Inbedding van theologische opleidingen in kerk en maatschappij

Sinds de publicatie van Practical Theology: An Introduction van Richard Osmer in 2008 beleeft het genre van inleidingen praktische theologie een ware hausse. Toen Collaborative Practical Theology van Henk de Roest verscheen, liep ik dan ook niet direct over van enthousiasme, behalve dan dat een collega praktisch-theoloog van Nederlandse bodem dit had gepubliceerd, en nog wel bij Brill in de goede serie Theology in Practice.

Echter, De Roest slaagt er overtuigend in een nieuwe weg te wijzen voor wat hij ‘een ernstige tekortkoming’ in de uitoefening van praktische theologie noemt, namelijk ‘om academische praktisch-theologen, professionele praktijkbeoefenaars, alledaagse gelovigen, adviseurs en studenten bij onderzoek te betrekken’ (blz. 129, mijn vertaling). Ik wil graag een reactie geven op wat dit boek kan betekenen voor opleidingen theologie.

Allereerst roept dit boek veel herkenning op. Na mijn eigen opleiding theologie begin jaren 1980 bleek het inderdaad een enorm karwei de bijbelse talen te blijven gebruiken in de drukke praktijk van het missionaire werk waarin ik toen betrokken was. Hoewel ik bewust ruimte maakte voor academisch leesvoer, ging mijn aandacht vaker naar populaire kerkelijke literatuur die uitmuntte in (veronderstelde) vormen van best practice, die ik wellicht ook zelf kon gebruiken. Het bleek lastig de link te leggen tussen academische vaardigheden en teksten, en de missionaire praktijk. Dit bespeurde ik ook bij vele collega’s. Het etiket ‘ivoren toren’ leek een treffende manier om academisch onderzoek te positioneren – hoe treffend dat De Roest deze metafoor van een historisch kader voorziet en haar rehabiliteert op overtuigende wijze (253-261).

Centrale ideeën

Uit het betoog van De Roest neem ik twee centrale ideeën mee. Ten eerste dat van kennisoverdracht (‘knowledge transfers’). Via consultaties, contractonderzoek, professionele trainingen, mobiliteiten, conferenties, permanente educatie en meer, wordt praktisch-theologische kennis vanuit de academie overgedragen naar de professionele praktijk, en uiteindelijk naar de ‘everyday believer’. De Roest betoogt dat dit juist een tweerichtingsverkeer moet worden, omdat in de professionele praktijk maar ook in de beleving van de gewone gelovige al veel kennis voorhanden is, terwijl er ook belangrijke vragen leven die juist voor academisch onderzoek relevant zijn. Kennisoverdracht is dus meer eenkwestie van wisselwerking dan van een stroom in één richting.

Het tweede centrale idee is dat van leer- of praktijkgemeenschappen. Veel kennis is impliciet ingebed in de praktijken van de kerkelijke gemeenschap en van de professionals die haar dienen. De professionele gemeenschap, met haar conferenties, lees- en intervisiegroepen functioneert als leer- en onderzoekgemeenschap, die een brug vormt tussen academie en praktijk. De theologische reflecties en het theologische onderzoek, die worden beoefend in deze groepen, zijn volgens De Roest onderdeel van academische onderzoeksgemeenschappen. Ook al moet academisch onderzoek een bepaalde vorm van zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarborgen, toch pleit het boek voor een relationele benadering van onderzoek waarin kerkelijke, professionele en academische praktijkgemeenschappen met elkaar worden verbonden tot een overkoepelende praktijkgemeenschap waarin iedere stakeholder een eigen functie vervult.

Bovendien signaleert het boek dat vele stakeholders een ‘crisis of routines’ ervaren, een afbrokkelen of zelfs afbreken van (geloofs)-praktijken, waarbij niet onmiddellijk evident is welke strategie uitzicht biedt in een specifieke situatie. Het wegvallen van traditionele kaders en de daarmee gepaard gaande praktische wijsheid, versterkt de behoefte aan academisch onderzoek, met de verwachting dat evidence-based strategieën opnieuw houvast bieden in vloeibare tijden. De oudere stellingname dat academisch onderzoek ‘puur en fundamenteel’ dient te zijn, en dat dit te zijner tijd wel zal doordringen tot praktijken waarvoor het relevant is, is niet meer voldoende. Het voorstel van De Roest om academisch onderzoek vanaf het begin te ontwerpen en uit te voeren met, door en voor een specifieke (beroeps)praktijk, biedt hiermee kansen om zowel de relevantie van academisch onderzoek vanaf het begin te waarborgen, als aan de behoefte van de praktijk tegemoet te komen.

