Betekenisverlies van het christendom

Een vergelijking met Zambia

Het christendom heeft voor veel mensen in Nederland en West-Europa aan betekenis verloren. Het is niet zozeer dat zij het niet meer eens zijn met de antwoorden die het christendom geeft, maar ze stellen de vragen niet meer waar ze een antwoord op zijn. Ze zijn niet meer op zoek naar verlossing van schulden, een genadige of barmhartige God, of verzoening van al onze zonden. Het is zelfs de vraag in hoeverre zij op zoek zijn naar normen en waarden, of de zin van het leven. In Engelstalige literatuur worden mensen die onverschillig staan tegenover religie soms ‘nones’ genoemd.[1] Op enquêtes over godsdienst kunnen mensen het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten ook atheïsme of agnosticisme aankruisen, maar sinds de jaren ’90 kiezen steeds meer mensen voor de laatste optie: ‘none of the above’.[2] Zij vereenzelvigen zich niet met godsdienstige groepen, maar evenmin met antigodsdienstige groepen. Godsdienst is voor hen gewoon niet zo belangrijk, zelfs niet belangrijk genoeg om tegen te zijn. De normen en waarden en zin die ze in hun leven vinden heeft niet te maken met wat bijvoorbeeld het christendom te zeggen heeft. Voor hen is het christendom “een onbekende of exotische wereld geworden”, zoals het rapport God in Nederland het formuleerde in 2016.[3]

In 2011 verhuisde ik zelf naar een mij onbekende en exotische wereld: Zambia. De manier waarop ik mij daar verhield tot de mensen om mij heen, deed mij in veel opzichten denken aan de manier waarop de buitenkerkelijken die ik hier beschrijf zich verhouden tot mij als gelovige. Door mijn ervaringen in Zambia heb ik deze relatie nu van allebei de kanten meegemaakt: als deel van een onbekende, exotische cultuur in Nederland, en als buitenstaander in Zambia. In dit artikel wil ik laten zien hoe een interculturele ervaring – zoals die van een Nederlander in Zambia – kan verhelderen hoe de kerk deze mensen voor wie het christendom zijn betekenis verloren heeft kan begrijpen, en waar ze rekening mee moet houden als ze met hen in gesprek wil.

Eerst zal ik nader ingaan op wie deze groep buitenkerkelijken zijn. Vervolgens bespreek ik wat ik zelf als quasibuitenkerkelijke in Zambia geleerd heb over dit perspectief van buitenaf. Tenslotte trek ik conclusies over wat de kerk hiermee zou kunnen in gesprek met degenen voor wie het christendom een onbekende, exotische wereld is geworden. Waar moeten we rekening mee houden in zo’n gesprek? Allereerst, wie zijn die mensen voor wie het christendom zijn betekenis verloren heeft?

Welwillende onverschilligheid

Niet-religieus zijn is de nieuwe norm in Nederland en in omringende landen.[4] Het is niet zozeer het atheïsme dat groeit, maar het niet-religieus zijn. In Duitsland is recent een onderzoek gedaan naar jonge kerkverlaters uit de Protestantse kerken.[5] In Duitsland doe je belijdenis als je een jaar of veertien bent, de leeftijd dat je nog dingen doet omdat je ouders of grootouders het zo graag willen. Om belijdenis te mogen doen moet je vaak een soort van stempeltjes halen, ten bewijze dat je present bent geweest bij een bepaald aantal kerkdiensten. Na het belijdenisdoen nemen de meeste jongeren vakantie van dat vele kerkgaan, en komen dan nooit meer terug. Dit is niet een bewuste keuze tegen de kerk of het geloof, maar het is voor hen een zich invoegen in de ‘algemeen maatschappelijke normaliteit’.[6] Ze leven hun leven verder zonder de kerk, vaak niet met antigevoelens over het christendom, maar met een ‘welwillende onverschilligheid ten opzichte van kerk en geloof’.[7] De jongeren uit dit onderzoek kennen de kerk van binnenuit. Toch passen ze in veel andere opzichten wel in de bredere trend van mensen voor wie het christendom zijn betekenis verloren heeft en voor wie het christendom een onbekende, exotische wereld is. Zij zijn jong – de ‘nones’ in de Engelssprekende landen zijn doorgaans ook veel jonger dan de fanatieke atheïsten.[8] Ze zijn niet tegen geloof, ze verwerpen net zozeer antireligieuze als religieuze zelfbeschrijvingen.[9] Ze zijn welwillend, maar tegelijkertijd staan ze onverschillig ten opzichte van geloof. Dit is niet een bewuste keuze, maar een je mee laten voeren met wat wordt ervaren als de norm binnen de bredere maatschappij. Verschillende godsdienstsociologen verwachten dat een dergelijke onverschilligheid ten aanzien van godsdienst in westerse samenlevingen alleen maar zal groeien, omdat het de nieuwe norm is nu de meerderheid niet-religieus is, en omdat ‘nones’ er procentueel beter in slagen hun levensbeschouwing over te dragen op hun kinderen.[10]

De welwillende onverschilligheid ten aanzien van geloof en het er automatisch van uit gaan dat niet-geloven normaal is, herken ik van mijn ervaringen met godsdienstles geven op basisscholen en middelbare scholen in Nederland. Geloof en christendom zijn niet goed of slecht, maar hebben gewoon niet zo veel betekenis meer in het leven van veel (jonge) Nederlanders. Voor hen is het vreemd – haast onvoorstelbaar zelfs – dat er mensen zijn die serieus geloven in God, de opstanding en dergelijke. Voor hen is het niet eens een denkmogelijkheid: natuurlijk is dat allemaal niet zo, hoe kun je zelfs maar serieus overwegen dat die dingen waar zijn? Hoe belangrijk geloof voor mij ook mag zijn, voor hen heeft geloof zijn betekenis verloren.

