De kerkdienst door de eeuwen heen

Proefboringen voorbij de vereniging

Dat ‘events’ als The Passion in de kerk steeds populairder worden, kan ieder zelf waarnemen. Een bijverschijnsel daarvan is, dat ook de ‘gewone’ zondagse kerkdienst steeds meer de trekken van een evenement krijgt. Uit eigen waarneming, als gemeentepredikant en als visitator, is het mij verschillende keren opgevallen dat er een tendens bestaat dat kerkenraden zichzelf soms bijna als een comité tot het organiseren van kerkdiensten verstaan.[1] Het komt voor dat op kerkenraadsvergaderingen alle kerkdiensten sinds de vorige vergadering worden geëvalueerd en dat de komende diensten tot in detail worden doorgenomen. Ook als lid van de classicale missionaire commissie heb ik verschillende kerkenraden in mijn omgeving bezocht.[2] Op de vraag naar missionaire activiteiten werden dan steevast kerkdiensten genoemd.

Deze grote belangstelling van bestuurlijke zijde voor de kerkdiensten lijkt te reflecteren, dat men (kerkenraden, vaste commissies, werkgroepen ad hoc) de kerkdienst ziet als een fenomeen dat bij uitstek mensen moet trekken. Dit is natuurlijk de keerzijde van de zorg die wordt gevoeld door ontkerkelijking en secularisatie. Deze zorg heeft echter wel tot gevolg, dat een ‘gewone’ kerkdienst blijkbaar niet meer genoeg is: er moet bijna altijd iets extra’s zijn, iedere kerkdienst moet steeds weer opnieuw aantrekkelijk zijn en uitnodigend. Iedere kerkdienst krijgt de trekken van een op zichzelf staand ‘event’.

Met een ‘event’ bedoel ik een georganiseerde bijeenkomst waarvan het belangrijkste kenmerk niet is dat deze op een geregelde basis plaatsvindt, maar in principe eenmalig is – zo niet in frequentie, dan wel in kwaliteit en unieke kenmerken. Alleen al de voorkeur voor de Engelse term in plaats van het Nederlandse ‘evenement’ lijkt aan te geven, dat men met een event iets speciaals, andersoortigs en unieks wil bieden. Een event is iets belangwekkends, iets opvallends, iets wat onverwacht gebeurt, iets wat – letterlijk – ‘uit’ een proces van voorbereiding ‘te voorschijn komt’.[3] Dat er een tegenstelling bestaat tussen dit streven enerzijds en anderzijds het gegeven dat kerkdiensten meestal op een regelmatige basis en een vast tijdstip plaatsvinden, is evident. Dat maakt de beschreven tendens echter niet minder reëel.

In dit artikel wil ik drie dingen doen. In de eerste plaats wil ik nagaan, wat het betekent als we ervan uitgaan dat de kerkdienst inderdaad een nieuw karakter krijgt. Wat raken we dan kwijt, of: hoe was dat karakter dan voordat deze tendens begon? In de tweede plaats wil ik een aantal stadia uit de kerkgeschiedenis nagaan met de vraag: hoe was toen het karakter van de kerkdienst? Oftewel: is de verschuiving in de richting van het evenement een breuk met een eeuwenoude traditie of is deze slechts één van de vele fasen die de kerkdienst in de historie heeft gekend? Tot slot wil ik de vraag stellen, en daarbij ook enkele antwoorden suggereren, wat de veronderstelde verandering van het karakter van de kerkdienst theologisch zou kunnen betekenen.

Voordat ik deze vragen nader uitwerk, presenteer ik eerst nog een observatie om één en ander in een iets breder kader te plaatsen. Het is namelijk belangrijk niet te vergeten, dat de kerkdienst nooit de enige vorm van samenkomst binnen de christelijke gemeente is geweest en dat er binnen het ene begrip ‘kerkdienst’ ook nog onderscheid bestaat tussen (onder meer) getijdendiensten, speciale diensten, dagelijkse diensten en kerkelijke feesten. Ik richt me hier op de ‘gewone’ zondagse eredienst, die de meeste Nederlanders tegenwoordig als ‘de’ kerkdienst beschouwen. Echter, naast deze (en dus andere) kerkdiensten zijn er ook nog educatieve activiteiten, vergaderingen, gebedsbijeenkomsten en bovenplaatselijke of incidenteel grootschalige evenementen. Dat betekent ook, dat het ‘event’ niet iets nieuws is in de kerkgeschiedenis: we komen het tegen in de vorm van toogdagen, feestprocessies, festivals, optredens van gevierde predikers, enzovoorts.[4] Wat nieuw is, is dat de ‘gewone’ zondagse kerkdienst tegenwoordig steeds meer het karakter van een event begint te krijgen.

