Witheid en publieke theologie. Luisteren onderzocht

Onze idealen over hoe het publieke debat eruit moet zien, blijven gecompliceerd door de realiteit van hoe we ingebed zijn in machtsverhoudingen en systemische onrechtvaardigheid. Wat zijn de uitdagingen van ras voor witte theologen die deelnemen aan de Zuid-Afrikaanse publieke sfeer?

Na racisme en kolonialisme, na het tijdperk waarin sommigen het burgerschap en het stemrecht werd ontzegd en niet in staat werden geacht om zelf te regeren, komt publieke theologie, zou men kunnen denken. Na bevrijding vindt men dat publieke theologie een plek is waar alle burgers als gelijken kunnen deelnemen aan het publieke discours over kwesties van openbaar belang. Als je zegt dat we ras nog niet achter ons kunnen laten, trek je de overtuiging dat we in een samenleving leven waarin alle burgers als gelijken kunnen deelnemen in twijfel. Daarmee ontken ik het belang van theologie in de publieke sfeer niet, maar argumenteer ik dat onze idealen over hoe het publieke debat eruit moet zien, gecompliceerd blijven door de realiteit van hoe we ingebed zijn in machtsverhoudingen en systemische onrechtvaardigheid.

Witheid en publieke theologie

De vraag naar de uitdagingen voor witte theologen is gebaseerd op de veronderstelling dat ras belangrijk blijft bij het structureren van het leven in het Zuid-Afrika van na de apartheid, en dat met name ook de Zuid-Afrikaanse publieke ruimte geracialiseerd is. Ras blijft aanwezig in ons publieke discours, ondanks 26 jaar van pogingen tot niet-racialisme en beweringen over het niet zien van ras of het niet racistisch zijn. Linda Alcoff[1] stelt dat ras en geslacht serieus moet worden genomen om te begrijpen hoe systemen van rassen- en geslachtsgebonden onderdrukking functioneren. Als we ras niet kunnen vermommen en dus niet verschijnen als universele, ongemarkeerde burgers, maar de geschiedenis van de apartheid en het witte racisme in ons zichtbare lichaam dragen, moeten we kritisch nadenken over ‘wie heeft het recht om te spreken in openbare debatten die op het plein worden gevoerd?’.

Dit vormt een bijzondere uitdaging voor publieke theologie. Publieke theologie wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd: er zijn verschillen over wat precies onder ‘publiek’ wordt verstaan en wat de juiste manier van theologie in het openbaar zou moeten zijn. De rode draad is dat theologen en kerken kunnen deelnemen aan discussies over het algemeen belang en vorming van publieke opinie. Wat ik hier wil bespreken is dat witte Zuid-Afrikanen zich bewust moeten worden van hoe hun sociale locatie bijdraagt aan zowel hun motivatie voor als hun toegang tot deelname aan de publieke sfeer. Kortom: hoe is publieke theologie verweven met de historische machtsverhoudingen die verbonden zijn met de zichtbare lichamen waarmee we leven en de betekenis die aan deze lichamen wordt gegeven in een geracialiseerde wereld.

In dit artikel laat ik me leiden door Linda Alcoffs observatie dat ‘wie er spreekt, over wie er gesproken wordt en wie luistert zowel een gevolg als een daad is van politieke strijd. Of korter: de discursieve context is een politieke arena’. Haar suggestie is dat we bij het evalueren van pogingen om namens anderen te spreken niet alleen de inhoud van wat er gezegd wordt of de locatie van degene die het zegt moeten analyseren, maar eerder ‘waar de toespraak heen gaat en wat zij daar doet’. Hoewel de inhoud van een verantwoordelijke publieke theologie zeker belangrijk is, suggereert dit dat we ons ook moeten afvragen wat een verantwoordelijke publieke theologie zou zijn, gezien de bijzondere politieke implicaties die mijn deelname aan de publieke sfeer met zich meebrengt en gezien het feit dat ik de mogelijkheid heb om deel te nemen aan de publieke sfeer. Er moet niet alleen worden gekeken naar de inhoud of de bedoeling van mijn woorden, maar ook naar wat er gebeurt als ik besluit om op een bepaalde manier deel te nemen.

