< Terug

Kerkelijke betrokkenheid in baptisten- en evangelische gemeenten

Sinds vorig jaar bezoeken Johan (33) en Aline (29) regelmatig met hun kinderen Joas (2) en Eva (4) de zondagse samenkomsten in de gemeente. Ze komen uit een traditionele kerk in het centrum, maar voelen zich aangetrokken tot de diversiteit van sprekers, de liedkeuze en het kinderwerk in onze gemeente. Na een jaar sluiten ze zich graag aan als vriend van de gemeente. Tijdens het kennismakingsgesprek wordt gevraagd welke taken ze in de kerk zouden willen oppakken. Een ongemakkelijke stilte volgt.

‘Moet dat dan?’ Veel contact met andere mensen uit de kerk hebben ze niet. Ze bezoeken tweemaal per maand de samenkomsten, de andere zondagochtenden worden gevuld met mountainbiken en andere kostbare tijd en aandacht voor het gezin, die doordeweeks nogal eens ontbreekt.

Het zojuist geschetste gezin bestaat niet. Toch is de kans vrij groot dat dergelijke gezinnen herkenbaar zijn voor menige evangelische en baptistengemeente. In mijn dagelijks werk spreek ik regelmatig voorgangers van gemeenten die groei doormaken. Inmiddels meen ik in die gesprekken een patroon te ontwaren: de gemeente groeit op papier, maar op zondagochtend hoeven er nooit stoelen te worden bijgezet. Het blijft even moeilijk vrijwilligers te vinden voor activiteiten van de kerk en in financiën is de groei amper zichtbaar of zelfs omgekeerd.

Wat is hier eigenlijk aan de hand? Om die vraag te beantwoorden, moeten we terug naar de baptistisch-evangelische kijk op de gemeente.

Een congregationalistisch verhaal

In tegenstelling tot wat velen denken, gaat het baptisten en evangelischen niet zozeer om de doopwijze, maar om hun visie op de gemeente. Baptisten hebben in het kielzog van de Reformatie en Nadere Reformatie het evangelie vrij piëtistisch gelezen, waarbij persoonlijk geloof én het uitleven daarvan direct in verbinding werden gebracht met de visie op de kerk (De Vries 2009). De vraag voor vroege baptisten was dus niet: ‘Wat is de ware doop?’, maar: ‘Wat is de ware kerk?’ en vervolgens: ‘Wie horen daar dan bij?’

Baptisten formuleerden hun antwoord in de gemeenschap der heiligen en het priesterschap aller gelovigen. Volgens baptisten kon de ware kerk alleen bestaan uit volgelingen van Jezus in leer én leven. Door de geloofsdoop als het ware bij de voordeur van de kerk te plaatsen, vult de lokale gemeente zich dus enkel met discipelen van Jezus. Eigenlijk hebben baptisten daarmee een sacramenteel antwoord geformuleerd op een ecclesiologische vraag.

Voor baptisten is de gemeente dan ook van groot belang. In de kerk komen volgelingen van Jezus samen die met elkaar zoeken naar wat Hij van ons vraagt. De gemeente is ook de plek waar Christus en Zijn wil ontdekt kunnen worden (Bakker 2016). Vanuit systematisch perspectief is dit een mooi verhaal. De spannende vraag is natuurlijk: wat blijft daar vandaag de dag van over in de praktijk?

Een weerbarstige praktijk

In 2017 kreeg ik de gelegenheid om juist die vraag te beantwoorden. Ik deed onderzoek naar de betekenis van de lokale kerk voor het alledaagse geloof van evangelisch-baptistische gelovigen. Ik vroeg naar alledaagse geloofsmomenten en de rol van de gemeente daarin. Via een baptistengemeente én digitale verzameling van verhalen via sociale media verzamelde ik 37 verhalen. Tot verbazing én bevestiging van velen, ontdekte ik geen aanwijsbare relatie tussen de gemeente en het alledaagse geloof (Vlasblom 2017). Dat is opmerkelijk voor een kerkverband dat juist die verbinding tot hoeksteen van zijn ecclesiologie heeft verklaard. Het onderzoek bracht een drietal zaken naar voren die mogelijk licht werpen op de betrokkenheid van deze gelovigen op hun plaatselijke kerk.

