‘Mijn hakblok is mijn altaar’

Kansen en uitdagingen van theologiseren rond voedsel

Het was een terloopse opmerking die tv-kok Jamie Oliver een paar jaar geleden in een van zijn kookprogramma’s maakte. Maar toen ik hem hoorde zeggen dat zijn hakblok zijn altaar is, veerde ik op uit mijn stoel, liep naar de keuken en keek er rond als was het een heilige plaats. ‘Als voedsel de nieuwe religie is’, dacht ik, ‘wil ik weten hoe dat werkt.’ En ik dacht ook: ‘Als ik als theoloog licht wil werpen op voedsel en hoe we daarmee omgaan, dan moet ik samenwerken met andere wetenschappers die zich met voedsel bezighouden. Maar zitten die wel te wachten op een theoloog?’

Zin in voedsel

Waar je in ons land zestig jaar geleden aan de slagerij waar een vrouw de karbonaadjes kocht (nooit op zondag!) kon aflezen bij welke kerk ze hoorde, op welke politieke partij ze stemde en naar welke school haar kinderen gingen, kun je ook vandaag de dag uit waar mensen hun vlees kopen opmaken wat hun (religieuze of seculiere) levens-beschouwing is.

Wie niet wil dat dieren worden gefokt en geslacht voor consumptie, komt vermoedelijk sowieso niet bij een slager; mensen voor wie vlees goedkoop moet zijn kopen bij de kiloknaller, en wie ‘eerlijk’ vlees belangrijk vindt gaat naar de scharrelslager of koopt via internet een stuk van een koe of varken.

Voedsel zit dus vol betekenissen en waarden, die we er individueel of gezamenlijk aan toekennen. Dat geldt breed. Snert is ‘oer-Hollandse identiteit’ in een pan (het koken van erwtensoep is niet voor niets Nederlands erfgoed geworden). Vlees hoort nog altijd bij feest (zie de ophef over de Kerst-Allerhande die in 2018 ‘te veel’ vegetarische en veganistische recepten bevatte). Superfoods staan symbool voor gezondheid; vasten is zelfbeheersing; een overdadige maaltijd is een gebaar van gastvrijheid; en plofkip is onethisch.

We kennen die betekenissen en waarden dus niet alleen toe aan (onze omgang met) voedsel, we ontlenen er klaarblijkelijk ook van alles aan: ‘je bent wat je eet’, Ludwig Feuerbach zei dat al in de negentiende eeuw. Voedsel is een praktijk die ons bestaan en de zin daarvan bepaalt. We geven ons leven ermee vorm – in iedere cultuur ook nog eens op heel eigen wijze – en we worden erdoor gevormd, soms zonder het te merken.

Voedsel vormt

Hoe sterk en hoe divers voedselpraktijken ons vormen, werd me duidelijk toen onze tienjarige dochter onlangs thuiskwam nadat ze bij een nieuw vriendinnetje had meegegeten.

Het gesprek kwam op hoe mensen omgaan met voedsel en ik was nieuwsgierig: ‘Wat vind jij eigenlijk belangrijk als het over eten gaat?’ Ik kon me niet herinneren dat we het er ooit over gehad hadden.

Ze dacht twee tellen na en noemde drie waarden: ‘Eén: aan tafel eten. Twee: dat we samen eten. Drie: dat het een beetje gezond is.’ (Dat we niet zomaar aanvallen, maar voor het eten bidden, noemde ze opvallend genoeg niet.)

Iedereen heeft een mening over voedsel, noem het een theologie. De top-drie die onze dochter spontaan oplepelde is niet dezelfde als die bij haar vrienden thuis, en bij de buren vinden ze duurzaamheid, smaak, en prijs weer veel belangrijker. Die ‘private’ voedseltheologieën laten, als je ze expliciet maakt, zien dat je niet alleen bent wat je eet, maar ook wat je over je eten gelooft.

‘Je bent wat je eet en ook wat je over eten gelooft’

.

Haar bondige samenvatting onderstreept wat pedagogen al langer zeggen: de overdracht van waarden (ook van levensbeschouwelijke waarden) geschiedt vooral door voordoen en voorleven, niet alleen of vooral door kennis of waarheden mondeling te communiceren.

Iedere ouder zal dit herkennen. Je kunt zeggen tegen je kinderen dat ze niet zoveel moeten snoepen, maar als je zelf elke avond een zak chips wegwerkt en zij de lege verpakking daarvan de volgende ochtend in de prullenbak vinden, kun je wel vergeten dat ze naar je luisteren: ‘Je doet het zelf ook niet!’ Hier geldt ‘practice what you preach’, maar het blijkt vooral dat voedselpraktijken zowel sterk vormen als normeren.