Het is boeiend te lezen hoe De Roest dat zelf gaandeweg heeft ervaren in zijn theologisch onderzoek en onderwijs aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), met als meest recente resultaat deze monografie. Ik heb dit zelf ook ervaren in mijn onderzoek en onderwijs aan de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) te Leuven. Hoewel de ETF een diversiteit aan evangelische en protestantse tradities vertegenwoordigt, worden stelselmatig bruggen geslagen tussen werkveld en academie, soms formeel door conferenties en consultaties, vaak ook informeel door consulten en bijbelstudies, maar altijd gedragen door een hoge mate van persoonlijke bevlogenheid en betrokkenheid. Toch, als moest worden overlegd met ‘het werkveld,’ werd in ieder geval de vakgroep praktische theologie gevraagd erbij aanwezig te zijn, alsof vooral praktische theologie voorzag in de kennisoverdracht tussen academie en geloofspraktijk. Dat is niet onverwacht, en is ondertussen aan het kantelen.

Kansen voor theologische opleidingen

Dat brengt ons bij de vraag waar het in deze reactie om gaat, wat betekent de benadering van De Roest voor theologische opleidingen? De Roest pleit voor leeren onderzoeksgemeenschappen van pastores en andere professionals,die niet slechts regelmatig academisch onderzoek lezen en verwerken, maar die ook gemotiveerd zijn onderzoek te doen in samenwerking met academische praktisch-theologen of eventueel zelfstandig. Dat opent de mogelijkheid om regelmatig situaties en onderzoeksvragen uit de praktijk in te brengen in academisch onderzoek. De wens tot verdere samenwerking beperkt zich niet slechts tot de afgestudeerde theoloog en professional, maar includeert ook de gewone gelovigen en de kerkgemeenschap. Ook de huidige studenten worden hierbij betrokken, zodat hun studie niet slechts een ‘oefening’ vooraf is, maar al daadwerkelijk participeert in onderzoek.

Dit impliceert een belangrijke democratisering van het onderzoek. Hier zien we minder de expert-onderzoeker als bron van verworven kennis die publiceert en doorgeeft, en waar studenten deze nieuwe kennis straks introduceren in de praktijk. Hier is de academicus meer de netwerker, motivator en facilitator in een breed onderzoeksteam met diverse stakeholders, waarin gezamenlijk nieuwe kennis wordt ontwikkeld. Deze kennis wordt dan doorgegeven via academische kanalen, maar ook via professionele en praktijkkanalen, zodat er diverse kennisstromen ontstaan in allerlei richtingen.

De taak van toerusting verschuift in de richting van het vormgeven van de gelovige gemeenschap als leergemeenschap: samen in staat nieuwe praktijken te ontwikkelen

Kansen voor persoonlijke ontwikkeling

Met deze democratisering van onderzoek verschuift de identiteit van de academicus, de student en de professional. De academicus blijft een inhoudelijke expert, al is de complexiteit en hoeveelheid kennis dusdanig toegenomen dat deze expertise slechts een klein deelgebied beslaat en altijd aanvulling behoeft van andere experts. Als netwerker participeert en initieert de academicus op diverse niveaus in onderzoek. Uit ervaring blijkt dat deze onderzoeken vaak specifieke kerkelijke kaders overstijgen, waardoor men vanuit verschillende tradities elkaar kan bevragen. De toenemende aandacht voor internationalisering maakt conferentiebezoek en wetenschappelijke uitwisseling mogelijk, maar schept ook mogelijkheden om op lokaal niveau professionals en gelovigen te ontmoeten. Wellicht ligt dat voor praktisch-theologen meer voor de hand dan bijvoorbeeld voor bijbelwetenschappers, maar ook deze laatsten hebben er baat bij om te zien hoe elders bepaalde bijbelteksten worden gelezen.