Wie heeft het recht om te spreken in openbare debatten?

Wat ik probeer is dus geen universele schets voor een publieke theologie die zich bewust is van hoe ras functioneert. Ik probeer eerder een manier te vinden voor degenen die wit zijn, en we zouden daar, met name voor witte Zuid-Afrikanen, aan kunnen toevoegen dat we werken aan een publieke theologie die zich bewust is van ras.

Publiek discours voorbij

Om enkele problemen van publieke theologie te introduceren, wil ik het hebben over een debat tussen William Storrar, Tinyiko Maluleke en James Cochrane.[2] Storrar beschrijft de taak van publieke theologie als het deelnemen aan het creëren en in stand houden van een inclusieve publieke sfeer. Cochrane’s samenvatting van Storrar geeft de essentie van zijn visie weer:

Een verantwoordelijke publieke theologie […] stelt ons voor twee specifieke uitdagingen: het uitbreiden van de publieke sfeer (zodat meer mensen erin kunnen participeren), en het verdedigen ervan (zodat degenen die participeren vervolgens niet worden uitgesloten van deelname of onterecht worden beperkt in hun mogelijkheden tot deelname).

Maluleke blijft sceptisch over de mogelijkheid van een dergelijke publieke sfeer en beschrijft deze als ‘een massale en precaire veronderstelling’. Hij waarschuwt voor de machtsverschillen, waarbij ‘mannen goden zijn en vrouwen hun overbodige verleidsters, […] witten meesters zijn en zwarten dienaren, […] sommigen veel te eten en te drinken hebben, terwijl anderen niets hebben.’ Maluleke stelt dat publieke theologie zoals hierboven beschreven misschien niet het beste middel is om de benarde situatie van de stemlozen aan te pakken en dat de publieke rol van bevrijdingstheologieën blijvend serieus genomen moet worden. Ik geloof dat Cochrane tot de kern van het probleem doordringt wanneer hij argumenteert dat het bij de aanpak van Storrar toch ook het voorrecht van enkelen van een bepaalde klasse mensen blijft. Maar als dit het geval is, hoe zit het dan met degenen die wel behoren tot die bepaalde ‘klasse’ van mensen die kunnen deelnemen in de geïdealiseerde publieke sfeer? De mannelijke goden, de witte meesters of die een overvloed aan eten en te drinken hebben? Kortom, als deze publieke sfeer waar de vreemdeling zich als burger kan verzamelen en waar de stemmelozen gehoord kunnen worden ongrijpbaar blijft, ondanks onze democratieën, mensenrechtenverklaringen en grondwetten, wat houdt dan een verantwoordelijke publieke theologie in voor degenen die bevoorrecht zijn met toegang tot de middelen om deel te nemen aan deze publieke sfeer, degenen die verondersteld worden goed geïnformeerd te zijn, degenen die zelden onderbroken worden?

Wit zwijgen en luisterkunst

Hoe kunnen degenen die geprivilegieerd zijn door ras in een geracialiseerde samenleving publieke theologie benaderen? Samantha Vice suggereerde dat witte Zuid-Afrikanen, als zij de morele schade erkennen die witheid hen heeft toegebracht:

‘zo rustig en fatsoenlijk mogelijk zouden leven, en zich zouden onthouden van het ventileren van een visie op de politieke situatie in het publieke domein, zich realiserend dat het niet hun plaats is om diagnoses en analyses te leveren, dat het aan zwarten moet worden overgelaten om het land op hun manier te herscheppen.’[3]

