< Terug

Kerk 3.0, over dominee 2.0 en verder na haar voortbestaan

Dominee 2.0 blijft voortbestaan wegens gebrek aan ophef.1 Gelukkig blijken ook hemelbestormers over een milde ironie te beschikken, al is het dan op de rand van de afgrond. En gelukkig is dominee 2.0 toch niet afgeschaft. Want de hartenkreet van een groep jonge honden mag een uitgedoofde steekvlam lijken, de urgentie wordt er niet minder van. Snijden de vragen en opmerkingen van de jonge theologen die zich verenigden onder de naam ‘dominee 2.0’ hout, en zijn zij de vertegenwoordigers van een nieuwe toekomst? Aan de hand van uitspraken die op hun weblog verschenen zal ik een inventarisatie maken, daarbij de beweging trachten te plaatsen in grotere ontwikkelingen binnen de theologie en godsdienstfilosofie, en tenslotte verstout ik mij ongenuanceerd enige boude aanbevelingen te doen. 

Initiatief

Even een kort overzicht: in het voorjaar van 2012 volgen Robert Stigter en Bettelies Westerbeek de Hydepark-cursus ‘de theoloog wordt predikant.’ Vrucht van de cursus wordt het manifest ‘dominee 2.0,’ een vlammend betoog waarin deze aanstormende jonge predikanten lucht geven aan hun zorgen om de toekomst van de kerk. Het manifest, op het gelijknamige weblog gepubliceerd op 9 juli 2012, trekt veel aandacht en mag op veel herkenning en bijval rekenen. Vóór de zomer wordt er heel wat afgeblogd en kunnen er veel reacties worden geturfd. De vakantie is een kennelijke onderbreking, met slechts één bijdrage in augustus, maar vanaf september stoomt het schip weer op met dertien bijdrages en vele tientallen reacties in 2012. Dan daalt het stof neer. In maart 2013 publiceert het blog een artikel dat eerder In de Waagschaal heeft gestaan en lanceert het in april 2013 haar initiatief ‘Dominee-date.’ De fut lijkt er voorgoed uit als pas op 12 februari 2014 de volgende blog verschijnt met de mededeling dat de ‘ophefdag’ niet doorgaat wegens gebrek aan belangstelling.
Dominee 2.0 lijkt slechts een korte oprisping te zijn, maar de zorgen die worden uitgesproken zijn maar al te acuut, en bepaald niet verdwenen met het inslapen van dit initiatief. Waar gaat het dan precies over? Het manifest getuigt van bevlogenheid en liefde voor de kerk, die zeer wordt beproefd door de sombere prognoses voor de Nederlandse kerkelijkheid: ‘jij doet straks het licht uit?’2 Het goeddeels ontbreken van de leeftijdscategorie 20-35 is daarbij zorgwekkend, en zelf zijn deze jonge theologen ‘9 van de 10 keer de jongste onder de kerkgangers.’ Toch signaleren zij dat ook hun generatie ‘open staat voor spiritualiteit en zoekend is naar identiteit.’ Maar voor haar geestelijke noden is de kerk nauwelijks meer aansprekend. De opstellers herkennen de stoffigheid van de kerk en hebben grote aarzeling om ook zelf de fuik in te zwemmen. Het manifest hekelt de kerkelijke vaagheid en signaleert een grote theologische schroom om concreet over God te spreken. Het voelt zich beperkt door ‘vaste kaders en 17-eeuwse vormen,’ en vreest het ‘vastomlijnde takenpakket van verjaardagsvisites, gemeenteavonden en vergaderingen.’ De kerkelijke blik is naar binnen gericht; niet zelden blijft de wervende, missionaire activiteit ‘beperkt tot de jaarlijkse rommelmarkt.’ Dringend behoefte is er daarom aan ‘experimenten, met nieuwe vormen en nieuwe woorden,’ maar is daarvoor in de kerk wel ruimte? Aan enthousiasme en visie geen gebrek, maar de opstellers bekennen ervaring te ontberen, en verlangen daarom bijstand, coaching. En hebben bovendien drempelvrees; wat halen ze op hun nek als ze de oubolligheid binnenstappen?