  • Ten eerste bleek men moeite te hebben om het alledaagse geloof te identificeren. Veruit de meeste gebeurtenissen die de respondenten beschreven vonden langere tijd geleden plaats.
  • Ten tweede gingen veel verhalen over situaties die gekenmerkt werden door moeite en crisis. Toen werd doorgevraagd naar de invloed van de geschetste ervaringen op het geloofsleven, bleek deze opvallend positief: het is opmerkelijk dat juist deze verhalen worden gedeeld.
  • Ten derde waren veel ervaringen sterk individueel omschreven en geplaatst in de persoonlijke relatie tussen God en de gelovige. Ongelovigen speelden zelfs een grotere rol van betekenis dan de gelovigen in de verhalen die men deelde.

In een volgende fase van het onderzoek werd de kerk wel als belangrijk gezien, maar vooral als faciliteit ter ondersteuning van de persoonlijke relatie met God. Hierdoor zet ik vraagtekens bij de betrokkenheid van baptisten en evangelische gelovigen op de kerk an sich. Wat is hier aan de hand?

De invloed van getuigenissen

Alle verhalen zijn (digitaal) verzameld via participerend narratief onderzoek. Deelnemers konden kiezen uit vier uitnodigende vragen die enkel te beantwoorden zijn via een verhaal. Vervolgens werden diverse vragen gesteld over de gedeelde ervaring: betrokkenen, tijdspanne, rol van gelovige, gemeente, etc.

Uit de verzamelde data ontstond het vermoeden dat de eerste twee constateringen met elkaar zijn verbonden. Deelnemers hebben in hun geheugen gezocht naar ervaringen van langer geleden. Dat zijn dan ervaringen over pijn en moeite, die tegelijk heel positief zijn geweest in het geloofsleven van de deelnemer.

Geen aanwijsbare relatie tussen gemeente en alledaags geloof

Omdat iedere vertelling een specifieke configuratie is van een verhaal, ben ik gaan zoeken naar patronen. Binnen de evangelische beweging is relatief veel ruimte voor dergelijke persoonlijke verhalen. Naar mijn indruk volgen de gedeelde verhalen bijna allemaal de blauwdruk van het evangelisch geloofsgetuigenis: eerst is er een situatie waarin God afwezig lijkt, vertrouwen verdwijnt of op de proef wordt gesteld. Vervolgens valt op bijzondere wijze het licht van het evangelie op deze situatie, waardoor vertrouwen in God terugkeert. Tot slot verandert de situatie en komen eerder aangevochten overtuigingen in nieuw licht te staan: het is weer goed. Binnen de evangelische beweging is dít het moment om het verhaal te delen: op podia, sociale media of in het kerkblad.

Pastorale vragen

Uiteraard roept deze blauwdruk een aantal stevige pastorale vragen op. Want als de halleluja-ervaring centraal staat, waar is dan ruimte voor wat bedroefd maakt? Is er in onze gemeente wel genoeg ruimte voor verhalen over lijden, moeite en verdriet? Kunnen we ook authentieke verhalen vanuit de puinhopen van het leven delen, of zijn ze pas deelbaar na een veronderstelde ommekeer? Wat voor beeld geeft dat ons van geloven?

Vanuit het seculiere bedrijfsleven worden regelmatig ‘faal’-avonden georganiseerd, waar werknemers en werkgevers faalervaringen delen en streven naar een ‘life without filters’.[1] Zo’n initiatief vanuit het bedrijfsleven houdt ons als kerk de spiegel voor: welk deel van het leven delen wij met elkaar? Tegelijk is de vraag te stellen wat we dan precies met elkaar delen, zo komen we op de derde constatering uit het onderzoek.