De student is in dit proces niet slechts een tabula rasa die door professoren beschreven moet worden met oude en nieuwe kennis van bewezen academische waarde, maar participeert met eigen vragen en ervaringen in de theologische opleiding. Dat is al vaak zo bij jonge studenten die na hun middelbaar onderwijs direct doorstromen naar een universitaire opleiding, maar dat is zeker zo bij oudere studenten die pas instromen na een eerdere opleiding en jaren ervaring in werk, kerk, gezin en samenleving. Dit biedt kansen om de kenmerken van volwasseneducatie verder door te voeren in de opleidingen (Malcolm et.al. 2005; Merriam & Bierema 2014).

De zogenaamde ‘flipped classroom,’ die nu zo populair is vanwege het gedwongen digitale onderwijs in coronatijd, wordt dan een kans om studenten tot grotere participatie in het onderzoek te verleiden. Zo kunnen studenten al tijdens hun studie deel krijgen aan een bredere onderzoeksgemeenschap. Ik merk dat studenten het waardevol vinden om vooral grote academische opdrachten, zoals een afstudeerscriptie of thesis, op reële problematieken van het werkveld te richten.

De student die op deze manier afstudeert, is al deel van een praktijken onderzoeksgemeenschap, die daarna als professional wordt binnen getreden. Het professionele handelen wordt vooral in die eerste jaren nog sterk ontwikkeld, zoals dat tijdens het hele werkzame leven het geval zal blijven. De professionele identiteit is, echter, niet meer grotendeels bepaald door een redelijk vast omlijnde expertise vanuit een erkende opleiding theologie, maar wordt meer bepaald door het ingewijd zijn in bepaalde vormen van academisch onderzoek en professionele interactie, die tijdens de opleiding al worden beoefend, en die daarna de verbinding blijven vormen tussen academie en praktijk.

De professional wordt een belangrijke verbinding tussen academische onderzoeksnetwerken en praktijksituaties waarin grote behoefte is aan goed gefundeerde kennis over geloofspraktijken. De taak van toerusting, die voor veel professionals een belangrijke focus zal blijven, verschuift hiermee in de richting van het vormgeven van de gelovige gemeenschap als leergemeenschap: samen in staat niet slechts om het geloof op relevante wijze te praktiseren,maar ook om in de ‘crisis van routines’, zoals De Roest beschrijft (135-137), nieuwe praktijken te ontwikkelen aan de hand van relevant academisch onderzoek.

Kansen voor het theologische curriculum

Deze democratisering van onderzoek biedt ook kansen voor de ontwikkeling van het theologische curriculum. Ten eerste biedt het een kans om de studie theologie niet slechts als rationeel, conceptueel en tekstueel te positioneren, maar om haar te verbreden naar verhalen, praktijken en identiteiten. Hiermee ontstaat de mogelijkheid om een grotere en centralere focus op christelijke geloofspraktijken te leggen dan tot nog toe (Barentsen – verwacht 2021).

Vanaf academiejaar 2020-2021 heb ik bijvoorbeeld het vak Inleiding Praktische Theologie meer inductief opgebouwd vanaf een verkenning van diverse geloofspraktijken en hun persoonlijke relevantie voor de student, in plaats van de eerdere deductieve opbouw vanaf benaderingen en modellen van praktisch-theologen tot hun uitwerking in concrete geloofssituaties. In de diverse vakken Praktische Theologie aan de ETF, zoals ook elders, wordt veel gewerkt met casestudies, verbatim, en dergelijke. Deze dienen als illustratie van de (theoretische) collegestof, maar vooral als startpunt voor de ontwikkeling van theologische bezinning.