Ambtsangst
Met hun geventileerde ‘ambtsangst’ lijken de dominees 2.0 inderdaad deel van de Generatie Y, die zucht onder de gevolgen van gepamperde maakbaarheid. Opgejut door de afrekencultuur is het misschien veiliger te ‘duiken’ dan verantwoordelijkheid te nemen? Opvallend genoeg betreuren de aanstormende predikanten het verwerpen van de junior-predikant door de synode. Terwijl je zou denken dat jongeren graag voor vol zouden willen worden aangezien, prefereren ze om aan de hand van een gelouterde coach de fijne kneepjes van het vak te leren. Maar is het niet juist de generatie van oudere predikanten onder wiens bezielende leiding de zeggingskracht van de kerk voor jongeren bepaald niet is gebleken; op voorhand niet de beste raadgevers om jongeren terug in de kerk te krijgen?
De vragen die dominee 2.0 oproept laten zich echter niet gemakkelijk in een generatiekloof afrangeren. Vanzelfsprekend rijst ook de vraag naar de opleiding van de komende professionals. Zijn ze wel voldoende toegerust voor hun taak? Sluit de academische vorming wel voldoende aan bij de kerkelijke praktijk? Natuurlijk een bekende klacht, en een klacht van alle eeuwen. (Ooit werd ik predikant zonder ook maar één college over het gebed te hebben gehad; het belangrijkste instrument in het pastoraat moest ik in de praktijk leren hanteren.) In een reactie op het manifest wijst Gerrit Immink op deze kwestie en betoogt terecht dat de theologische opleiding nooit de kloof met de concrete geloofspraktijk volledig kan afdichten.3 Immink heeft op zich gelijk, maar hij slaat de plank toch mis. De klacht is in feite niet het ‘gebrek aan praktijk;’ het is de praktijk zélf die het probleem is. Er is voldoende aandacht voor de kerkelijke praktijk, maar zou het de vraag moeten zijn waarom die kerkelijke praktijk kennelijk geen zeggingskracht meer heeft in de huidige context: ‘we leren om op de winkel te passen die PKN heet … onze context vraagt naast dat ook om een andere focus.’4 Hiermee wordt een veel diepere kloof zichtbaar: die tussen kerk en samenleving, tussen geloof en secularisatie. De relevantie van het christelijke geloof voor het huidige geleefde leven is volstrekt onduidelijk geworden. De noodkreet van de 2puntnullers raakt het hart van kerk, theologie en geloof.

Word concreet
Maar juist op het punt van de concrete geloofsrelevantie tast ook dominee 2.0 in het duister: zo makkelijk om concreet te worden blijkt het niet te zijn: ‘lastig omdat God die zo moeilijk in woorden te vatten is daar een grote rol in speelt.’5 Ik parafraseer hun concreetste aanbevelingen:6 doelgroepgerichte gemeenschappen faciliteren zodat in een veilige setting gesproken kan worden over geloof, bezieling en (maatschappelijke) verandering. Benader de doelgroep ‘jongere’ niet met onpersoonlijke flyers en vooral niet met acceptgiro’s, waak voor afgedwongen participatie en voorkom een concurrentie-kerk. Werk gavegericht en laat binnenkerkelijke scherpslijperij achter je, maar ‘wees duidelijk over wie je bent en laat ruimte aan mensen om daar vervolgens iets van te vinden.’ Zeker, allemaal doen en waar nodig: laten. Maar terecht wordt opgemerkt dat ‘eindeloos veel verschillende vormen al zijn geprobeerd’ zonder dat dit soelaas bood. Sterker: ‘hoe vaker je die [vormen] verandert, hoe groter de leegloop van je kerk.’7 De roep om nieuwe vormen en nieuwe woorden blijft leeg als onduidelijk is wàt precies verwoord en gevormd moet worden. Een zwabberende kerk die maar blijft experimenteren met vormen zal niet de oplossing zijn.
‘Hoe dan wel?,’ is een vraag die op de weblog regelmatig terugkeert, en daar zit ongetwijfeld de grote verlegenheid. Een duidelijk antwoord is niet makkelijk voorhanden, maar het verlangen is er niet minder om. Kennelijk zijn kerk en geloof dierbaar en betekenisvol en bestaat de behoefte zorg voor hun toekomst te hebben. Misschien zou de eerste vraag dan toch moeten zijn: waarom eigenlijk? Wat is er zo belangrijk om het geloof levend te houden en de kerk open? In hun zoektocht hebben ook de dominees 2.0 de keuze moeten maken voor het geloof en hebben ze ‘ontdekt dat het evangelie ook relevant is voor ons leven.’8 Toch blijft steeds onduidelijk wat die relevantie dan behelst, en blijft onduidelijk waar het in het geloof en de kerk dan eigenlijk om gaat. In dat geval is het niet vreemd dat een jonge collega zich geregeld afvraagt: ‘heb ik echt iets te zeggen?’9 Als dit de vraag is, dan is ook de ‘ambtsangst’ goed te plaatsen. De jonge collega’s zien de verantwoordelijkheid voor geloof en kerk op zich afkomen en hebben daar terecht hun aarzelingen bij: kan ik dat wel aan? Met een kerk die in doodsnood verkeert is dat een forse opgave, die juist twintigers aan den lijve ervaren. Als eenzame jongeren in een vergrijsde kerk, vormen zij de hoop voor de toekomst. En worden als strohalmen aangegrepen: ‘ah, een jongere, die gaat ervoor zorgen dat wij kunnen blijven doorgaan met wat we doen.’10