Geloofsbeleving en keuzecultuur

Een verklaring voor de sterk individuele godsbeleving staat wat mij betreft niet los van de nadruk op het individu die in onze maatschappij is te vinden. Kijkend naar de cultuur, ontkomen we niet aan de conclusie dat de lokale kerk een faciliteit is geworden, en dat gemeenteleden consumenten zijn geworden.

Onze neiging naar consumentisme is door Zygmunt Bauman omschreven (Bauman 2000). Hij stelt dat het individualisme verbonden is met het kapitalisme: de werkelijkheid is verworden tot een levensgroot winkelcentrum waar alles te koop is en persoonlijke genoegdoening hoogtij viert. Hierdoor is de westerse mens primair als consument gaan denken. Zo leerden we de kracht van keuze, wat alle vormen van solidariteit bevraagt, aldus Bauman.

Met studenten aan het Baptisten Seminarium spreek ik weleens over het leven als configuratiescherm, waarbij ieder individu zelf de knoppen beheerst, alles maakbaar lijkt en we de illusie van keuze hebben. Wanneer de kerk niet kan bieden waar ik op dit moment behoefte aan heb, zijn er talloze alternatieven. Met name digitale media brengen de beste muzikale performance en preken via YouTube of Spotify rechtstreeks in het comfort van de huiskamer, al multitaskend tijdens het hardlopen of forenzen.

Onze gemeente zendt sinds een aantal jaar de diensten uit via YouTube. Het oorspronkelijke doel was om zieken en ouderen die niet meer in staat zijn om de diensten te bezoeken zo te voorzien van een live verbinding met de gemeente. De statistieken van YouTube laten zien dat er zo’n honderd gemeenteleden of vrienden per zondag meekijken, veel meer dan de zieken en kwetsbare ouderen. Van vrienden hoor ik regelmatig dat ze vanuit bed meeluisteren met de diensten. Immers: tijden veranderen en mensen moeten in de hectiek van een jachtig bestaan keuzes maken.

Waar overtuiging en betrokkenheid voorheen misschien vanzelfsprekend waren, is er een verschuiving gaande van obligatie naar consumptie, zo stelt ook Grace Davie. Zij vat dit samen als ‘believing without belonging’, waarbij de geloofsbeleving is ontkoppeld van het behoren bij een kerkelijke structuur (Davie 2007). Een keuzecultuur zet betrokkenheid dus onder druk.

Kijkend naar de kerk moeten we als baptisten en evangelische gelovigen de hand ook in eigen boezem steken. Het individualisme zit ook volop in onze geloofscultuur. Door sterk de nadruk te leggen op een persoonlijke keuze voor Jezus, een persoonlijke relatie met Hem en de persoonlijke doop, is het misschien niet verwonderlijk dat gemeenschappelijkheid daarmee vanzelf naar de achtergrond verdwijnt.

Is kerkverhuizing niet drempelverlagend voor kerkverlating?

Daarnaast zijn evangelische en baptistengemeenten van oudsher grotendeels gevuld met gelovigen die overgekomen zijn uit traditionele kerken en de meer charismatische gemeenten. Deze gelovigen denken bij baptisten vaak het ideale midden te vinden. Een dergelijke ‘circulation of the saints’ zorgt bij ons soort kerken voor een vertraagd effect van secularisatie.

Ik vraag me daarbij af of mensen die kerkelijk gezien verhuizen, niet eigenlijk al met één been buiten de betrokkenheid staan die baptisten vanuit hun ecclesiologie van hen verwachten. Immers: veel mensen die onze gemeenten vullen, hebben vaak al eens een kerk verlaten. Soms door studie, een huwelijk of verhuizing, maar vaak ook zijn het jonge gezinnen die bewust de ene gemeenschap verruilen voor de ander. Hiermee hebben ze feitelijk de keuzecultuur al toegepast op hun betrokkenheid op de kerk. Kijkend naar de achterdeur van evangelische gemeenten is die deels in de richting van andere evangelische gemeenten, maar voor een deel ook gewoon in de richting van ‘kerkloos’. Is kerkverhuizing niet drempelverlagend voor kerkverlating?