Het is moeilijk vast te stellen hoe groot de groep op dit moment precies is voor wie het christendom zijn betekenis verloren heeft. Twee Nederlandse onderzoeken uit 2015 komen met heel verschillende cijfers voor hoeveel Nederlanders geen religieuze affiliatie hebben: 50,1% en 67,8%.[11] In Nederland lijken meer mensen zich expliciet atheïst te noemen dan in omringende landen, maar in hoeverre dit fanatieke atheïsten zijn voor wie het christendom wel degelijk betekenis heeft, zij het een negatieve, en hoeveel van hen en de anderen vergelijkbaar met de ‘nones’ uit de Engelstalige onderzoeken zijn, is moeilijk vast te stellen. Veel mensen zonder religieuze affiliatie noemen zich wel ‘gelovig’ of ‘spiritueel’, maar hoeveel van hen nu christenen buiten de kerk zijn is niet vast te stellen.

De Britse secularisatieonderzoeker Steve Bruce suggereert dat voor veel mensen geloof niet eens belangrijk genoeg is om het te ontkennen.[12] Als ze gedwongen worden een keuze te maken, kiezen ze het minst specifieke, bijvoorbeeld ‘none of the above’ in de Engelstalige enquêtes.[13]

Geen zinzoekers

In een interview met het Friesch Dagblad in januari 2020 maakte de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, René de Reuver, de balans op: “De toekomst van de kerk in ons land is onzeker,” zo stelde hij, “Niemand kan voorspellen hoe de kerk er over twintig jaar voor staat.”[14] Maar, voegde hij eraan toe, “Wat we zien is dat velen op zoek zijn naar zin en spiritualiteit.” Bruce merkt op dat je de enquêtes waar dit uit blijkt met een korrel zout moet nemen.[15] Als je iemand vraagt of hij of zij wel eens nadenkt over de zin van het leven, kan hij of zij moeilijk nee zeggen. Dan zou deze persoon wel heel bot overkomen. Een macho arbeider zou misschien nee zeggen om te voorkomen dat je denkt dat hij een kunstliefhebber is, stelt Bruce, maar anderszins zullen mensen niet snel ontkennen dat ze wel eens over de zin van het leven nadenken, omdat het alternatief een belediging voor henzelf lijkt in te houden. Het is maar de vraag hoeveel echte zinzoekers er zijn en helemaal als de vraag naar de zin van het leven zo gesteld wordt dat het christendom daar een antwoord op zou kunnen zijn.

Ook al is voor iemand het christendom een onbekende, exotische wereld geworden, in onze samenleving weet hij of zij van het bestaan van het christendom. Het christendom heeft in zijn religieuze functie veel aan betekenis verloren, maar het bestaat nog wel in bijvoorbeeld de feestdagen, het landschap en in de politiek als identiteitskenmerk, zoals in de ‘joods-christelijke-humanistische traditie’ waar Pim Fortuyn en Geert Wilders vaak over spraken.[16] Het christendom heeft een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van de westerse samenleving zoals die nu is, al betekent dat natuurlijk niet dat die samenleving nog steeds christelijk is. Het is erg vergezocht om in het bestaan van democratische waarden of mensenrechten het voortbestaan van het christendom te herkennen.[17] Desondanks is het niet moeilijk voor mensen die een vraag hebben waar het christendom antwoorden op geeft, om die antwoorden te vinden. De groep mensen waar ik het hier over heb, echter, zijn zij die de vragen niet meer stellen waar het christendom antwoorden op claimt te hebben.

De Duitse praktisch theoloog Wilhelm Gräb legt in een artikel over secularisatie uit dat secularisatie oorspronkelijk een begrip uit het recht was: de staat eigende zich bezit en taken van de kerk toe omdat men vond dat die tot haar invloedsfeer behoorden.[18] Het hoort bij een proces van differentiatie en specialisatie van verschillende onderdelen van de samenleving. Het christendom verkerkelijkt en de rest van de samenleving ontkerkelijkt. De kerk wordt ontlast van andere functies en krijgt meer en meer de speciale taak te zorgen voor religie.[19]

Gräb spreekt van betekenisverlies voor de kerk in de moderne samenleving, maar hij ziet ook een blijvende functie voor de kerk in deze nieuwe situatie.[20] Met Schleiermacher ziet Gräb onder alle uiterlijkheden van de godsdienst een basisfunctie in het verbinden van de mens met datgene waarvan hij of zij ultiem afhankelijk is.[21] Deze functie blijft van belang, zo redeneert hij, zij wordt zelfs alleen maar sterker in een samenleving die door differentiatie en globalisering hoe langer hoe onoverzichtelijker wordt. Juist nu zullen mensen des te meer houvast zoeken en de existentiële problemen ervaren waarop het christendom antwoorden gaf, aldus Gräb.[22]

