< Terug

Kerken op de Faeröer

De Faeröer-eilanden, ten zuidoosten van IJsland, vormen een min of meer zelfstandige staat. De zeventien bewoonde eilanden hebben samen vijftigduizend inwoners, waarvan bijna de helft in de hoofdstad Tórshavn. Het regent er vaak, de maximum temperatuur is ’s zomers zo’n veertien graden. De oceaan is nooit ver weg. De wind is nadrukkelijk aanwezig. Toch is het een feest om hier te zijn. Elk dorp heeft zijn kerk. Onze laatste dag hier is een zondag, dus mijn reisgenoot en ik hebben een week de tijd om te kiezen waar we een dienst mee willen maken.

Slechts een klein deel van het land is bewoonbaar. Groene, onbegaanbare bergwanden en steile kliffen vormen het basale decor, waarin bebouwing maar een enkel speldenprikje is. Er zijn enkele ‘steden’, zoals Tórshavn. Daar bevinden zich de drie enige verkeerslichten van het land. Maar ondanks die leegte zie je, waar je ook staat, altijd wel ergens een kerk. Over het algemeen staan ze op het laagste punt van het dorp, dicht bij zee. Als je de verschillende eilandjes vanaf zee bereikt, is de kerk het eerste houvast.

De parlements-en regeringsgebouwen in Tórshavn hebben gras op het dak en er lopen kippen rond. Ook de meeste kerkjes in de Faeröer hebben gras als dakbedekking. En er zijn altijd schapen in de buurt. Die lopen vrij over de eilanden, heel efficiënt, want zij kunnen grazen waar geen mens kan komen. Het gevolg is dat er nauwelijks bomen zijn op deze archipel. Al het groen wordt immers kort gehouden door de schapen.

Staatskerk

De Fólkakirkjan is de kleinste staatskerk ter wereld. Meer dan tachtig procent van de bevolking is lid van deze lutherse kerk, die in 2007 zelfstandig werd. Er zijn zo’n zeventig kerken, die klaarblijkelijk allemaal ‘in bedrijf’ zijn en meestal open. De meeste kerken hebben een (klein) orgel, dat in goede staat is. Uit praktische overweging zoeken we voor de dienst van zondag een kerk in Tórshavn. We hebben de keuze tussen twee: de bisschopszetel, dus ‘kathedraal’, Havnar Kirkja (‘havenkerk’) uit 1788, en de Vesturkirkjan (‘westerkerk’) uit 1975, met een bijzondere architectuur. Met zijn 42 meter is deze kerk meteen het hoogste gebouw van het land. Ook qua zitplaatsen (achthonderd) is dit de grootste kerk.

Een paar dagen hiervoor hadden we de kerk al bekeken. Twee gastvrije gemeenteleden leidden ons toen rond. We bewonderden de architectuur, die zo bijzonder met het begrip ‘ruimte’ werkt. De kerk is namelijk groot én intiem. Je wordt overweldigd, maar voelt je nooit verloren. Nu, op zondag, melden we ons bij de ingang, waar de predikant iedereen welkom heet. De klokken klinken luid en duidelijk. Zowel voor als na de dienst is het hier een sociaal gebeuren. De mensen blijven graag buiten, het is immers mooi weer: zonnig en twaalf graden! De gastvrouwen hadden ons verteld dat er elke zondag zo’n honderd tot honderdvijftig kerkgangers komen. Bij begin van de dienst tel ik er hooguit vijftig. Ook binnen is de kerk een plaats van ontmoeting, sommige mensen lopen voor de dienst van de ene zitplaats naar de ander. Er zijn een paar gezinnen, zij twijfelen of ze bij elkaar blijven zitten of dat ze zich zullen verdelen over verschillende andere rijen. Er schijnt iets bijzonders aan de hand te zijn, maar ik weet niet wat. Als voorbereiding blader ik het gezangboek door en ik bekijk vooral de liederen waarvan de nummers op het bord aan de wand hangen. Het gezangboek blijkt een compleet Faeröerse liedbundel met een kleine duizend liederen. Op vijftigduizend inwoners geen slechte score, lijkt me.