Toenemende complexiteit

De postmoderne voorganger en theoloog Brian McLaren is een invloedrijk denker binnen de vernieuwingsbeweging onder (ex-)evangelischen en neo-evangelicals. In zijn denken over geloofsontwikkeling leunt hij onder andere op het werk van Fowler.[2] McLaren heeft een model ontwikkeld van geloofsgroei, waarin hij vier ontwikkelingsfasen van geloof beschrijft (McLaren z.j.).

  • De eerste fase ‘simplicity’ is sterk dualistisch: denkt in binnen/buiten en leunt op autoriteiten.
  • In de tweede fase ‘complexity’ ontdekken we dat er verschillende antwoordmogelijkheden zijn op vragen, en wordt geloof pragmatischer. Hierbij wordt ingezet op dat wat ‘werkt’ en efficiënt is. Autoriteit is nog steeds belangrijk, maar meer ondersteunend als persoonlijke groei. Met name de gemeentegroeimodellen uit de jaren negentig leunen sterk op deze principes.
  • In de derde fase ‘perplexity’ komt men tot het inzicht dat de werkelijkheid zeer gecompliceerd is. De wereld bestaat uit meningen: wie weet wat er waar is? Autoriteit is veel minder belangrijk geworden en sterk gekoppeld aan authenticiteit. Mensen in deze fase waarderen niet zozeer de mensen die het goede antwoord geven, maar degenen die eerlijk zijn over hun vragen. Ze zijn kritisch naar mensen die proberen controle te houden over anderen door simplistische antwoorden te formuleren op veel complexere vraagstukken. Volgens McLaren verlaten veruit de meeste gelovigen in deze fase hun kerk.
  • De vierde fase ‘harmony’ geeft vrede met de vragen met het leven. Sommige zaken zijn bekend, andere onbekend. De belangrijkste vraag is misschien niet: ‘Wat is waar?’, maar: ‘Wat is liefdevol?’ Er is geen wij/zij-denken meer in deze fase, alleen nog maar een ‘wij’.

McLaren constateert daarbij een aantal zaken die relevant zijn voor de situatie in onze kerken vandaag de dag. Veel grote kerken (en dan met name de evangelicals in de Verenigde Staten) zijn enkel in staat de eerste twee fasen te bedienen. Met name de derde fase vraagt om een grote mate van veiligheid en die kan alleen in kleinere settingen worden geboden. Daarnaast constateert hij dat met name jonge mensen momenteel veel sneller in de ‘perplexiteit’ terechtkomen. Was dat vroeger op je dertigste, nu kan dat al vroeg in de tienerjaren. Vanuit de toenemende digitalisering en globalisering komen jonge mensen dus steeds vroeger in aanraking met een grote diversiteit aan visies op het goede leven.

Laten we de invloed van digitale media op deze millennials dan ook niet onderschatten. Autoriteit zegt hun weinig: naast de voorganger op de kansel staan talloze andere meningen met die van hem op gelijke voet. De vraag naar authenticiteit is voor hen belangrijker: ‘Wat is nu het eerlijke verhaal?’ Leg dat naast de blauwdruk van het evangelisch geloofsgetuigenis en ik constateer op basis van mijn onderzoek en aanbevelingen dat baptisten en evangelischen hier echt stappen in zullen moeten zetten.

De nieuwe generaties gelovigen maken op jonge leeftijd kennis met een groter wordende complexe realiteit en visies op het goede leven. Deze zijn voor hen niet altijd in verbinding te brengen met de boodschap van de kerk. Soms omdat ze daar in hun beleving veel simplisme en dualisme tegenkomen, maar niet zelden omdat hun oudere geloofsgenoten niet goed op de hoogte zijn van hun sterk veranderde wereld. Voor deze generatie is de vanzelfsprekendheid van kerk en geloof echt voorbij.

Wat is er nodig?

Op basis van mijn onderzoek en de door verschillende auteurs gesignaleerde bredere tendensen in kerk en samenleving, voer ik graag een bescheiden pleidooi voor drie punten van ontwikkeling in baptisten- en evangelische gemeenten. Daarmee kunnen kerken zelf het gesprek aangaan over inzichten die onze gemeenten versterken en verdiepen en zo onnodige kerkverlating wellicht doen afnemen.