Voor sommigen zal dit misschien zo zijn, maar lang niet voor iedereen. Met godsdienstwetenschapper Paul Gifford zie ik veel mensen in het Westen hun angsten en onzekerheden op andere manieren te lijf gaan.[23] Gifford noemt ontwapeningsverdragen, klimaatprotocollen, de Wereldhandelsorganisatie en het Internationaal gerechtshof, in tegenstelling tot een terugkeer naar het bovennatuurlijke. Existentiële problemen leiden niet meer tot vragen waar het christendom antwoorden op heeft.

Protogebed?

De Nederlandse missioloog en theoloog Bert Hoedemaker keert ook terug naar Schleiermacher in reactie op de secularisatie. In Ik bid dus ik ben probeert hij, net als Schleiermacher, het christelijk geloof uit te leggen aan zijn ‘hoogopgeleide verachters.’[24] Hoedemaker probeert het christelijk geloof te verduidelijken door te onderscheiden tussen wat hij noemt ‘protogebed’ en ‘gebed’.[25] Onder protogebed verstaat hij het persoonlijke zelfgesprek over vragen zoals ‘wie ben ik?’, ‘waar ben ik mee bezig?’ en ‘wat staat mij te wachten?’[26] Iedereen vraagt zich dergelijke dingen wel eens af, veronderstelt Hoedemaker, en in de christelijke traditie zijn die vragen opgenomen in het gebed. Alle uitspraken uit de christelijke traditie moet je volgens hem zien in het kader van zulke vragen. Uitspraken over God, het begin van de wereld, opstanding, leven na de dood, en dergelijke, zijn geen feitelijke claims, maar manieren om te praten over zaken als ‘wie ben ik?’, ‘waar ben ik mee bezig?’ en ‘wat staat mij te wachten?’

Hoedemakers voorstelling van zaken roept de vraag op hoe het kan dat er bijvoorbeeld niet alleen mensen zijn met andere religieuze overtuigingen, maar dat er zelfs mensen lijken te zijn die helemaal geen religieuze overtuigingen hebben, zoals de meeste (jongere) Nederlanders waar ik eerder over sprak. Hebben zij misschien wel de vragen ‘wie ben ik?’, ‘waar ben ik mee bezig?’ en ‘wat staat mij te wachten?’, maar geen taal om daar over te praten?

Hoedemaker veronderstelt dat in de postmoderne cultuur iedereen op zoek is.[27] De niet-religieuze Nederlanders waarover ik hier spreek, zijn echter helemaal niet zo erg op zoek, en in elk geval niet op zo’n manier op zoek dat de christelijke traditie daar een mogelijk antwoord op is. Als zij al iets zoeken, is het niet naar zoiets als het christelijk geloof of welk geloof dan ook. Ten aanzien van alle godsdiensten hebben zij eerder de al genoemde welwillende onverschilligheid. Het is niet zozeer zo dat zij christendom niet als antwoord willen, maar meer dat ze überhaupt de vraag niet stellen waarop de christelijke traditie een antwoord wil zijn. Hebben niet religieuze Nederlanders dan niet de vragen ‘wie ben ik?’, ‘waar ben ik mee bezig?’ en ‘wat staat mij te wachten?’? Het is raar om te zeggen dat ze die vragen niet hebben, maar in elk geval hebben ze dergelijke vragen niet in de vorm van een, wat Hoedemaker noemt, protogebed, niet als vragen die een uitdrukkingsvorm zoeken zoals de christelijke traditie wil zijn.

De groep buitenkerkelijken waar ik het hier over heb, heeft geen zinvraag in haar leven waarover de kerk in gesprek zou kunnen gaan. Als er al existentiële vragen en onzekerheden zijn, dan uiten die zich niet in vragen waarop het christendom een antwoord zou kunnen geven. Er is geen ‘protogebed’ dat voor iedereen gelijk is. Er is geen ‘aanknopingspunt’ (waar Brunner over sprak in discussie met Barth) in hun leven of met de cultuur waar de kerk bij kan aanhaken.[28] Er is, in Kuiterts termen, geen ‘antropologisch vloertje’ om hen op te ontmoeten.[29] Het feit dat zo’n directe verbinding er niet is, is wat ‘nones’ tot ‘nones’ maakt. Ze zijn niet tegen geloof, ze hebben er gewoon geen mening over. Het christelijk geloof is voor hen een onbekende en exotische wereld. Daarom kunnen we over hen wat leren door te kijken naar ervaringen in andere onbekende, exotische werelden, zoals mijn ervaringen als Nederlander in Zambia.

Geloven mensen wel echt?

Er is al veel geschreven over culturele verschillen en verschillen in wereldbeeld. Elders zet ik uiteen hoe ik mijn ervaringen in Zambia duid in het licht van antropologische, filosofische en theologische theorieën over deze diversiteit.[30] Hier wil ik een aantal voorbeelden aanhalen van hoe het is om van buitenaf naar een onbekende, exotische wereld te kijken. Deze voorbeelden kunnen verhelderen hoe het perspectief van de hierboven aangeduide buitenkerkelijken in Nederland ten aanzien van kerk en christendom kan zijn.