Religieuze taal

Ondertussen zit ons zingevend spreken over voedsel wel boordevol theologische termen. We gebruiken allerlei religieuze taal om aan te geven hoe we ons tot voedsel verhouden. Het advocaatje met slagroom van mijn oma op zondag was ‘heilig’; daar mocht je niet aan komen en je moest ook vooral niet door het ritueel heen praten als ze het met grote precisie – altijd op dezelfde wijze – naar binnen lepelde (eerst de slagroom, en dan van buiten naar binnen, tot het glaasje helemaal leeg was).

Een gerecht kan ‘zalig’ zijn en smaken ‘alsof er een engeltje over je tong piest’. Voedsel kan iets vreemds zijn dat op je afkomt en je verrast (het is onverwacht onsmakelijk of goddelijk lekker): de betekenis ervan kan raken aan wat of Wie van ultieme betekenis is voor mensen (‘het heilige’/‘de Heilige’). Wat je eet, hoe je het eet, of met wie je het eet, raakt zo aan zingeving, aan religie zelfs. Voor Jamie Oliver is z’n hakblok een tempel, voor iedereen is de mond een tempel. Veel mensen in onze cultuur zijn dan wel opgehouden met bidden voor het eten, een maaltijd zelf blijft het vieren van wie je bent, met wie je bent en van wat je van waarde vindt.

Voedsel en theologie

Maar ook zonder die expliciet religieuze taal is er reden om theologisch naar voedsel te kijken. Voedsel drukt uit hoe we omgaan met wie en wat op aarde leeft: mensen, dieren en ander levende wezens.

Voedsel drukt uit hoe we omgaan met wie en wat op aarde leeft

Mijn keuze voor de ene of andere soort bananen geeft vorm aan hoe ik met mijn medemensen omga: die keuze hangt direct samen met de eerlijke of minder eerlijke prijs die een arbeider in Panama of Ghana voor zijn bananen heeft gekregen.

Aan de hand van een klassiek begrip als ‘rechtvaardigheid’, ook als dat woord tijdens je rondgang door de supermarkt niet zo expliciet in je hoofd zit, valt daar theologisch op te reflecteren.

Iets anders is dat voor een maaltijd altijd leven afgesneden wordt: de tomaten in je pastasaus zijn van een plant geplukt en ons brood is gemaakt van de graankorrels die uit een aar komen. Theologisch gezegd: voor ons eten worden offers gebracht. Iedere keuken is een altaar, iedere kok brengt offers om ons in leven te houden en dat leven zin te geven.

Een laatste voorbeeld is de dank die je kunt uitspreken aan het eind van een dinertje bij vrienden thuis: in je ‘bedankt voor de gast-vrijheid’ aan het adres van de gastheer of gastvrouw liggen alle gaven besloten waarmee je bent omringd: het gezelschap en het eten, inclusief de tijd, zorg en aandacht die iemand erin gestoken heeft om voor jou een maaltijd te bereiden. Gastvrijheid is altijd groter dan wat er op tafel komt, voedsel is altijd meer dan eten.

Verbindend gesprekspartner

In het kader van feministische theologie en eco-theologie wordt al langer gereflecteerd op voedsel, vaak in het brede kader van duurzame omgang met de aarde en al wie haar bewonen, waarbij soms inzichten gebruikt worden uit andere disciplines.

Dat is net iets anders dan waar ik mij als wetenschapper-theoloog de komende jaren op wil toeleggen. Ik claim dat theologie nodig is om voedsel te begrijpen.

Of je voedsel nu ziet als de nieuwe religie of niet, onze omgang ermee en ons spreken erover geven alle aanleiding om aan te nemen dat wetenschappelijke theologie (christelijke, maar bijvoorbeeld ook joodse of islamitische theologie) kan helpen om onze omgang met en onze kijk op voedsel beter te doorgronden.

Dit betekent dat onderzoekers op het gebied van voedsel – van voedselproductie tot voedselconsumptie tot voedselverspilling – baat kunnen hebben bij theologische kennis en perspectieven. Ik heb in het afgelopen jaar een aantal onderzoekers ontmoet dat dit zelf ook zo zien.

