestimuleerd worden in een verlangen dat uitstijgt boven een ‘I want it and I want it now’.

… in gesprek gaan over situaties waarin het ons niét past consument te zijn…

Als de kerkdienst een product is op een religieuze markt, is het niet gek dat klanten overlopen naar de concurrentie. Maar als de kerkdienst een oefening wordt in ‘consuminderen’ – hier leren wij niet te shoppen, maar van genade te leven – voedt hij een ander ‘ik’ dan dat van de consument. Hoe breed de consument in ons zich ook maakt, in de kerk krijgt hij zijn plaats gewezen: het laatste woord zal hij niet hebben.

Tags:

Meer Geloofsverdieping & Kerk en wereld