In Nederland worden gelovigen vaak beschouwd als mensen met een beetje vreemde, abnormale ideeën over de wereld. Toen ik naar Zambia verhuisde, bleek ik mij ineens aan de andere kant te bevinden. Daar gelooft bijna iedereen in een geestenwereld. Als je in Zambia een tegenslag hebt – een ongeluk, een ziekte of iets dergelijks – dan ben je behekst, of hebben je voorouders je vergeten, of hebben de boze geesten van Satan het op je gemunt. Welke van zulke verklaringen de juiste is, komt vaak niet zo precies, maar het is duidelijk dat elk ongeluk een geestelijke oorzaak moet hebben.[31]

Hoe kunnen mensen dat nu geloven? Denken ze echt dat overal vooroudergeesten rondzweven die je voortdurend influisteren dat je moet oppassen bij het oversteken, en je daarom een ongeluk krijgt als zij niet genoeg aan je denken? Denken ze echt dat iemand met jaloerse gedachten, of misschien ook een kruidenmengsel, kan zorgen dat jij struikelt? Wat vreemd en haast onvoorstelbaar zelfs dat er mensen zijn die dat serieus kunnen geloven! Is Zambia echt een land vol mensen die een beetje gekke, onvoorstelbare dingen zitten te geloven?[32]

Voor westerlingen bestaat de geestenwereld niet, dat weet men in Zambia ook wel, en tussen Zambianen onderling zijn er ook genoeg verschillende opvattingen over de geestenwereld. Eén persoon kan zelfs met verschillende vooronderstellingen tegelijkertijd werken. Hij kan afwisselend aan zijn voorouders offeren, drankjes innemen om hekserij tegen te gaan en een christelijke profeet de boze geesten laten binden.[33] Er is niet een heel specifiek idee over wat er dan echt aan de hand is in de geestenwereld – integendeel zelfs – maar dat de geestenwereld er is en ons geluk en ongeluk veroorzaakt, wordt niet betwijfeld.

Als dit ongeluk niet komt door hekserij, als dit ook niet komt door boze geesten, waar komt het dan door volgens jou, zo werd mij soms gevraagd. Als die ziekte niet gestuurd is door verongelijkte voorouders of door je jaloerse buurman, wie heeft die ziekte dan gestuurd? Ik heb daar geen antwoord op. Dat ongeluk en die ziekte zijn gewoon pech, dat heeft niemand veroorzaakt en niemand gestuurd. De vraag waar dat ongeluk en die ziekte vandaan komen, speelt voor mij niet. Misschien roep ik een keer uit ‘Waarom moet mij dit nu overkomen?!’, maar voor mij zou dat niet een vraag zijn waarop hekserij of boze geesten een antwoord is.[34] Ik heb zo’n vraag gewoon niet.

Als er iets vervelends gebeurt, weet ik niet waarom dit mij nu moet overkomen, maar op zo’n manier dat ik ook niet naar antwoorden ga zoeken. Ik zou mij zelfs niet voor kunnen stellen dat er een antwoord zou zijn. Soms heb ik gewoon pech. Ik zie dat in de onbekende, exotische wereld van Zambia voor deze vragen vele antwoorden zijn, maar ik in mijn leven stel zo’n vraag niet. Als mij in een enquête gevraagd zou worden of ik denk dat ik uitgegleden ben vanwege hekserij, of vanwege een boze geest, of vanwege onenigheid met een voorouder, dan zou ik hier ‘none of the above’ aankruisen. Zelfs wanneer er een optie is die zegt ‘hekserij, boze geesten en voorouders bestaan niet’, dan zou ik nog steeds liever ‘none of the above’ zeggen, omdat de hele vraag voor mij niet speelt. Dat is het eerste aspect van ‘none’-zijn dat ik in Zambia leerde: het kan zijn dat je sommige vragen gewoon niet hebt.

Ongemakkelijke vragen

Niet alleen het bestaan van een geestenwereld was iets vreemds voor mij als Nederlander in Zambia, ook in de kerken daar gebeurden voor mij onbekende en exotische dingen. Bijvoorbeeld bleek het zogenaamde ‘welvaartsevangelie’ erg populair.[35] Het welvaartsevangelie is niet uniek voor Afrika, maar het is daar meer wijdverspreid en algemeen geaccepteerd dan in West-Europa. Volgens het welvaartsevangelie wil God dat mensen rijk en gezond zijn en geeft hij je rijkdom en gezondheid als je genoeg bidt, gelooft of tienden betaalt. Als gelovige kun je welvaart claimen en je krijgt het. Als een gelovige verklaart en verkondigt dat iets – wat dan ook maar – zijn of haar deel is, dan zal dat zo zijn. In kerken en op TV leggen mensen getuigenissen af van hoe hun geloof hen rijk gemaakt heeft en kerkleiders vertellen je dat ze nooit een dag ziek geweest zijn sinds ze het geheim van het welvaartsevangelie door hadden en dat hun luxe leefstijl, met dure pakken en soms inclusief privévliegtuigen, een beloning van God is voor hun grote geloof.