Vice’s stilzwijgen is geen terugtrekken uit de samenleving. Haar advies is dat witte Zuid-Afrikanen actief luisteren naar zwarte stemmen en de literatuur van de onderdrukten lezen. Daarnaast, als zwijgen in de publieke sfeer ook zwijgen in de privésfeer wordt, in die zin dat het een weigering wordt om de gevolgen van de witheid te erkennen en na te denken over de situatie, dan is dit een morele mislukking, geen deugdzame actie. Ten slotte moet zwijgen volgens Vice worden beschreven als een poging om de uitgesloten ander in staat te stellen zijn en haar eigen stem te vinden. Ze citeert Paul Taylor:

‘Stilte is in deze lezing de aanvulling op de stem van de ander; het geeft aan dat men openstaat voor de strijd van de ander om woorden te vinden, zowel voor zijn of haar ervaringen als voor het zelf dat is ontstaan door het samenspannen van die ervaringen met het tot uitdrukking brengen van die ervaringen.’

Als we dit in verband brengen met de discussie hierboven, dan kunnen we Storrars begroeting van de vreemdeling beschouwen als een actief proces van uitnodigen van de stemmelozen. Vice’s oproep tot nederigheid eist echter dat de primaire verantwoordelijkheid van witte Zuid-Afrikanen het werken aan onze eigen witheid wordt, terwijl we de ruimte openstellen voor zwarte stemmen om de taak van publieke opinievorming te continueren en deze opinie tot politieke bloei te brengen. Door onze stilte communiceren we openheid om te luisteren naar de onderdrukten, openheid om degenen die uitgesloten zijn uit de publieke sfeer stemmen te laten worden in de vorming van de publieke opinie, met inbegrip van mijn eigen opinie.

Klippies Kritzingers gedetailleerde verkenning van de ‘zwarte theologie’ met implicaties voor een ‘witte theologie’ benadrukte evenzeer stilte en luisteren als de rol voor witte theologen en christenen. Hij ziet dit als een proces van bekering, en hij geeft een bijzonder christelijke reflectie aan de structuur van persoonlijke transformatie. Kritzinger schrijft over de ‘noodzaak voor praatgrage witte theologen om te zwijgen en te luisteren naar wat zwarte theologen zeggen’. Als deze oproep serieus wordt genomen, brengt hij een vorm van luisteren voort die een bekering van witte theologen vereist.[4]

Bruce Janz suggereert dat luisteren een vorm van getuigenis is. Getuige zijn van het naakte leven. Het zijn juist de boze stemmen, de proteststemmen, die moeten worden beluisterd, waarvan we getuige moeten zijn. In het luisteren naar de woede om onrechtvaardigheid van degenen die eronder lijden, worden we geconfronteerd met de (on)mogelijkheid van een meer inclusieve publieke sfeer. We luisteren om getuige te zijn van het naakte leven, om een dieper inzicht te krijgen in de eigen medeplichtigheid aan het voortduren van het onrecht dat voortvloeit uit de manier waarop de wereld, en Zuid-Afrika in het bijzonder, is gevormd door racisme. In plaats van deelname te weigeren, moeten witten openstaan voor kritiek en moeten ze leren om kritiek deel uit te laten maken van een voortdurende bekering. Kortom: de vraag is of er echt naar kritiek kan worden geluisterd. Zonder zo’n diepgaand luisteren blijft een radicale bekering tot werken aan transformatie (dat in Zuid-Afrika een bevestiging inhoudt van de creatieve strijd van zwarten tegen racisme) onmogelijk.

Spreken tegen privilege

Op basis van de bovenstaande nadruk op het luisteren als de juiste houding voor mensen die met onverdiende privileges leven, stel ik een taak voor die door witte Zuid-Afrikanen en witte publieke theologie in het bijzonder moet worden opgepakt. Op dit punt in de argumentatie moge het duidelijk zijn dat we onszelf erkennen als onderdeel van de krachten van uitsluiting die tegengewerkt moeten worden. In de politiek van het publieke discours kan een witte niet ontsnappen aan de identificatie met witte mensen als groep, hoewel dat wel degelijk op gespannen voet kan staan met de manier waarop witheid wordt bestendigd; en het is precies in deze spanning dat de mogelijkheid tot verantwoorde publieke deelname zou kunnen ontstaan. Het roept op tot het ondervragen van onze sociale locatie en de vraag wat er gebeurt als een persoon, die zichtbaar onderdeel is van deze groep, acties onderneemt die de macht van deze groep ondermijnen.