Dienstwerk
Laten we in de eerste plaats vaststellen dat het niet de jongeren zijn die een probleem hebben, maar de kerk.11 Dat mag een geruststelling zijn voor de dominees 2.0, die er ook in een eventuele bediening, niet alleen voorstaan. En dat ook niet willen: ‘we [zijn] door Christus zijn geroepen tot onze taak.’12 Dat kan een flinke ontspanning geven. Het predikantschap mag dienstwerk zijn, en mag met alle kwaliteiten en tekortkomingen worden waargenomen. Dat lijkt mij de essentie van het ambt: het wordt je toevertrouwd. Misschien zien we in de aarzelingen van de net afgezwaaide theologen de onbedoelde gevolgen van de ‘professionalisering’ van het ambt? Predikanten zijn niet meer de vrijgestelde ambtsdragers die hun werk naar eigen inzicht in kunnen vullen, maar moeten voldoen aan een flinke lijst competenties. Hiermee kunnen verantwoordelijkheden worden gemanaged, maar al te gemakkelijk verglijdt het naar de institutionalisering van het schaap met de vijf poten. Een professional dient immers met alle competenties uit de voeten te kunnen. Is de gesignaleerde ambtsangst een gevolg van opgeschroefde verwachtingen? Met deze ontwikkelingen houdt de kerk, en de opleiding, pas met de maatschappij, maar het zou wellicht verstandig zijn ons nogmaals en meermaals te beraden of we dit pad wel op willen.
De dominees 2.0 zien op tegen de verwachtingspatronen in de gemeente die geen ruimte over zou laten voor waar de nood van kerk het meeste jeukt: de aantrekkingskracht voor hun generatiegenoten. Met de nodige moeite pogen ze niet al te badinerend te doen over verjaardagspastoraat, rommelmarkten en vergaderingen, maar de handen gaan pas jeuken bij de belangrijke taak de kerk weer vol te doen stromen met leeftijdsgenoten. Toch gaat het niet aan om vol cynisme, bijvoorbeeld, een samenkomst van de synode te diskwalificeren, alsof die een opwekkingsmoment zou moeten zijn.13 Het grote risico van de zelfverklaarde voortrekkersrol is dat er een impliciete splitsing op gang komt tussen de voorhoede, die eindelijk eens wat gaat doen aan het probleem, en de gezapige achterblijvers, die het probleem maar niet willen zien. Niets is zo dodelijk voor het kerkenwerk als een dergelijke splitsing, zoals iedereen weet die weleens een interne heibel heeft meegemaakt (en helaas zijn dat velen). Terecht schetst het weblog de kerk als ‘een gemeenschap van heiligen,’ en de basis daarvan is niet een gelijke overtuiging, niet eens een gezamenlijk doel, maar het ‘vertrouwen op God.’14 Vanuit dat vertrouwen mogen predikanten hun dienstwerk oppakken: niet hun competenties bepalen het succes van de bediening, maar de trouw aan de roeping van de Heer. Daartoe krijgen voorgangers ook de handen opgelegd, en belooft de gemeente hen te dragen in haar gebeden. Laten we dat niet onderschatten: de gemeente behoort wel degelijk de initiatieven van haar voorgangers te ondersteunen, maar andersom kan het niet om de persoonlijke hobby’s of zelfs zorgen van de predikant gaan. Daarom ligt aan de gemeente de vraag voor wat we eigenlijk aan het doen zijn. Waarom we dat doen en, ten slotte, waarom dat zo weinig weerklank meer heeft.