De kerkdienst als vergadering

Als ik – opnieuw – op mijn eigen waarnemingen afga, zie ik het evenement binnen de protestantse traditie in Nederland de zondagse eredienst binnenkomen in de vorm van jeugddiensten en gezinsdiensten, die, althans in de gemeente waarin ik ben opgegroeid, begonnen in de jaren ’70 van de afgelopen eeuw. Deze diensten werden vaak op een afwijkend tijdstip gehouden (of als invulling van de middagdienst), met een afwijkende liturgie met veel inbreng van niet-ambtsdragers, een muzikale rol voor gospelgroepen of andere ensembles van eigentijdse snit. Zulke diensten waren toen (voor mij en mijn generatie althans) nieuw, en werden ook veel drukker bezocht dan de gewone dienst op zondagmorgen. Ook de sfeer was anders: massaler, soms met een duidelijke interactie tussen spreker of musicus en aanwezigen, en aanwezigen die zich als een publiek gingen gedragen (zij het eerst nog met een erg schuchter applaus).

Natuurlijk was niet iedereen direct voor deze nieuwe vormgeving van de eredienst gewonnen, maar één van de klachten van degenen die zich hierdoor minder aangesproken voelden, is interessant: ‘ja, maar volgende week zien we ze niet.’ Die klacht klonk trouwens ook wel na afloop van de kerstnachtdienst, of als er een aantal kinderen was gedoopt, en de kerk dus ook voller had gezeten dan normaal op zondagmorgen. Zelfs na diensten waarbij jonge leden belijdenis van hun geloof deden, heb ik deze klacht regelmatig gehoord: het belijdenisdoen werd weliswaar op prijs gesteld, maar er heerste scepsis over de toekomstige frequentie van de kerkgang bij de nieuwe lidmaten.

Die klachten gaven (en geven) blijkbaar stem aan een bepaald ideaal: het ideaal van een gemeente die iedere zondag samenkomt, waarbij het missen van een kerkdienst een ongewenste uitzondering is, waarbij het lidmaatschap van de gemeente voldoende reden is om de kerkdienst te bezoeken. Slechts incidenteel een kerkdienst bezoeken is in deze visie ongewenst of zelfs ondermijnend.[5] Ik kan nog steeds bij mijn eigen herinneringen te rade gaan om te stellen dat dit ideaal veelvuldig werd verdedigd met een argument uit het verenigingsleven: ‘Als je lid bent van een muziekkorps / zangkoor / voetbalvereniging, sla je toch ook niet een repetitie of training over?’ Hoewel weinigen de kerk ‘slechts’ als één van de zoveel verenigingen zullen (hebben) gezien, vond (en vindt) men blijkbaar dat wat voor een vereniging geldt mutatis mutandis ook voor een kerk geldt. Een vereniging houdt bijeenkomsten, en wie lid is, bezoekt die bijeenkomsten. Slechts incidenteel een keer langskomen is niet de bedoeling.[6] Hoewel de idee van een gemeente met leden, en leden die samenkomen, ons volkomen natuurlijk overkomt, is er reden te twijfelen aan een al te hoge ouderdom van dit concept. De gemeente als verband van leden past namelijk één op één op het concept van een vereniging, en de vereniging is als maatschappelijk verschijnsel in onze cultuur betrekkelijk jong.[7] Het verenigingswezen is grotendeels een vrucht van de tweede helft van de 19de eeuw. Dan ontstaan er in een betrekkelijk korte periode honderden, zo niet duizenden, verenigingen in Nederland: zangen muziekverenigingen, toneelverenigingen, sportverenigingen en verenigingen tot het bereiken van een hoger doel: politieke, maatschappelijke en zelfs religieuze verenigingen.[8]