Als buitenstaander keek ik wat ongelovig en kritisch naar deze praktijken die ook door collega’s en studenten aan onze theologische universiteit vaak met enthousiasme begroet werden. Mijn kritische houding werd mij niet altijd in dank afgenomen. Mij werd wel eens verweten dat ik kennelijk Afrikanen rijkdom en gezondheid misgun, en mij werd gevraagd of ik zelf dan niet ook succesvol en gezond en rijk wil zijn. Dat laatste vond ik een moeilijke vraag. Door die vraag voelde ik mij ongemakkelijk.

Aan de ene kant gaan kerk en geloof voor mij niet over succesvol, gezond en rijk zijn, maar aan de andere kant zou ik ook niet willen ontkennen dat God wil dat het mensen goed gaat in alle opzichten. Als ik zou ontkennen dat ik succesvol, gezond en rijk wil zijn, of als ik zeg dat voor mij andere dingen belangrijker zijn, dan klinkt dat zo hooghartig en neerbuigend, alsof ik denk dat ik beter ben dan degene die mij de vraag stelt, en dat is niet wat ik wil zeggen. Als ik echter toegeef dat ik ook wel ergens succesvol, gezond en rijk wil zijn, dan ben ik bang dat ik al weet hoe het verder gaat. Dan zal dat als aanknopingspunt gebruikt worden om te proberen mij ervan te overtuigen ook eens het welvaartsevangelie te proberen. Dan geef ik mensen de ruimte om een voet tussen de deur te zetten in hun poging mij te bekeren tot een vorm van geloof waar ik helemaal niet van gediend ben.

Op de vraag of ik niet gezondheid en rijkdom wil in deze context, zou ik zelfs geen ‘none of the above’ willen antwoorden, maar ik zou over de hele vraag niet willen nadenken. Welk antwoord ik ook maar zou geven, de vraag zelf duwt mij in een richting die ik niet op wil. De vraag plaatst mijn nadenken over mijzelf in een kader waar ik mij niet prettig bij voel.[36] Dit is het tweede aspect dat ik in Zambia leerde: niet alleen stel je sommige vragen gewoon niet, maar sommige vragen wil je ook niet stellen, omdat je vermoedt dat wat je ook antwoordt er iets gaat volgen wat je niet op prijs stelt.

Getuigenissen van ex-satanisten

In kerkdiensten in Zambia waren het niet alleen de getuigenissen over hoe God iemand rijk gemaakt had, die voor mij onbekend en exotisch waren, er waren ook getuigenissen van mensen over wat ze vroeger als satanist allemaal aangericht hadden. In kerkdiensten, op de radio, maar ook van hand tot hand werden deze getuigenissen gedeeld. Een Zambiaanse vriend gaf mij een bestand met zo’n getuigenis om mij ervan te overtuigen dat de geestenwereld toch echt bestaat.

Mijn vrouw deed als godsdienstantropoloog onderzoek naar de getuigenissen van ex-satanisten in Zambia.[37] Satanisme in Zambia is niet een religieuze stroming zoals de Church of Satan in het Westen. Satanisme is meer een veronderstelde internationale samenzwering onder leiding van Satan die kwaad berokkent en in het bijzonder aan christenen. Onder de oceaan hebben ze een rijk met fabrieken waar alledaagse producten gemaakt worden om mensen mee te verleiden, satanisten zorgen voor auto-ongelukken en laten mensen in de kerk in slaap vallen. De meeste getuigenissen van ex-satanisten komen van adolescente meisjes. Ze voelen zich ongelukkig en eenzaam en hebben vervelende dromen, en dan stelt hun dominee de diagnose dat ze satanist zijn. Zonder het te weten zijn ze ingewijd en werken nu ’s nachts onbewust voor Satan – vandaar dat ze vaak ’s ochtends nog zo moe zijn. Met de hulp van hun dominee en op basis van de vele getuigenissen van ex-satanisten die al de ronde doen, herinterpreteren de meisjes hun verleden. Nadat de dominee hen met vurig gebed uit het satanisme bevrijd heeft, vertellen de meisjes hoe ze ingewijd zijn door iets te eten waarvan ze niet wisten dat het satanistisch was. Ze vertellen hoe ze dominees in hun dromen verleid hebben en rampen veroorzaakt hebben. Ze vertellen hoe ze ’s nachts naar de onderwereld onder de oceaan gingen en tot koningin van de kust gekroond werden. Als er in de familie in de afgelopen jaren een geval van ziekte of overlijden was, wordt dat ook opnieuw geduid: de ex-satanist had die persoon geofferd aan Satan.