Spreken van God
De vragen van dominee 2.0. zijn herkenbaar, en brengen ons verder dan alleen de klaagzang over verouderde vormen. Wat mij betreft tonen ze een crisis die veel dieper gaat dan dat. Als dat wordt veronachtzaamd lijken we, inderdaad, ‘reclame bedenkers die nog geen product hebben, maar al wel bezig zijn een campagne te bedenken.’15 Het is zeker de verdienste van dominees 2.0, maar ook van heel wat bezorgde gemeenteleden, om die vragen als luizen in de pels aan te orde te stellen. Niets minder dan verlegenheid met de inhoud van het geloof lijkt me hier het probleem. Hoe kunnen we in onze postmoderne context nog over God spreken? Wat is er overgebleven na de kaalslag van de secularisatie? Misschien is het juist op dit punt waar de schoen knelt: in de gedachte dat we over God zouden moeten spreken. Zouden we niet meer van God moeten spreken? ‘Spreken over’ veronderstelt een werkelijkheid die onafhankelijk van ons staat en die een objectieve beschrijving zou behoeven. Voor dit spreken is het een vereiste dat het bestaan van God inzichtelijk gemaakt kan worden. Voor de dominees 2.0 is dit echter niet het probleem; ze twijfelen niet aan het geloof en voelen zich geroepen door God. De vraag of God bestaat is dan niet de kwestie, maar wel de vraag hoe de werkelijkheid van God benaderd en gecommuniceerd kan worden. En daar worstelen de dominees 2.0 mee. De schroom die de kerken wordt verweten, legt het manifest zelf aan den dag: ‘het zwijgt juist over God.’16 Er wordt wel gesproken ‘over praten over God,’ maar Hij zelf lijkt niet ter sprake te komen. Er wordt wel over geloofsgetuigenis gerept, maar niet gegeven. En dat getuigenis is meer dan ooit geboden: ‘waar het om gaat is dat God niet los van mij staat, niet los van mijn gedachten over hem, niet los van mijn ervaringen met hem.’17 Dit is geen God die onafhankelijk van de gelovige al of niet zou kunnen bestaan, maar gaat om een werkelijkheid die al of niet ontsloten en betreden kan worden. Het zou de dominees 2.0 uit het hart gegrepen moeten zijn, lijkt mij. De geloofsgetuigenis gaat daarbij niet om kwezelig exhibitionisme, maar om de verwoording van het religieuze geleefde leven.
De toegang tot deze werkelijkheid ligt niet in een abstracte theologische constructie die gemakkelijk een beschrijving kan blijven. De toegang ligt mijns inziens eerder in het gebed. Daarin wordt contact gemaakt met God. Primair is dat het toenaderings- of verootmoedigingsgebed waarin de gelovige niet zijn of haar successen aan God voorlegt, maar juist de beperkingen en tekortkomingen. Daarin mag de predikant voorgaan, dat hij of zij de mislukking aan God openlegt, en zich niettemin aangenomen mag weten in Zijn liefde. Daarmee is de ervaring van verzoening het inhoudelijke startpunt van de dienstbaarheid: in Zijn liefde is ons leven bewaard, omdat we ons voor Hem niet anders voor hoeven te doen dan we zijn. Het lijkt me een boodschap waar zeker ook in onze huidige context nood aan is. Is het inderdaad zo dat de kerk ‘geen duidelijke meerwaarde’ heeft voor het leven van jongeren en daarmee nietszeggend is geworden?18 De prestatiemaatschappij hijgt iedereen in de nek en put ons allen uit. Slagen en succes zijn de voorwaarden voor de zelf verworven identiteit, en de onvermijdelijke mislukking kan geen plaats hebben. Juist daaraan biedt het christelijk geloof alle ruimte; zijn we niet allen tekortschietende zondaren?
Maar is die boodschap nog verstaanbaar? Wenkbrauwen fronsten mogelijk bij de woorden ‘toenaderings- of verootmoedigingsgebed’ en bij het woord ‘zonde’ haken velen meteen af. De oude woorden zijn onbegrijpelijk geworden en nieuwe taal en nieuwe vormen zijn nodig; precies het programma van dominee 2.0. De vraag naar het niveau van de taal moet zeker punt van aandacht zijn, want het kerkelijk jargon werkt vervreemdend voor niet-ingewijden; -en in toenemende mate evenzeer voor ingewijden. Maar kan de boodschap haar kracht behouden als de kerkelijke taal verdwijnt? Gerrit Immink herinnert aan de vrijzinnige theologie van rond 1900.19 Ook toen was de klacht dat het geloof een gestolde waarheid was die niets met het geleefde leven te maken had. Een oplossing kon zijn om alle dogmatische ballast overboord te gooien en de verouderde kerkelijke vormen, inclusief avondmaal en doop, af te schaffen. Maar met het jargon, verdween de hele religiositeit. De taal om de ervaringen te duiden was afgeleerd, kon niet meer worden benoemd en dus niet worden doorgegeven. Een andere optie zou zijn om de religieuze taal juist aan te zetten, en te benutten om het geleefde leven te duiden. Gestolde vormen zouden dan nieuw leven ingeblazen krijgen, als duidelijk kan worden wat ze met het concrete leven te maken hebben.