Het wezen van een vereniging in onze tijd is vaak ontspanning en het beoefenen van bepaalde liefhebberijen, hoewel er ook vele verenigingen zijn te vinden op het gebied van belangenbehartiging (patiëntenverenigingen) of zelfs met een uitgesproken maatschappelijk doel (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde). Die categorie, die van de belangenen doelverenigingen, is de oudste. Het is niet voor niets, dat in de grondwet van 1848 iedere Nederlander weliswaar het recht kreeg een vereniging op te richten, maar dat de rechtspersoonlijkheid nog wel afhankelijk was van koninklijke en later ambtelijke goedkeuring. Zelfs in die vorm moest het ‘recht van vereniging’ worden bevochten: dat ging namelijk om het recht voor de eigen belangen op te komen en niet iedere overheid was daar een voorstander van. Het woord ‘vereniging’ gaat uit van het aloude adagium concordia res paruae crescunt: door de krachten te bundelen, kan men meer bereiken dan op eigen houtje. Marx en zijn volgelingen zeiden niet voor niets: Arbeiders aller landen, verenigt u![9] Het verenigingsconcept past goed bij het kerkelijk Nederland van de 19de eeuw. De traditionele Hervormde Kerk was verdeeld in een aantal richtingen, en die richtingen probeerden alle zoveel mogelijk invloed op het geheel van de kerk te krijgen. Plaatselijk gebeurde dat in de evangelisatieverenigingen, landelijk opereerden de Confessionele Vereeniging (1864) en later de Gereformeerde Bond (1906), maar ook de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden in Friesland (1904; sinds 1913 verbreed tot een landelijke vereniging). Formeel waren dit verenigingen, in de praktijk functioneerden ze voor een groot deel als kerken. Maar andersom functioneerden veel kerken c.q. gemeenten ook als verenigingen. Dat men de kerkdienst als een vergadering of vaste activiteit van een soort vereniging begon te beschouwen, is dus niet onlogisch.

Een goed voorbeeld daarvan is het werk Onze eeredienst van Abraham Kuyper. Hij noemt de kerkdienst meteen in het eerste hoofdstuk een ‘vergadering der geloovigen’ en zet dat af tegen wat hij in zijn eigen jongere jaren teveel om zich heen zag: een kerk als ‘letterlijk een predikantsbedrijf, en zonder eenige confessie, zonder band aan andere kerken. Niets dan een kring die zich om een talentvol spreker verzameld heeft. […] De kerk is zijn zaak, zijn bedrijf. Het gaat alles van hem uit, hij regelt het alles naar zijn eigen goeddunken. En in zulke kerkjes heeft alzoo niemand aanmerking te maken. Wie er niet meer zijn wil, blijft er weg.’[10] Opvallend is, dat Kuyper deze beelden gebruikt in een pleidooi voor het gebruiken van een vast doopformulier. Het wezen van een kerk is volgens hem, dat er regels zijn, en dat ieder lid (!) ook het recht heeft de voorganger op die regels te wijzen: ‘Het is in beginsel hetzelfde onderscheid als tusschen een vrijbuiter en een officier bij de geregelde troepen’ (11).

In het volgende hoofdstuk gaat Kuyper nader in op het verschil tussen een ‘vergadering’ en een ‘samenkomst’: ‘Een vergadering is het in een zaal of vertrek opkomen van de leden van eenzelfde corporatie, college, vereeniging, genootschap of gilde, doch altoos daaraan te herkennen, dat vooraf vast moet staan, wie er wel en wie er niet toe hooren, en dat wie er toe hooren, verschijnen, niet omdat een ander het hun toestaat, maar omdat ze er recht op hebben, en het hun zelfs ten plicht is’ (12; cursivering van Kuyper). Bij een ‘vergadering’ hoort het concept van een lidmaatschap, van regels, en van een bestuur (13). En voor Kuyper een aangelegen punt: de leden hebben het laatste woord over het reglement, en niet een bestuur of de voorzitter (19).[11]