Deze getuigenissen waren voor mij een onbekende, exotische wereld. Ik ben er niet verbaasd over dat adolescente meisjes vaak ongelukkig, eenzaam en moe zijn. Dat is nu eenmaal zo, voor mij althans. Voor mij is er geen vraag, en als mij al gevraagd zou worden hoe ik het zou verklaren zou mij het ongemakkelijk doen voelen omdat ik dan vermoed dat men mij richting de satanisme-verklaring wil leiden. Er komt hier echter nog een ander aspect naar voren: vanuit mijn buitenperspectief ziet het eruit als een herinterpretatie van de feiten. Ik geloof wel dat er ongelukkige meisjes zijn met verwarrende dromen die wel eens iets gegeten hebben waarvan ze niet weten waar het vandaan komt. Die feiten zou ik niet bestrijden. Maar dat de dominee hier de diagnose ‘satanisme’ bij stelt, dat kan ik niet anders zien dan als een herinterpretatie. Het kan best zijn dat er iemand ziek was of doodging in de familie, maar dat dit een offer aan Satan was, dat is voor mij een onnodige toevoeging – voor mij is het gewoon wat het is. Ik heb er geen vraag bij, een vraag erbij zou mij me ongemakkelijk laten voelen en bij hen die er wel een antwoord bij hebben – zoals deze dominees en ex-satanisten – zie ik een proces van herinterpretatie aan de gang.

Alles anders, alles hetzelfde

Voor onze werkgever, Kerk in Actie, hielden mijn vrouw en ik een weblog bij over onze ervaringen in Zambia. Een deel van die weblogs hebben we gebundeld in een boek onder de veelzeggende titel Alles anders, alles hetzelfde.[38] Allebei die kanten zijn belangrijk om in het oog te houden. Aan de ene kant was leven en geloven in Zambia een onbekende, exotische wereld, met geloof in geesten, het welvaartsevangelie en getuigenissen van ex-satanisten bijvoorbeeld. Aan de andere kant, echter, waren de mensen in Zambia ook gewoon mensen. Onze collega’s en studenten die ons inwijdden in die vreemde wereld, gingen naar dezelfde winkels, deden hetzelfde werk en leefden op dezelfde campus. We leefden, lachten, aten en ruzieden samen, dus hoe anders kan hun wereld dan zijn? Collega’s vertelden verhalen over geestelijke dubbelgangers die sommige dominees gebruiken om in hun plaats te preken, of zakken houtskool die veranderen in een lijk als je ze steelt, maar in het dagelijks leven merkte ik weinig van andere verwachtingen ten aanzien van de werkelijkheid.[39] We leefden in dezelfde wereld, maar dan ineens bleken ze die soms toch heel anders te interpreteren. Hun wereld was onbekend en exotisch, maar tegelijk ook vertrouwd en heel gewoon. Ik was misschien een ‘none’ ten aanzien van hun geestenwereld, maar we leefden tegelijkertijd ook in dezelfde wereld. Voor mij kon die geestenwereld niet anders dan een herinterpretatie van die ene wereld zijn. Dat is het derde en laatste aspect van ‘none’zijn dat ik in Zambia leerde.

Welke conclusies kunnen we hier uit trekken over wat de kerk hiermee zou kunnen in gesprek met deze mensen voor wie het christendom een onbekende, exotische wereld is geworden. Waar moeten we rekening mee houden in zo’n gesprek?

Een open gesprek

Het christendom heeft voor veel mensen in Nederland en West-Europa weinig tot geen betekenis meer. Het is niet zozeer dat zij het niet meer eens zijn met de antwoorden die het christendom geeft, maar ze stellen de vragen niet meer waar ze een antwoord op zijn. Het soort existentiële vragen waar christendom een antwoord op is, leeft niet bij deze buitenkerkelijken. Ze zijn geen nihilisten, maar ze ervaren hun leven als zinvol zonder dat daar geloof in God of een equivalent daarvan aan te pas komt.[40] Die vraag is er gewoon niet, net zoals voor mij de vraag er niet is waarom ik nu net vandaag uitgleed of ziek werd. Voor iedereen zijn er wel bepaalde vragen die zij vanuit hun wereldbeeld gewoon niet hebben. Zo’n vraag naar het verklaren van uitglijden of ziekte kan wel komen, maar dan komt die vraag er pas tegelijkertijd met het antwoord, wanneer de geestenwereld deel uit gaat maken van mijn kijk op het leven.

Wij moeten niet veronderstellen dat er een aanknopingspunt is of dat het er zou moeten zijn. Met bepaalde vragen een aanknopingspunt forceren, maakt een gesprek bij voorbaat al haast onmogelijk. Het laat mensen zich alleen maar ongemakkelijk voelen. Toen bij een gespreksgroep in Nederland eens ter sprake kwam waar geloof goed voor is en iemand suggereerde dat geloof normen en waarden brengt, reageerde iemand anders bozig dat haar onkerkelijke dochter minstens zo moreel is als ieder ander. Door geloof te presenteren als de bron van normen en waarden, suggereer je gemakkelijk dat mensen zonder geloof geen ethiek hebben. Door de kerk exclusief te verbinden met het zoeken naar de zin van het leven, veronderstel je dat buitenkerkelijken geen zinvol leven kunnen hebben. Vragen die voor mensen binnen de kerk direct verbonden zijn met hun geloof, hoeven voor mensen buiten de kerk niet zo te spelen en in elk geval niet zo te spelen dat christendom daar een mogelijk antwoord op is. In plaats van te zoeken naar een aanknopingspunt of een universele vraag, kun je ook accepteren dat die vraag of dat aanknopingspunt pas komen na een bekering.