Voorbij gisteren
Teneinde dit in huis te hebben is een gedegen academische opleiding een vereiste. Toch kan aan Immink de vraag worden gesteld wat hij precies bedoelt als hij meent dat dit een voorwaarde is voor het ‘professioneel handelen’ van de predikant.20 De klacht van veel 2puntnullers is dat het missionaire aspect in de opleiding mist. Gedegen onderwijs in hoe men sprak over God is er voldoende, maar het is een terugkijkende theologie die de traditie in kaart brengt. Kennelijk komt onvoldoende de vraag aan bod ‘wie Jezus is in een cultuur van consumentisme, materialisme en xenofobie.’21 Het ontbreekt aan een analyse en doorgronding van de seculariteit, en dreigt daarmee een theologie van gisteren te zijn. Die klacht lijkt me gegrond, de huidige theologische opleiding is voluit gebaseerd op een hermeneutiek die voorbij is en niet meer terug zal komen. Er wordt uitgegaan van een geopenbaarde waarheid die in het verleden ligt en die opgediept moet worden om pas daarna toepasbaar te zijn.22 Die waarheid is steeds onduidelijker geworden, niet in het minst doordat theologen elkaar steeds meer zijn gaan tegenspreken. Generaties gelovigen zijn afgehaakt omdat predikanten de stellige waarheden van hun voorgangers ontkenden; maar als die voorgangers niet te vertrouwen waren, waarom hun opvolgers dan wel? Voor een wetenschappelijke theoloog wordt het probleem nog nijpender als duidelijk wordt dat de bronnen zelf worden ondermijnd. En dat is wat er in het huidige bijbelonderzoek gebeurt: er is bijvoorbeeld alle reden om aan het bestaan van een canonieke grondtekst te twijfelen.23 En dan wordt het helemaal lastig om nog over God te spreken. Wat rest is, ‘spreken over spreken over God.’ Als we over de toekomst van kerk, geloof en theologie nadenken, dan is een diepgravende herijking van het waarheidsbegrip geboden, en daarmee een heroriëntatie van de hermeneutiek.24 Een voorschot: de voleinding van God ligt niet in het verleden, maar in de toekomst en moet worden waargemaakt. De kerk als lichaam van Christus draagt daaraan bij. En als zij verzaakt, blijft het uit. Dat is dus wel degelijk een flinke verantwoordelijkheid, maar het is een last die licht mag zijn. Omdat het uiteindelijk niet van onze verdienste afhangt, maar onder de hoede staat van Christus.
Het blijven ferme woorden, die ongetwijfeld om uitleg en plaatsing vragen, maar niet per se aan vervanging toe zijn. Uitleg en plaatsing blijft dan de taak van de theoloog die als deskundige een bijzondere verantwoordelijkheid krijgt toevertrouwd. Kerk (en gemeente, als je dat zou willen onderscheiden) horen daarmee hun belofte bij de ambtsaanvaarding van een predikant gestand te doen: meewerken aan het koninkrijk van God. Zeker kan dat niet binnenkerkelijk blijven en moet er ruimte worden gezocht om het evangelie te doen klinken. Maar dat kan alleen als er een stevige inhoudelijke boodschap is. Het oppoetsen van vormen zal geen soelaas bieden als onduidelijk blijft wat het aanbod is.