De kerkdienst als vergadering van een gemeente die functioneert als vereniging is dus een concept dat zijn wortels lijkt te hebben in de 19de eeuw, een eeuw die niet toevallig een eeuw is van kerkscheuring. Juist als er een nieuwe kerk ontstond, zocht men een eigentijdse vorm van organisatie, en de vorm van deze eeuw was de vereniging. Daarvan getuigen niet alleen de geciteerde gedachten van Kuyper en de voorbeelden van plaatselijke en landelijke verenigingen, we kunnen ook nog wijzen op de verschillende verenigingen die naast of als deel van een gemeente werden opgericht. Te denken valt aan de bekende knapen-, meisjes-, jongelingen-, vrouwen en mannenverenigingen, maar ook aan een vereniging die, voorzover ik weet, al snel uitgestorven is: de vereniging kerkelijke kas, waaraan men in de beginjaren van de Gereformeerde Kerken contributie betaalde, en die de vereniging vervolgens gebruikte om de activiteiten van de kerk mee te financieren.[12]

Eerdere vormen: de eucharistische maaltijd in de Vroege Kerk

Het feit dat de vereniging een typisch 19de-eeuws fenomeen is, gecombineerd met Kuypers klacht dat in zijn jeugd veel kerken (nog) niet als vereniging functioneerden, doet vermoeden dat er tijden zijn geweest dat er anders over de kerk werd gedacht en dat de kerkdienst dus ook anders werd ervaren. In het tweede deel van dit artikel wil ik daarom een paar perioden van de kerkgeschiedenis onder de loep nemen met de vraag: hoe werd de kerkdienst toen vormgegeven, en voor zover we nu nog kunnen nagaan, ervaren? Daarbij is volledigheid uiteraard onmogelijk. Het gaat meer om een beperkt aantal proefboringen, in de wetenschap dat er over elk van deze perioden meer is te zeggen, en dat er bovendien veel meer perioden zijn.[13]

Als ik dan begin bij de vroege kerk in de voorconstantijnse tijd, is er meteen al een opvallend gegeven. Het was altijd al bekend dat er in de eerste eeuwen na Christus nog geen kerkgebouwen bestonden: men kwam samen bij gemeenteleden aan huis en dat was altijd bij rijkere leden, die niet alleen over een eigen woning beschikten maar ook over een ruimte waar men met 20 of 30 mensen samen kon komen.[14] De laatste decennia is er steeds meer aandacht gekomen voor het inzicht dat de samenkomsten van de gemeente in deze tijd formeel niet te onderscheiden waren van bijeenkomsten van andere gezelschappen, de zogenaamde sodalicia. Zulke sodalicia hoefden geen hoger doel te dienen dan gezelligheid of ontspanning, maar konden ook in het leven zijn geroepen voor een maatschappelijk belang (de brandweer) of zelfs een hoger doel, zoals kringen rondom filosofen of priestercolleges.[15]

Bijeenkomsten van dergelijke sodalicia hadden de vorm van een symposium: eerst werd er gegeten en gedronken (liggend op banken), daarna was er ruimte voor gesprek, liederen, dans of toespraken. Een onmisbaar element was het offer aan een godheid, dat het geheel tenminste juridisch tot een cultische bijeenkomst maakte. Dat de eucharistie al vroeg óók als offer werd verstaan, heeft dus niet alleen theologische wortels: de eucharistie nam de plaats in van het offer waarmee het symposium werd geopend, en zal dus ook door de aanwezigen, tenminste als zij op latere leeftijd christen waren geworden, waarschijnlijk als offer zijn ervaren. De bijeenkomsten van de vroegchristelijke gemeente verliepen ook verder geheel volgens het patroon van het symposium: na het eucharistisch gebed met delen van brood en wijn volgde eerst de gezamenlijke maaltijd en daarna de liederen, gesprekken, preken en andere gebeden.