De taal is bijzonder. Het Faeröers ligt dicht bij het Oudnoors. De uitspraak van veel letters is anders dan er geschreven staat, tenminste volgens onze begrippen. Lezen gaat makkelijker af dan het luisteren.

Bij lied 650, ‘Fram vit bera teg i dag’, blijf ik even hangen: ‘…lívsins orð við doypifunt.’ Aha, we zijn hier bij een doopdienst!

De dienst

Het komende uur is bijzonder. Vanwege de verschillen tussen schrift en uitspraak staak ik al op voorhand mijn pogingen om de tekst mee te zingen. Hier en daar neurie ik de melodie mee. De bundel bevat vooral coupletliederen, dus ik wacht vergeefs op een herhalend element zoals een refrein. Er is niets mis met de geluidsinstallatie en de predikant is voor de autochtonen goed verstaanbaar, maar ik herken in de hele dienst maar twee woorden: ‘Paulus’ en ‘Amen’. En dat is een onwaarschijnlijk lage score. Temeer daar het verband mij bekend is. Ik kan zelfs aan het doen en laten van de predikant zien dat het een lutherse dienst is, maar ik versta er echt helemaal niets van. Halverwege de dienst, na het onderdeel dat ik meen te herkennen als ‘preek’, is er buiten de kerkruimte een aanzwellend geroezemoes. Mijn reisgenoot en ik worden wat ongedurig. De kerkgangers lijkt het niet te deren. Opeens zwaaien de buitendeuren open. We verwachten dopelingen. En inderdaad, het zijn er drie, drie baby’s. Maar niet alleen de dopelingen worden binnengedragen, ze worden begeleid door enkele tientallen volwassenen, waarmee het aantal kerkgangers verdubbelt. De groep loopt door het middenpad en splitst zich in tweeën. Alle vrouwen en dopelingen gaan links staan, de mannen rechts. Bij de doop zelf komen alleen vrouwen op het liturgisch centrum. De doopmoeders zijn min of meer in traditioneel zwart-donkerrode dracht. Mannen hebben een bijrol, ook bij de doopvragen. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de historie van een vissend volk. Men zingt het dooplied. Uiteindelijk zing ik alleen het woord doypifunt mee. Daarop had ik me voorbereid…

Het orgel

Het orgel is een van de grootste van de Faeröer: het is van de Deense bouwer Frobenius en heeft zestien stemmen, verdeeld over twee manualen (waarvan een zwelwerk) en pedaal. Vaak worden twee liederen achter elkaar gezongen. De organist verstaat de kunst om, terwijl het slot van het ene lied nog klinkt, het andere, in een totaal andere toonsoort, in te leiden. Met dank aan de zwelkast. Eerlijk gezegd: in Nederland zou ik dit als uitermate smakeloos ervaren. Maar hier, op deze paar rotspunten in de oceaan, klinkt het logisch: als het komen en gaan van grote golven. Waarden en smaak blijken afhankelijk van de context. Na een uur staan we buiten. Daar blijven de kerkgangers nog lang in groepjes napraten.

Prachtige kerkjes. Een sociaal volk. Een ingewikkelde taal.

Bij mij blijft één woord hangen.

Doypifunt.

Jan Marten de Vries is redactielid van Laetare.

Zie ook de achterpagina. Websites: www.folkakirkjan.fo en www.vesturkirkjan.fo. Er zijn kerkradio-uitzendingen van de Vesturkirkjan. Die zijn te vinden op www.kvf.fo door te zoeken met ‘utvarp’ (=radio) en ‘vesturkirkjuni’. Van de Vesturkirkjan zijn veel afbeeldingen te vinden op het web. Zoeken op ‘Vesturkirkjan’ levert meteen tientallen foto’s op.

< Terug