< Terug

Kerk als oefenruimte voor verlangen

In zijn uitleidend artikel zoekt Sake Stoppels naar waar de verschillende auteurs – hopelijk gezamenlijk? – uitkomen. Via Herman Paul en zijn Shoppen in advent legt hij de vraag op tafel ‘of we nog iets met Augustinus kunnen of dat de bordjes definitief zijn verhangen?’…

Dr. S. Stoppels is lector Theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en beleidsmedewerker binnen de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk. Hij is tevens lid van de redactie van Ouderlingenblad.

Veel is in de voorgaande artikelen al langs gekomen. Het refrein is duidelijk: verlangen naar God en het Koninkrijk is wezenlijk, maar bepaald geen automatisme. Het komt ons niet aanwaaien, maar moet steeds opnieuw worden gevoed. In dat kader kwam de kerk als oefenplek al voorbij.

In dit slotartikel pak ik dat nog eens op. Kan de kerk ons op dit vlak helpen? Misschien zelfs rond zaken waar we helemaal niet op zitten te wachten? Het Evangelie is geen zoete koek, er zit ook veel in waar we helemaal niet naar verlangen. Een gezonde kerk heeft ook iets ongemakkelijks. Ik eindig met Augustinus’ adventsverwachting. Die ging gewoon door na 1 januari…

Mag het ook ongemakkelijk zijn in de kerk?

Van heel lang geleden herinner ik me een kerstviering op de middelbare school. Het moet ergens in de jaren ’70 zijn geweest. De docent Frans leidde de viering en had een kale kerstboom zonder naalden neergezet. Hij verwees naar het gebruik van ontbladeringsmiddelen door de Amerikanen in de Vietnamoorlog.

Zware chemicaliën werden ingezet om het oerwoud te ontbladeren. Zo was de vijand gemakkelijker op te sporen. Het werd een uiterst ongemakkelijke kerstviering die kennelijk toch (of juist daarom) indruk op me heeft gemaakt, want tot op de dag van vandaag staat het plaatje me voor ogen. Zijn aanpak was ergens ook typisch ‘jaren 70’. Tegenwoordig zou je er vermoedelijk geen kerstnachtdienst mee vol krijgen. We zoeken – zeker in deze onzekere coronatijd – naar warmte, troost en bevestiging. Daar is op zich ook niks mis mee. Integendeel. Een Engels kerstlied zingt niet voor niets over ‘tidings of comfort and joy’. Er is zeker reden voor vreugde, maar het is niet het hele verhaal. Het kerstkind is immers geen baby gebleven.

Jezus sjort aan onze verlangens en wil ze richten op God en Zijn Rijk

Als ik geluk nastreef, dan kan ik beter een fles port kopen dan kiezen voor het christendom, zei de Britse filosoof en schrijver C.S. Lewis ooit. Mensen die op zoek zijn naar een comfortabel leven, zou hij het christendom ook nooit aanraden. ‘Blijf uit de buurt!’, zou hij ze toeroepen. Het christelijk geloof is gewoon niet comfortabel, maar juist erg hinderlijk. Het nodigt ons uit andere verlangens te gaan koesteren. Mooi is wat de nieuwtestamenticus en bisschop Tom Wright niet zonder zelfspot schrijft: ‘Overal waar Jezus kwam, waren relletjes, overal waar ik kom, schenken ze thee.’ Jezus is zeker geen ruziezoeker, maar het is wel heel vaak hommeles. In de evangeliën lezen we voortdurend over conflicten. Tom Wright heeft gelijk: overal waar Jezus komt zijn relletjes. Hij sjort aan onze verlangens, hij wil ze richten op God en Zijn Koninkrijk. Er klinken schurende woorden die we liever niet horen, schrijft Bert-Jan Mouw. Jezus raadt ons dan ook aan om eerst even te gaan zitten rekenen, voordat we de keuze maken met hem in zee te gaan (Luk. 14:25-35). Want willen we het wel echt? En willen we deel uitmaken van een gemeenschap die zegt zich te willen oefenen in die andere verlangens? En durven we daarbij ook concreet te worden en man en paard te noemen? Barbara Lamain heeft, denk ik, echt een punt met haar constatering dat we vaak te abstract blijven in de kerk.

De kerk als oefenruimte

Ik ga nog even door op dat woord ‘oefenen’. We kwamen het in de voorgaande artikelen al een paar keer tegen. Secularisatie en kerkverlating worden vaak in één adem genoemd. Voor Herman Paul is dat echter te kort door de bocht. Uiteraard hebben de twee veel met elkaar te maken, maar er is meer. We kunnen ook seculariseren zonder onze betrokkenheid bij de kerk op te geven. Dat heet dan interne secularisatie. We blijven meedoen in de kerk, maar innerlijk dooft het vuur of laaien andere, sterkere vuren op. We kunnen het ook nog anders zeggen: onze verlangens liggen dan niet meer vooral bij God en Zijn Rijk, maar bij allerlei andere, meer aardse zaken. Ons ‘ik’ is een strijdtoneel, zegt Paul. Dat levert een belangrijke vraag op voor zelf-onderzoek: welke verlangens geven uiteindelijk de doorslag in het leven dat ik leid? En helpt de kerk me om goed om te gaan met deze veelheid aan verlangens? Is de kerk een plek die voor mij daarin ook een oefenruimte is? Jan van der Wolf noemt in zijn artikel de kerk ‘a school of desire’, een school van verlangen. Dat klinkt mooi, maar is de kerk voor ons ook werkelijk zo’n school, zo’n oefenplek? Als we ons in de kerk leerlingen van Jezus Christus noemen, leren we in de kerk dan ook onze verlangens te richten? Het is goed om daar eens samen over te spreken.