Met ons idee van een vereniging had zo’n bijeenkomst weinig gemeen. Er was geen formeel lidmaatschap – wel een initiatierite in de vorm van de doop. Er was geen bestuur – wel een leider in de persoon van de bisschop. Er was geen reglement – de bisschop nam beslissingen op basis van eerder gemaakte afspraken met andere bisschoppen. Er was waarschijnlijk ook geen ander doel dan de samenkomst zelf, net zo min als er een onderscheid bestond tussen leden en aanwezigen.[16] De gemeenschap bestond uit en in de mensen die bijeenkwamen, en binnen die gemeenschap vond onderlinge hulp en bemoediging plaats. Wie niet kon komen (bijvoorbeeld door slavernij of gevangenschap) werd gedacht in de gebeden en kreeg zijn of haar deel van de maaltijd en andere bijstand door de persoonlijke zorg van zusters en broeders.

Er zijn ook geen aanwijzingen dat de eerste gemeenten, ondanks het ideaal zoals dat in Handelingen 2 wordt beschreven, dagelijks of zelfs wekelijks samenkwamen. Dat zal wel zijn voorgekomen (‘voor een tijd en een plaats’), maar veel vaker ook niet. De frequentie kan ook heel goed lager zijn geweest, of onregelmatig, en er zijn onderzoekers die er rekening mee

houden dat een gemeente maar één of twee keer per jaar bij elkaar kwam.[17] Wel is zeker, dat er grote verschillen bestonden tussen de ene gemeente en de andere. Dat kon te maken hebben met voertaal (Grieks, Latijn, Aramees), sociale achtergrond, theologie – en ongetwijfeld nog meer. Ook binnen één en dezelfde stad kon meer dan één gemeente bestaan, allemaal met een eigen bisschop.[18] Naast de genoemde verschillen zal daarbij ook de schaal een rol hebben gespeeld: als de zaal vol was, kon de gemeente niet meer groeien. De eenheid en de identiteit van de gemeente lagen in het feit dat men samen de maaltijd van de Heer vierde. Daarbij was het belangrijk dat de hele gemeente (en niet een deel ervan) aanwezig was.[19] De eenheid van alle gemeenten was de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de bisschoppen, maar een vaste regel of een vast criterium op grond waarvan mensen al dan niet werden toegelaten als lid van de gemeente was er niet. Mogelijk is dat de sociale achtergrond van Paulus’ uitspraak ‘Niemand kan ooit zeggen: Jezus is de Heer, behalve door toedoen van de heilige Geest’ (1 Kor. 12, 3): wie Jezus Christus als Heer belijdt, is een broer of een zuster – ook als je verder niets van hem of haar weet.

Eerdere vormen: de mis in het pas gekerstende Noord-Nederland

Het boven geschetste beeld van de dienst in de tijd van de Vroege Kerk, waarin het begrip ‘lidmaatschap’ waarschijnlijk nog niet bestond en de samenkomsten van de gemeente werden ervaren als een speciale (christelijke) variant van de toen gebruikelijke cultische maaltijden van een besloten groep, is in de praktijk natuurlijk gedifferentieerder geweest. Als het de historische werkelijkheid al enigszins benadert, zal het tenminste vanaf de tijd van Constantijn zijn geldigheid hebben verloren, en na de val van het Romeinse Rijk zal er opnieuw veel zijn veranderd.

Mijn volgende proefboring beperkt zich tot de noordelijke Nederlanden in de tijd dat het christendom als gevestigde religie daar nog een jong fenomeen was. Er ontstaat dan een variant van het Frankische christendom, waarbij een sterke verwevenheid van plaatselijke leefgemeenschap en kerk ontstaat. De kleinste kerkelijke eenheid is de parochie. De parochie is per definitie geografisch (iedere vierkante meter was in principe bij een parochie ingedeeld) en moet beschikken over een kerkgebouw en een pastoor. In Noord-Nederland ligt de parochie aan de basis van het latere concept van het dorp: iedere parochie werd later een dorp (steden waren er toen in dat gebied nog niet) en de dorpen waren de onderste bestuurslaag. Centra van bewoning die het niet lukte een zelfstandige parochie te vormen, werden ‘slechts’ een buurt, streek of gehucht, formeel deel van het dorp.[20] De pastorie was niet alleen woning van de geestelijke, het was ook een soort bureau van de burgerlijke stand: iedereen werd gedoopt (tenminste in theorie) in de kerk, huwelijken werden er gesloten en er werd bij (en misschien ook al in) de kerk begraven. De administratie van dat alles werd gevoerd door de pastoor.[21] Over hoe één en ander in zijn werk gegaan is, ontbreken ons ten enen male de bronnen, maar wel is duidelijk dat op zeker moment vele grootgrondbezitters ertoe zijn overgegaan een deel van hun bezit aan de kerk te schenken. De opbrengst van landbouwgrond was lange tijd de economische basis voor zowel nieuwbouw, onderhoud en uitbreiding van een kerkgebouw, als voor het levensonderhoud van de pastoor.