Nu concreet
Dominee 2.0 was niet de predikant van de toekomst; al te snel heeft zij zich te ruste gelegd. Haar vragen echter dwingen tot diepgaande reflectie. Maar dat is gemakkelijk gezegd en blijft goedkoop als er geen richtingen worden aangewezen. ‘Hoe dan wel?’ blijft de knagende vraag. Daarom mijnerzijds enkele concrete en hopelijk prikkelende aanbevelingen:

  • Jonge collega’s, stop met jammeren. Besef je eigen ontoereikendheid en ga aan de gang met wat je in huis hebt. Leef vanuit de genade, die je niet alleen verkondigen mag maar die je voor mag leven. In feite is deze aanbeveling al achterhaald. De directst-betrokkenen bij ds 2.0 zijn inmiddels allemaal op enige wijze in kerkelijk verband werkzaam. Dat is een achterliggend reden waarom de weblog is opgedroogd; in een face-book groep houden ze contact, wisselen ervaringen en tips uit. Maar de gesignaleerde problemen zijn daarmee nog niet uit de wereld. Daarom nog wat aanbevelingen voor de bredere kerk.

  • Gemeente, knijpt u in de handen dat u voorgangers hebt die toekomst zien in het evangelie en u voor durven gaan. Zoek en vind ruimte om hen tot ontplooiing te laten komen, en blijf hen bemoedigen in hun ambt. Realiseer u dat het dienstwerk een verantwoordelijkheid van de gemeente is, weeg de werkzaamheden van uw voorganger af, en neem taken over waar hij of zij niet aan toekomt. Zorg er kortom samen voor dat het predikantschap een vreugde zal zijn.

  • Kerk, bezin u op uw neiging tot professionalisering; een toverwoord dat zich tegen u zal keren. Het is bedoeld verantwoordelijkheden te kaderen en af te bakenen, en wordt ook door menig beginnend predikant als steun gezien. Maar het ontspruit uit wantrouwen, terwijl vertrouwen is vereist. Dat behelst het competentiedenken, maar dreigt evenzeer in de permanente educatie. Herijk integendeel de ambtstheologie, waarin het ‘herderen- leraar zijn’ niet opgegeven, maar wel nieuw ingevuld moet worden.

  • Opleiding, stel uw studenten bloot aan alle intellectuele verlokkingen van de wereld en laat ze gerust tegen grenzen oplopen. Sta midden in de cultuur en neem die serieus, maar analyseer die ook theologisch. Leg de nadruk op hedendaagse vragen rond consumentisme, materialisme, atheïsme, etc. Behandel de theologische kennis, de rijke schat van de traditie, in dit kader en niet om zichzelfs wille. Ook u dient ruimte te maken, en als tip geef ik mee: schrap de filologie.

  • Theologie, bezint u op uw hermeneutische uitgangspunten. Zeker de protestantse variant is sterk gericht op de Bijbel als historische tekst, hetgeen een modernistische interpretatieleer heeft opgeleverd. Die leer is echter uitgeput, en dat vereist een herijking van de positie van de Bijbel en hoe haar te lezen. Een heroriëntatie van het waarheidsbegrip is daarbij cruciaal.

  • Ten slotte zou ik de cultuur en de samenleving een aanbeveling willen doen: vraagt u af of de dramatische verjonging van het verschijnsel burn-out iets te maken kan hebben met het wegvallen van religieuze zingeving. Om dan uzelf de vraag te stellen of de marginalisering van de religie nog wel een goed idee is.

< Terug