Wordt ons verlangen gewekt naar ‘de dingen die boven zijn’? Worden we geholpen mensen te zijn met een heldere focus?

Tegen dominees en andere voorgangers zeg ik vaak dat ze in de kern heel eenvoudig werk hebben: ze hoeven alleen maar verlangen te wekken naar leven in diepe verbondenheid met Jezus Christus. Dat is alles, meer is niet nodig. Dat is natuurlijk heel kort door de bocht, maar hier ligt wel een kern van ons kerk-zijn, ook voor andere vormingsplekken zoals catechese. Wordt ons verlangen naar ‘de dingen die boven zijn’ gewekt en worden we geholpen mensen te worden met een heldere focus, een gerichtheid die bestand is tegen alle prikkels die elk moment op ons afkomen? Dat zijn vragen waar in een pastoraatsgroep of in een kerkenraad een goed gesprek over gevoerd zou kunnen worden. En waarom ook niet in pastorale ontmoetingen bij gemeenteleden thuis? Als blijkt dat de kerk inderdaad dit verlangen wekt en ‘oefenmateriaal’ aanreikt, dan is het ook de moeite waard te delen waar en hoe dat gebeurt. Dat levert vaak heel persoonlijke en kostbare verhalen op. Bovendien krijgen we inzicht in de momenten en plekken waarin er echt iets met ons gebeurt.

Meedoen op minstens twee plekken

Bij dit laatste sta ik nog wat langer stil. Er zijn kerkelijke gemeenten die van hun leden verwachten dat ze niet alleen regelmatig de zondagse diensten bijwonen, maar in principe daarnaast ook meedoen in een doordeweekse groep of activiteit. Dat is niet om mensen dwars te zitten of op een ongezonde manier te binden, maar om ze de kans te bieden te groeien in hun geloof.

De kerkdienst vraagt om andere momenten voor uitwisseling, ondersteuning en verwerking

We zien in dit nummer de eredienst voorbij komen als plek waar ons verlangen wordt gewekt en gericht. Herman Paul, Bart de Bruin en Barbara Lamain bijvoorbeeld onderstrepen dat. Ze hebben daar ook goede gronden voor, want de eredienst is cruciaal. Ik herinner me kerkdiensten en preken waarin dat verlangen bij mij echt werd aangewakkerd. Waar de preken over gingen weet ik niet meer, maar wel dat er een grondtoon van verlangen in doorklonk: ‘de weg van het Evangelie is in de diepe zin van het woord waar en ik wil die weg gaan.’ Zoiets. Velen zullen dit soort ervaringen hebben. Toch lijkt de Bruin ook te zeggen dat de kerkdienst de kar van dit verlangen niet alleen kan trekken. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft. Andere plekken zijn nodig. Hij noemt bijbelkringen en andere gesprekskringen. We hebben naast de kerkdienst andere plekken nodig en vooral ook verbindingen tussen allerlei plekken. De kerkdienst speelt in haar eentje niet zoveel klaar, ze vraagt om andere momenten voor uitwisseling, ondersteuning en verwerking. In deze corona-tijd is dat extra urgent.

Als ik het persoonlijk mag maken: met alleen kerkdiensten was ik nooit de mens geworden die ik nu ben. Zonder andere plekken – ook buiten de lokale gemeente – was ik misschien niet eens meer een gelovig mens geweest. Meerdere mensen om me heen hebben soortgelijke ervaringen. De commercie weet langs allerlei wegen vaak ongemerkt ons wel te bereiken en verlangens in ons te wekken. Jan van der Wolf stelt vast dat veel reclames heel geraffineerd zijn. Er is heel goed over nagedacht. Daarom moeten we ook meerdere plekken hebben voor het voeden van dat andere verlangen, dat kwetsbaar is en gemakkelijk ondersneeuwt. Harde concurrentie in de wereld van verlangens vraagt om een stevig en gevarieerd aanbod en misschien ook wel om meervoudige deelname.

Tot slot. Dit leven als ‘tussentijd’?

Herman Paul heeft iets met de kerkvader Augustinus. In zijn boekje Shoppen in advent komt hij ook bij hem uit. Voor Augustinus is verlangen naar God uiteindelijk verlangen naar de tweede komst van Jezus Christus. Voor Augustinus is het leven hier en nu het leven in een tussentijd (‘saeculum’ noemt hij dat). Dit leven is dus niet het uiteindelijke leven voor hem, want we blijven innerlijk verdeelde wezens. Onze verlangens schieten alle kanten op. We zijn echter geroepen tot een adventsleven, dat wil zeggen, een leven waarin we met verwachting uitkijken naar de voltooiing, naar God alles in allen. Advent beslaat bij Augustinus dus geen vier zondagen per jaar, maar een heel leven. Barbara Lamain wijst in haar artikel ook op het leven voorbij onze lichamelijke dood.

Op dit punt wordt het spannend, want die adventsverwachting zijn we grotendeels kwijt. Denk bijvoorbeeld aan de afkortingen YOLO (you only live once) en FOMO (fear of missing out). De tijdgeest vraagt van ons om zoveel mogelijk te beleven en intens te leven, want voor je het weet ben je oud en krakkemikkig. Als we het leven hier én nu niet maximaal uitbuiten, is het allemaal zomaar voorbij. De gedachte van ons huidige leven als een ‘tussentijds’ leven staat zwaar onder druk, ook binnen de kerken. Misschien dat we op zich nog wel geloven in een leven na dit leven, maar vaak is dat toch niet het kompas waarop we uiteindelijk varen. Onze cultuur zuigt ons naar het hier en nu toe, het gaat om dit moment, want nú leef je. Kunnen we nog iets met Augustinus of zijn de bordjes definitief verhangen?

< Terug