< Terug

Kerkbouw

Liturgisch Leesplankje: Basale begrippen kort verklaard

Deze rubriek behandelt in vogelvlucht ‘grote onderwerpen’ uit de geschiedenis van kerk, kerkmuziek en liturgie. Het pretendeert geenszins volledigheid, maar is des te meer een uitnodiging tot verdere verdieping.

Vorm/plattegrond

De basiliek is zonder twijfel de meest voorkomende kerkvorm en tevens de oudste: de eerste basiliek werd gebouwd in de tweede eeuw voor Christus. Een basiliek is een rechthoekig, meestal meerbeukig gebouw, waarbij de middelste beuk hoger is dan de twee zijbeuken. Eén korte kant werd afgesloten met een apsis, aan de andere kant was de ingang. Van oudsher waren basilieken markthallen en er werd ook rechtgesproken. Vanaf de vierde eeuw werd deze bouwvorm ook gebruikt voor kerken. In de loop der eeuwen ontstonden diverse varianten en uitbreidingen op dit thema, met als meest voorkomende de kruisbasiliek (met een dwarsschip, waardoor de vorm van een kruis ontstaat) en de hallenkerk (waarbij de zijbeuken even hoog zijn als de middenbeuk).

Apsis

De apsis was oorspronkelijk de ronde of rechthoekige afsluiting van een korte zijde van de basiliek. Het is de traditionele plek voor het hoogaltaar, en na de Reformatie vaak (maar zeker niet altijd) de plek waar de liturgische handelingen plaatsvinden. In grotere romaanse en gotische kerken is de apsis de sluiting van het (priester- of hoog)koor, waaromheen zich ook de kooromgang en straalkapellen kunnen bevinden.

Narthex

De narthex is oorspronkelijk de voorhal van de basiliek waar de ingang zich bevindt. Toen de basiliek haar kerkelijke functie kreeg, was deze voorhal de plaats voor ongedoopten en boetelingen, aangezien zij de kerk zelf (nog) niet mochten betreden. In pelgrimskerken kreeg de narthex een bredere functie, namelijk de plaats waar de pelgrim afstand kon nemen van de wereldse beslommeringen voor hij de kerk zou betreden. De narthex werd bij pelgrimskerken vaak uitgebreid tot een compleet ‘westwerk’, inclusief een priesterkoor (‘westkoor’).

Kooromgang

Grotere romaanse en gotische kerken kennen vaak een kooromgang, een ruimte achter het koor langs, in bouwkundig opzicht een voortzetting van de zijbeuken. Het doel was voornamelijk logistiek, namelijk om grote hoeveelheden pelgrims eenvoudiger door het gebouw te kunnen leiden.

Kapellen

Langs de zijbeuken en de kooromgang kunnen zich kapellen met eigen altaren bevinden. Deze kapellen zijn vaak aan een bepaalde heilige gewijd, vaak de patroonheilige van het gilde dat de betreffende kapel had ingericht.

(D)oksaal

Het woord doksaal of oksaal kan op twee zaken duiden: ofwel de orgeltribune/koorzolder aan de westzijde van de kerk, ofwel de afsluiting tussen koor en schip. Deze afsluiting werd geplaatst om het voor iedereen toegankelijke schip te scheiden van het alleen voor geestelijken toegankelijke koor. Omdat het zicht op het hoogaltaar vanuit het schip hierdoor onmogelijk werd gemaakt, werd vaak een voor leken zichtbaar altaar bij het doksaal geplaatst. Het doksaal zelf werd vaak uitbundig versierd met bijbelse voorstellingen, en was daarom niet vaak alleen een religieus object, maar ook een statussymbool. Op het doksaal bevond zich een tribune en soms een orgel, een situatie die in Engelse kathedralen en college chapels nog steeds is aan te treffen.

Baptisterium/Doopkapel

Omdat het ongedoopten niet was toegestaan in de kerk te komen, moest de doop buiten de eigenlijke kerk plaatsvinden. Hiertoe werden doopkapellen ingericht, ofwel zo dicht mogelijk bij de westelijke ingang, ofwel in een aparte kapel los van de kerk (vooral in Zuid-Europa). Het protestantse equivalent hiervan is de dooptuin; in tegenstelling tot de rooms-katholieke doopkapel had deze juist een plaats in een centraal gedeelte in de kerk vlak onder de preekstoel, waardoor de doop in het midden van de gemeente plaatsvindt.

Communiebank

Op de plek van doksaal of koorhek kan ook een communiebank voorkomen, soms ook als overblijfsel van het doksaal of koorhek. De gelovige kan hier knielend de communie ontvangen. De meeste communiebanken zijn rijk versierde meubelstukken met bijbelse voorstellingen. Vaak worden die aan het zicht onttrokken door een versierd wit kleed dat over de bank is gedrapeerd. De gelovige ontving de communie op de tong terwijl hij zijn handen gevouwen onder het kleed hield: op deze manier kon een eventueel vallende hostie opgevangen worden. Na het Tweede Vaticaans Concilie verdwenen de meeste communiebanken; op sommige plaatsen zijn ze creatief hergebruikt (bijvoorbeeld als onderbouw voor het celebratiealtaar, dat eveneens na het Tweede Vaticaans Concilie zijn intrede deed), op andere plaatsen zijn ze, niet zelden tot groot verdriet van veel parochianen, letterlijk verdwenen.

Crypte

De crypte (het verborgene) is een ondergrondse ruimte, meestal onder het koor, vaak bedoeld als begraafplaats of bewaarplek van relikwieën, tegenwoordig vaak ingericht als ruimte voor kleinschalige liturgische vieringen. Crypten werden vooral gebouwd als onderdeel van romaanse kerken, in gotische kerken komen ze veel minder voor.

Koorhek

Net als het doksaal is het koorhek een afscheiding tussen koor en schip. Het koorhek is in tegenstelling tot het doksaal min of meer doorzichtig en er is ook geen sprake van een tribune. De meeste koorhekken zijn gemaakt na de Reformatie en dat is opvallend: na de Reformatie had het koorhek immers geen liturgische functie meer. Vaak zijn ze wel blijven staan omdat de koorruimte een andere functie kreeg, bijvoorbeeld als opslag- of vergaderruimte. Ironisch genoeg zijn in de katholieke kerken de meeste koorhekken verdwenen: het Concilie van Trente legde nadruk op de bediening van de sacramenten aan leken en stelde dat het altaar een centrale (en vooral zichtbare) plaats in de ruimte moest innemen.

Hangzolder

Een in Nederland veel voorkomend fenomeen in de gereformeerde kerkenbouw uit het begin van de twintigste eeuw is de hangzolder. In een kerk met de vorm van een Grieks kruis (vier identieke armen) werd het liturgisch centrum (en meestal het orgel) in één van die armen geplaatst, terwijl de kerkgangers in de andere drie armen hun plek kregen. Om zoveel mogelijk mensen in de kerk een plek te kunnen geven, werden een of meer armen van een verdieping voorzien: de zogenoemde hangzolder.

< Terug