Een nieuw perspectief

De filosoof Slavoj Žižek spreekt van de circulaire relatie tussen het christelijk geloof en redenen om christen te zijn: pas als je gelooft, zie je die redenen als redenen voor het geloof.[41] Hij vergelijkt dit met verliefd worden: je wordt niet verliefd op iemand vanwege diens lippen of lach, maar omdat je al verliefd bent, zijn die lippen en lach voor jou aantrekkelijk.

In het Nieuwe Testament wordt Jezus gepresenteerd als de verlosser, maar hij is niet het soort verlosser waar mensen naar zochten. Tijdens zijn leven en zelfs na zijn opstanding vragen de leerlingen Jezus of hij nu Israël komt bevrijden van de Romeinen (zie Luc. 19:11, 24:21; Hand. 1:6). Pas nadat de heilige Geest over hen komt, zien ze dat Jezus’ verlossing iets heel anders betekent. Jezus sluit niet aan bij een protogebed dat er al was. Pas vanuit het nieuwe perspectief kun je de vragen van de leerlingen naar verlossing zien als aanknopingspunt. Zolang je dat nieuwe perspectief niet hebt, blijft wat Jezus te bieden heeft niet meer dan een herinterpretatie van de eigenlijke vraag om verlossing.

Vanuit het nieuwe perspectief ziet alles er anders uit, dan verschijnt er een wereld aan aanknopingspunten. De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges stelt dat we na Kafka zien dat allerlei andere schrijvers eigenlijk al vooruitwezen naar Kafka’s werk.[42] Elke grote schrijver creëert zijn eigen voorlopers, aldus Borges. Kafka’s werk is radicaal nieuw, maar nu het er is, zie je hoe het logisch voortvloeit uit al het bekende. Met de komst van Kafka wordt alle literatuur voor hem anders – namelijk vooruit verwijzend naar Kafka – terwijl het tegelijkertijd gewoon hetzelfde blijft als het altijd al was. In de evangeliën is de samenvatting van Jezus’ boodschap dat het Koninkrijk van God nabijgekomen is (Marc. 1:15). Het is geen koninkrijk dat de Romeinen wegjaagt, het is veel dichterbij – zo dichtbij dat eigenlijk alles in het koninkrijk hetzelfde is als het was, maar tegelijkertijd is alles anders. Alles in de werkelijkheid verwijst nu naar God, al zal dit voor een buitenstaander slechts een herinterpretatie lijken.

Besluit

Als de kerk in gesprek gaat met buitenstaanders, met mensen voor wie het christendom een onbekende, exotische wereld is geworden, dan moet ze er rekening mee houden dat in hun leven zoals dat nu is geen aanknopingspunt hoeft te zijn. De vragen waar voor ons geloof zo’n logisch antwoord op is, hoeven bij hen helemaal niet te leven. Het kan het gesprek blokkeren als we proberen hen die vragen toch op te dringen door hen een protogebed toe te schrijven. En het is misleidend hen zinzoekers te noemen als we daarbij denken aan de manier waarop christenen zin zoeken. Van hen uit gezien is geloof alleen maar dat je anders kijkt naar dingen die verder gewoon hetzelfde blijven.

In Zambia hielp het mij om mezelf er steeds aan te herinneren dat alles weliswaar anders was, maar toch ook hetzelfde, dat we toch ook gewoon het leven deelden. Zo zijn christenen ook anders, maar ook gewoon medemensen. Maar wat er voor buitenstaanders uitziet als herinterpretatie, is voor christenen de werkelijkheid. Ondanks het besef dat het dit niet is voor buitenstaanders, kunnen wij de werkelijkheid niet anders dan zo zien. Het is geen keuze maar een perspectiefwissel die ons overkomen is, en één waar we blij mee zijn. Dat perspectief uitleggen – waarin alles anders is en alles hetzelfde – kan gesprek mogelijk maken. In dat gesprek kunnen we alle aanknopingspunten die wij voor ons vanuit dat perspectief zien aanhalen, zonder te veronderstellen dat die zaken er voor de ander hetzelfde uit moeten zien. Zo’n gesprek kan het christendom voor de buitenkerkelijken die hierboven beschreven zijn, een beetje minder een onbekende en exotische wereld maken.

Noten

[1] Linda Woodhead, ‘The rise of ‘no religion’ in Britain: The emergence of a new cultural majority’, Journal of the British Academy 4 (2016), 245-261; Chaeyoon Lim, Carol Ann MacGregor, Robert D. Putnam, ‘Secular and liminal: Discovering heterogeneity among religious nones’, Journal for the Scientific Study of Religion 49.4 (2010), 596-618.

[2] Lim e.a., ‘Secular’, 598.

[3] Ton Bernts, Joantine Berghuis, God in Nederland: 1966-2015, Utrecht: Ten Have, 2016, 181.

[4] Pew Research Center, ‘Why people with “No Religion” are Projected to Decline as a Share of the World’s Population’, www.pewresearch.org (2015).

[5] Tobias Faix, Martin Hofmann, Tobias Künkler, Warum ich nicht mehr glaube: Wenn junge Erwachsene den Glauben verlieren, Holzgerlingen: SCM R. Brockhaus, 2014.