Dat geldt mijns inziens niet slechts voor praktische theologie, maar voor alle theologische disciplines. Immers, bijbelpassages handelen ook over concrete geloofssituaties en praktijken, al kunnen we ze niet altijd reconstrueren. Echter, een recent nummer van Handelingen over het thema mannelijkheid (december 2020, 47|4) laat zien dat zinvol bijbelwetenschappelijk onderzoek hier belangrijk licht over laat schijnen, juist vanuit het perspectief van gangbare sociaal-culturele praktijken van wat toen gold als ‘mannelijk’ – wat onmiddellijk een link legt met praktijken vandaag. Mijn promotieonderzoek liet zien hoe sommige brieven van Paulus functioneerden als leiderschapsinstrument om de identiteit van de geloofsgemeenschap te hervormen (Barentsen 2011). Dezelfde ontwikkelingen zijn zichtbaar in historische of systematische theologie en theologische ethiek. Het gaat hier steeds over geloofspraktijken in specifieke (geloofs)gemeenschappen in een bepaalde context.

Ruimte om hermeneutische en onderzoeksvaardigheden te verbreden naar menselijk gedrag en praktijken, naast de traditionele focus op teksten en concepten

De focus op geloofspraktijken bevordert de integratie van diverse theologische subdisciplines. Enerzijds heeft iedere praktijk bepaalde bijbelse, historische, systematische en praktische dimensies, zodat diverse subdisciplines op een gezamenlijk onderzoeksobject kunnen focussen. Anderzijds is de brug tussen verleden en heden, traditie en huidige praktijk, makkelijker te slaan door praktijken te vergelijken dan door abstracte theologische concepten met eigentijdse geloofspraktijken te vergelijken.

Daarmee wordt verbinding gelegd tussen verhalen, praktijken en religieuze identiteit.

Ten tweede, naast grotere aandacht voor geloofspraktijken biedt deze democratisering een kans om het sociale leerproces in leeren onderzoeksgemeenschappen beter in het curriculum te verankeren. Naast individuele studieopdrachten kunnen studenten teamwerk leren met groepsopdrachten, niet slechts als afwisseling van didactische werkvorm, maar als principiële keuze ter voorbereiding op de professionele praktijk. In gevorderde vakken zou het zelfs mogelijk zijn om groepswerk aan een professional te koppelen ten behoeve van (onderzoek naar) bepaalde praktijken. Dit heeft natuurlijk zijn lastige kanten, bijvoorbeeld bij de beoordeling van studievoortgang, en bij uitval waar een student de groepsrol niet meer kan vervullen. Maar zeker voor de oudere studenten kan het werken met groepen studenten die studieonderdelen als groep doorlopen (in de VS ‘cohorten’ genoemd), erg aantrekkelijk en motiverend zijn.

Ten derde schept de focus op bredere onderzoeksbetrokkenheid ruimte om hermeneutische en onderzoeksvaardigheden te verbreden naar menselijk gedrag en praktijken, naast de traditionele focus op teksten en concepten. Op de ETF hebben we de laatste jaren regelmatig gewerkt aan het opbouwen van een basisrepertoire van empirische onderzoeksmethodieken, wat leidt tot meer interesse voor en vrijheid in het doen van empirisch onderzoek op bijvoorbeeld het niveau van een masterthesis. Deze ontwikkeling is ook elders zichtbaar. Hopelijk kan dat ertoe leiden dat hermeneutische competenties steeds meer als een dubbele competentie worden gezien, waarin zowel teksten en traditie, als huidige praktijken en de postmoderne maatschappij, als onderwerp voor hermeneutische analyse in aanmerking komen.

Uitdagingen voor toekomstige ontwikkelingen

Deze reflecties over de betekenis van collaboratief praktisch-theologisch onderzoek voor theologische opleidingen sluit ik af met een paar uitdagingen.

Zo plaatst deze ontwikkeling ons voor een belangrijke theologische vraag. Wat is de vindplaats van Gods spreken en Zijn aanwezigheid? Voor velen was en is dat de Schrift, soms aangevuld met de traditie. Dat merk ik sterk bij sommige buitenlandse studenten, maar dit leeft veel breder. In missionair denken is het vrij gangbaar om, met diverse praktisch-theologen, te stellen dat de geloofspraktijk of zelfs het handelen van een (ongelovige) buurtgenoot een vindplaats van Gods aanwezigheid kan zijn. Hoe verhouden die vindplaatsen zich tot elkaar? Waar ligt de bron van het religieuze of kerkelijke gezag?