  • Ten eerste breek ik graag een lans voor het opnieuw nadenken over liturgie. Evangelische samenkomsten hebben regelmatig het karakter van een evenement, met hoge eisen aan kwaliteit, inzet van vrijwilligers en financiën. Hoe voorkomen we dat we blijven voldoen aan de eis van het spektakel? Nadruk op liturgie als het vieren van het alledaagse kan ons opnieuw leren dat Christus zich niet alleen in de bijzondere beroering van het evenement laat vinden. Misschien ontdekken we Hem juist wel in het reguliere ritme van verstilling en ontstaan daar steeds meer momenten van verwondering.
  • Ten tweede pleit ik voor spreekruimte voor eerlijke vragen en de authentieke verhalen in ons soort kerken, waar het hele leven bespreekbaar is en ruimte is voor het faalverhaal. Een ruimte waar we podium kunnen bieden aan hedendaagse tollenaars, overspelige voorgangers, corrupte politici, valse zangers, ongenezen zieken, gevallen godsmannen en vrouwen en ieder ander die zoekt naar een genadig God. Een ruimte waarin we in alle bescheidenheid proberen aan te sluiten in taal en cultuur bij de zoektocht naar het goede leven.
  • Tot slot denk ik dat openheid naar de vragen van buiten van wezenlijk belang is om ons scherp te houden bij de actualiteit van het maatschappelijk discours. Hierdoor (her) ontdekken we de relevantie van het evangelie in vraagstukken rondom identiteit, intimiteit en kwetsbaarheid.

Gezinnen als dat van de fictieve Johan en Eline vormen voor baptisten en evangelischen vermoedelijk het nieuwe normaal. Ze zijn af en toe aanwezig en op zoek naar vrije vormen van verbinding. Zijn onze gemeenten dan vooral een faciliteit of willen we meer zijn? Misschien is het niet erg om als faciliteit gevonden te worden, zolang daarbinnen maar de uitnodiging en uitdaging van het evangelie klinkt om samen te ontdekken wat Jezus van ons vraagt.

Marijn (M.) Vlasblom MA werkt als conrector aan het Baptisten Seminarium en is voorganger van een baptistengemeente in Ede.

Noten

[1] Fuckup Nights: Stories of failure. (z.d.). Geraadpleegd op 17 juni 2020: https://fuckupnights.com/blog/creating-5-values/
[2] Voor een vergelijking van McLarens vier fasen met Fowler, zie McLaren, B. (2015, 28 januari). Q & R: Your 4+ stages and Fowler’s 6+. Geraadpleegd op 17 juni 2020: https://brianmclaren.net/q-r-your-4-stages-and-fowlers-6/

Literatuur

Bakker, H. (2016). Leren onderscheiden volgens het Nieuwe Testament. In: I. Janssen-te Loo (red.), Samen ontdekken. De uitdaging van de vergader(en)de gemeente: samen de wil van Christus onderscheiden, Baptistica-reeks 10 (pp. 18-33). Amsterdam: Unie van Baptistengemeenten.

Bauman, Z. (2000). Liquid Modernity. Contemporary Sociology. Cambridge: Polity Press. https://doi.org/10.2307/3089803

Davie, G. (2007). Vicarious Religion: A Methodological Challenge. In: N.T. Ammerman (red.), Everyday Religion: Observing Modern Religious Lives (pp. 21-35). New York: Oxford University Press.

McLaren, B. (z.j.). Stages of Faith. Geraadpleegd op 10 juni 2020: https://brianmclaren.net/stages-of-faith-powerpoint/

Vlasblom, M. (2017). Geleefd geloof en de gemeente. VU Amsterdam. https://baptisten.nl/okbi/empirisch/62-resultaten/885-geleefd-geloof-en-de-gemeente

Vries, O.H. de (2009). Gelovig gedoopt. 400 jaar baptisme, 150 jaar in Nederland. Kampen: Kok.

< Terug