[6] Ibid.

[7] Ibid.

[8] Woodhead, ‘The rise’, 247.

[9] A.w., 249.

[10] A.w., 249; Steve Bruce, God is Dead; secularization in the West, Oxford: Blackwell, 2002, 43.

[11] Hans Knippenberg, ‘The Changing Religious Landscape of the Netherlands, 1971-2016’, in Paul Puschmann, Tim Riswick (red.), Building Bridges. Scholars, History and Historical Demography (pp. 385-420), Nijmegen: Valkhof, 2018, 389; verwijzend naar respectievelijk H. Schmeets, De religieuze kaart van Nederland, Den Haag: CBS, 2016, 5, en Bernts en Berghuis, God in Nederland, 21.

[12] Bruce, God is Dead, 41.

[13] A.w., 138.

[14] René de Reuver, ‘Op naar 2040: De toekomst van de kerk is niet aan ons’, Friesch Dagblad 07 januari 2020.

[15] Bruce, God is Dead, 188.

[16] Voor een kritische respons, zie Maarten van Rossem, Waarom is de burger boos? Over hedendaags populisme, Amsterdam: Nieuw Amsterdam, 2010.

[17] Dit doet bijvoorbeeld: Don Cupitt, The Meaning of the West: An Apologia for Secular Christianity, London: SCM, 2008. Voor terechte kritiek hier op zie: Bruce, God is Dead, 178; en Paul Gifford, The Plight of Western Religion; The Eclipse of the Other-Worldly, Londen: Hurst&Co, 2019, 51-55.

[18] Wilhelm Gräb, ‘Säkularisierung – das Ende der Religion oder der Verfall der Kirchen?’, in: Christina von Braun, Wilhelm Gräb, Johannes Zachhuber (red.), Säkularisierung. Bilanz und Perspektiven einer umstrittenen These, pp. 75-96, Berlijn: LIT, 2007, 77.

[19] Gräb, ‘Säkularisierung’, 79.

[20] A.w., 77.

[21] A.w., 80.

[22] A.w., 95.

[23] Gifford, The Plight, 109.

[24] Bert Hoedemaker, Ik bid dus ik ben; Pleidooi voor de christelijke traditie, Middelburg: Skandalon, 2018, 9.

[25] Hoedemaker, Ik bid, 69.

[26] A.w., 66.

[27] A.w., 10.

[28] Zie bijvoorbeeld: Hendrikus Berkhof, Christelijk Geloof; een inleiding tot de geloofsleer, Nijkerk: Callenbach, 1990, 53.

[29] Harry Kuitert, Kennismaken met Kuitert, Martien Brinkman (red.), Utrecht: Ten Have, 1999, 35.

[30] Hermen Kroesbergen, The Language of Faith in Southern Africa; Spirit World, Power, Community, Holism, Kaapstad: AOSIS Scholarly Books, 2019. Te lezen op: https://books.aosis.co.za/index.php/ ob/catalog/book/117

[31] Zie bijvoorbeeld John S. Mbiti, African religions and philosophy; 2nd edition, Oxford: Heinemann, 1990, 192-195; Kwabena Asamoah-Gyadu, Contemporary Pentecostal Christianity: Interpretations from an African context, Eugene (OR): Wipf&Stock, 2013, 122; Kroesbergen, The Language of Faith, 55-58.

[32] Voor verdere reflectie hierop zie: Kroesbergen, The Language of Faith, 21-78.

[33] Zie bijvoorbeeld het verhaal van antropoloog Adam Ashforth, Madumo; A man bewitched, Chicago: University of Chicago Press, 2000.

[34] Voor verdere reflectie hierop zie: Kroesbergen, The Language of Faith, 63-66.

[35] Voor een historische achtergrond en verdere reflectie hierop zie: Hermen Kroesbergen (red.), In Search of Health and Wealth; The Prosperity Gospel in African, Reformed Perspective, Eugene (OR): Wipf&Stock, 2014; Kroesbergen, The Language of Faith, 279-322.

[36] In het Engels wordt dit ‘framing’ genoemd, zie: George Lakoff, Don’t think of an elephant! Know your values and frame the debate, White River Junction (VT): Chelsea Green, 2004.

[37] Johanneke Kamps, Speaking of Satan in Zambia; The persuasiveness of contemporary narratives about satanism, Utrecht: Quaestiones Infinitae, 2018. De rest van deze alinea is op deze studie gebaseerd.

[38] Hermen en Johanneke Kroesbergen, Alles anders, alles hetzelfde; Leven en geloven in Zambia, Soest: Boekscout, 2018.

[39] Voor reflectie op deze voorbeelden zie: Kroesbergen, The Language of Faith, 25-32.

[40] Zie Wessel Stoker, Is the Quest for Meaning the Quest for God? The Religious Ascription of Meaning in Relation to the Secular Ascription of Meaning, Amsterdam: Rodopi, 1996, 2.

[41] Slavoj Žižek, Event; Philosophy in Transit, Londen: Penguin, 2014, 2.

[42] Aangehaald en besproken in Žižek, Event, 142.

Tags:

Meer Kerk en wereld & Spiritualiteit & Wereldkerken