De vereiste positie is door onder andere Alcoff omschreven als die van de rassenverrader. In een context waar stilte wordt verwacht over kwesties omtrent ras en het blijvende effect ervan in de samenleving, schrijft Shannon Sullivan dat:

‘(v)erraderij vereist dat ik aandring op mijn witheid – om aan te dringen dat ik en anderen mijn witheid erkennen als altijd relevant, altijd een factor in de manier waarop ik de wereld en anderen opvat; en om die factor te detecteren op de plaatsen waar het op dit moment
voor mij het meest onopvallend is.’[5]

Als dit wordt opgepakt door witte publieke theologen, betekent dit dat er moet worden gewerkt aan het destabiliseren van het centrum. Dit vraagt om een engagement om de onverdiende privileges die verbonden zijn aan witheid te analyseren, en vast te houden dat dit niet tot zwijgen wordt gebracht in het publieke discours.

Terwijl luisteren suggereert dat zwarte mensen onze primaire invloed worden met betrekking tot rassenkwesties, met inbegrip van de stemmen die hun woede uiten over het feit dat ze tot zwijgen worden gebracht, wijst het aandringen op witheid erkennen erop dat het witte publiek onze primaire doelgroep is. Het roept leden van deze groep op om actief te strijden tegen hun onverdiende privilege. Maar dit effectief doen, wat betekent dat ik werk vanuit een diepe kennis van wat het is dat in twijfel getrokken en uitgedaagd moet worden, hangt af van het werkelijk luisteren naar degenen die lijden aan onrechtvaardigheid en ongelijkheid.

Conclusie

Luisteren is geen ‘stap’ in een proces, iets wat ‘voor het spreken’ gebeurt, maar eerder een houding waar we voortdurend naar worden teruggeroepen. In plaats van een lineaire progressie van luisteren, naar benadrukken van onverdiende voorrechten in verband met ras, naar uitspreken tegen morele bedreigingen in de samenleving in het algemeen, zullen deze tegelijkertijd moeten plaatsvinden.

Mijn eigen sociale locatie moet invloed hebben op datgene waarvoor ik verantwoordelijkheid neem. Witte theologen komen niet onschuldig aan op een plek waar de publieke sfeer kan worden uitgebreid en verdedigd. Ze moeten zich ervan bewust zijn hoe hun eigen positie bijdraagt aan de uitsluiting die ze beweren tegen te werken. In plaats van slechts een sfeer waartoe zij toegang hebben uit te breiden en te verdedigen, moet juist de macht die de publieke sfeer voor hen opent en niet voor anderen, worden tegengewerkt. Als er niet voldoende wordt geluisterd en de nadruk niet wordt gelegd op het nemen van verantwoordelijkheid voor het onrecht waar ik baat bij heb, wil ik suggereren dat onze witte publieke theologieën altijd het risico blijven lopen het onrecht dat zij beweren te bestrijden te bestendigen.

Cobus van Wyngaard is universitair docent Systematische theologie aan de Universiteit van Zuid-Afrika (UNISA) en predikant in de Nederduits Gereformeerde Kerk in Pretoria.

Noten

[1] Linda Martin Alcoff, ‘The problem of speaking for others’, Cultural Critique 20, 1991.

[2] Debat in: International Journal of Public Theology 5, no. 1, 2011.

[3] Samantha Vice, ‘How do I live in this strange place?’, Journal of Social Philosophy 41, no. 3, 2010.

[4] Johannes N.J. Kritzinger, ‘Black Theology: a challenge to mission’, DTh-dissertation, University of South Africa, 1988.

[5] Shannon Sullivan, Revealing whiteness: the unconscious habits of racial privilege, Bloomington: Indiana University Press, 2006.

Tags:

Meer Kerk en wereld & Wereldkerken