Baat hebben bij theologische kennis en perspectieven

Gezondheidswetenschappers, bijvoorbeeld, komen in hun onderzoeken respondenten tegen die hun lifestyle wel willen aanpassen en inderdaad gezonder gaan eten, maar aangeven dat ze af en toe toch ‘zondigen’. Consumptie-sociologen die ontdekten dat afhankelijk zijn van de Voedselbank slecht is voor het gevoel van waardigheid van ontvangers van die hulp, moesten diepere vragen naar existentiële lagen van die waardigheid, die gaan over het mens-zijn, links laten liggen. Deze wetenschappers herkennen dergelijke religieuze begrippen en vragen en zien de relevantie ervan, maar kunnen er in hun onderzoeken zelf weinig mee beginnen.

Theologie is een wetenschap met een begrippenapparaat en methoden waarmee je dit soort termen en noties kunt onderzoeken en kennis over de omgang met en betekenis van voedsel kunt vergroten. Bovendien zijn theologen gewend om multidisciplinair onderzoek te doen, doordat de theologie een breed scala aan vakgebieden en benaderingen omvat: van historisch onderzoek tot het bestuderen van literaire bronnen en van filosofie tot praktische theologie die altijd uitgaat van de empirisch waarneembare praktijken van mensen. Daardoor kan de theologie behalve gesprekspartner zijn ook een verbindende rol spelen in het gesprek tussen verschillende wetenschappen.

Open en explorerend

Hiervoor is wel een bepaald soort theologie nodig: een theologie die open en explorerend is en die nieuwsgierig zoekt naar hoe ze kan bijdragen aan het ontwikkelen van kennis. Zoals theoloog Paul van Geest in oktober 2019 in een interview met Trouw terecht zei over zijn aanstelling als hoogleraar aan de economische faculteit van de Erasmus Universiteit: ‘De tijd is rijp voor wederzijdse verrijking.’

Die mogelijkheden tot wederzijdse uitwisseling zijn er niet alleen in verband met voedsel en de economie – omdat theologie zo’n omvattende discipline is, is uitwisse-ling met tal van andere disciplines mogelijk. En niet alleen mogelijk, maar ook verrassend zinnig.

Processen van ontkerkelijking en secularisatie hebben theologen vanaf de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw bescheidener en soms ook verlegen gemaakt over hun ‘recht van spreken’ en het vinden van een eigen stem. Het inzicht dat religie niet ver-dwijnt naarmate een samenleving moderner wordt, wordt onder wetenschappers, ook buiten de theologie en religiewetenschap, inmiddels breed gedeeld.

Het is duidelijk dat mensen blijven zoeken naar zin en samenhang. Dat maakt dat theologen vandaag de dag met eigen begrippen, verhalen en kennis hun stem weer kunnen hervinden. Dat maakt ook dat hun bijdragen in het gesprek in de ogen van andere wetenschappers zo gek nog niet zijn, mits theologen hun begrippen weten te verbinden met de begrippen van die andere wetenschappers. De theologie van de toekomst legt dat soort verbindingen.

Universitaire inbedding

Theologie gaat over alles – dit vak is als het snufje zout dat elk gerecht beter laat slagen – en kan met elke wetenschap in gesprek. Om dit gesprek met andere wetenschappen te laten slagen is theologie nodig op een bepaalde plek: de universiteit.

Daar heb ik inmiddels diverse voedingswetenschappers en gezondheidswetenschappers, economen en antropologen, filosofen en ethici gevonden waarmee ik de verschillende waarden van voedsel probeer te begrijpen en theologisch probeer te duiden. Want je moet elkaar als gesprekspartners wel weten te vinden; fysiek, maar nog belangrijker: in een gedeelde wetenschappelijke grondhouding. Iedere theologische faculteit heeft een universitaire inbedding nodig (en misschien inderdaad zelfs wel een theoloog die gepositioneerd is aan een andere faculteit).

Voedsel heeft wetenschappelijke theologie nodig, die onderzoekt en helpt te begrijpen hoe het goede leven vorm krijgt, en waar. En theologie gaat leven in gesprek met andere wetenschappen. Dan blijkt dat dit goede leven onder andere concreet vorm krijgt in de supermarkt, op het hakblok in de keuken en aan de eettafel.

– Mirella Klomp werkt als praktisch theoloog aan de Protestantse Theologische Universiteit. Zij is een van de oprichters van het Amsterdam Network for Interdisciplinary Studies on Eating (ANISE). Eerder deed zij onderzoek naar de liturgie van migrantenkerken in Amsterdam en naar moderne passies, waaronder The Passion, in de Nederlandse cultuur.

Tags:

Meer Kerk en wereld & Rituelen