Of ook: kunnen theologische opleidingen in enige mate tegenwicht bieden tegen de trends van individualisering en autonomie, waar flexibiliteit in het opleidingsaanbod geboden is om aan de behoeften van individuele studenten tegemoet te komen? Gezien de trends naar bredere participatie in onderzoek, de thematiek van eenzaamheid en het verlangen naar gemeenschap, lijken me hier goede kansen te liggen, maar het blijft een uitdaging om een weg in doorgaande (of doorgeslagen) individualisering te vinden.

Het zal ook een uitdaging zijn om de kwaliteitszorg in onderwijs en onderzoek mee te laten ontwikkelen met deze nieuwe vormen van collaboratie, zodat gemeten en geëvalueerd wordt wat wenselijk is voor de ontwikkeling van theologische opleidingen, wat zich verder kan vertalen naar de subsidies en fondsen die nodig zijn voor deze vormen van samenwerking in onderwijs en onderzoek.

Ten slotte stelt deze ontwikkeling nieuwe vragen aan het spanningsveld tussen disciplinaire kennis en professionele kennis. Het is waardevol om in de ‘ivoren toren’ onderzoek te doen binnen een specifiek domein zoals bijbelwetenschappen of praktische theologie. Professionele kennis, echter, is geïntegreerd in professionele praktijken. De opleiding kan niet volstaan met het overdragen van disciplinaire kennis, en de integratie overlaten aan de afgestudeerde professional; er is behoefte aan een andere balans tussen deze twee soorten kennis. Deze integratie blijft aandacht vergen; zodoende hebben we aan de ETF sinds enige jaren een ‘interdisciplinair college’ met de intentie deze integratie een stap verder brengen.

Een laatste uitdaging is de digitale leeromgeving, die na corona des te veelvuldiger gebruikt zal gaan worden. Dit schept goede mogelijkheden voor ontmoeting en overleg met de vele stakeholders in het collaboratieve onderzoek, en ook voor het verzamelen van onderzoeksgegevens. Toch heeft deze digitale omgeving ook invloed op de onderliggende menselijke relaties en de praktijken waarnaar onderzoek gedaan wordt. Dat vergt verdere theologische,antropologische en sociaalwetenschappelijke doordenking.

Met deze uitdagingen besluit ik deze reactie. Graag zou ik het boek van De Roest, samen met deze reactie, voorleggen aan collega’s in de academie en in het werkveld. Zijn deze ontwikkelingen herkenbaar aan andere faculteiten of in diverse professionele situaties? Zien anderen ook de mogelijkheden tot het werven van student-onderzoekers, tot het versterken van het theologische curriculum, om te komen tot bredere participatie in onderzoek ten behoeve van het versterken van professionele en geloofspraktijken … en uiteindelijk ‘for the benefit of the world’, waarmee De Roest zo treffend zijn boek afsluit?

Jack (prof.dr. J.) Barentsen is hoogleraar en vakgroepvoorzitter Praktische Theologie aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven, België.

Literatuur

Barentsen, J. (2021). Embodiment, Identity Formation and Missional Leadership: Roots of Theory and Practice in Theological Education. Acta Theologica, Supplement 31: Integrating theory and praxis in theological education. (Forthcoming).

Barentsen, J. (2011). Emerging Leadership in the Pauline Mission: A Social Identity Perspective on Local Leadership Development in Corinth and Ephesus. Vol. 168. Princeton Theological Monograph Series. Eugene, OR: Wipf & Stock.

Handelingen (47:4, 2020). Mannelijkheid en religie. Zie https://www.theologie.nl/artikelen/geloofsverdieping/mannelijkheid-en-religie/, geraadpleegd op 19 januari 2021.

Knowles, M.S., Holton, E.F. & Swanson, R.A. (2005). The Adult Learner: The Definitive Classic in Adult Education and Human Resource Development (6e ed.). Amsterdam: Elsevier.

Merriam, S.B. & Bierema, L.L. (2014). Adult Learning: Linking Theory and Practice. San Francisco, CA: Wiley.

Meer Kerk en wereld