We hebben voor deze tijd geen verslagen van kerkdiensten. Wel weten we dat de pastoor verplicht was iedere dag de mis op te dragen in de kerk. Hiervoor was hij juist, al was het maar voor een deel, vrijgesteld doordat hij recht had op de inkomsten van het pastoriegoed. Het is echter de vraag, of de parochieleden bij al die diensten aanwezig waren. Dat de pastoor daarvoor was vrijgesteld, betekent waarschijnlijk ook dat dat voor de meeste parochianen niet mogelijk was omdat zij de werktijd eenvoudig niet konden missen. De kans is groot, dat de mis niet gezien werd als een samenkomst van de parochie, maar als een geestelijke functie die weliswaar de hele gemeenschap ten goede kwam, maar in de praktijk werd uitgeoefend door één persoon.[22] Zelfs in de late Middeleeuwen, als we elders in Europa wel horen over meer of minder massaal bezochte missen, hetzij omwille van de prediking, hetzij om een vorm van deelname aan de communie, zwijgen de bronnen daarover in de noordelijke Nederlanden. Wat we wel hebben, zijn talloze oorkonden die getuigen van schenkingen aan de kerk terwille van het zielenheil van de schenker of een overledene uit zijn of haar kring. Deze schenkingen brachten voor de plaatselijke kerk (of soms ook een klooster) de verplichting met zich mee, dat er op gezette tijden voor de betreffende persoon of personen een gedachtenismis werd opgedragen. Deze verplichtingen waren in principe eeuwigdurend. Hoe dat precies in de praktijk is gegaan, is niet meer na te gaan vanwege het fragmentarische karakter van het bronnenmateriaal, maar er zijn schattingen die uitkomen op een bijna doorlopende reeks van missen, waarvoor ook steeds meer geestelijken nodig waren.[23] Voor de parochianen zal het onmogelijk zijn geweest al deze missen bij te wonen. Misschien dat de betreffende nabestaanden dit wel deden, maar nodig was het niet. Er zijn geen aanwijzingen dat de zondagse eredienst zich in enig opzicht onderscheidde van de doordeweekse routine, al kan dat wel zo zijn geweest. In Noord-Nederland zijn er geen of nauwelijks kerkbanken of andere zitplaatsen voor het volk van vóór de Reformatie overgebleven. Misschien waren die zitplaatsen ook helemaal niet nodig.[24] De kerkdienst was nodig voor het geestelijk heil van de parochianen, maar hun aanwezigheid was daarvoor niet noodzakelijk.

Eerdere vormen: de vroege Reformatie

Met de Reformatie ontstaat er opnieuw een totaal andere situatie. De dagelijkse mis wordt afgeschaft en de nadruk komt veel sterker te liggen op de zondagse eredienst. Maar ook dan zitten de kerken niet bepaald vol. In de eerste plaats was de toestand er één van veel onzekerheid, zowel politiek als godsdienstig, en dus ook van versplintering. In de 16de eeuw vinden we voor het eerst bronnen die aangeven dat een deel van de Nederlandse bevolking niet bij enige kerkelijke richting is aangesloten. De Gereformeerde kerk, die op de meeste plaatsen in Nederland de enige officieel toegestane is, kan ondanks de steun van de overheid nog niet bogen op een grote aanhang onder de bevolking. De gemeenten waarvoor er bronnen beschikbaar zijn, kenden allemaal slechts een klein aantal lidmaten (dat wil zeggen: leden die gedoopt waren en belijdenis hadden gedaan, en aldus onder de kerkelijke tucht vielen) en daarnaast een groter aantal ‘liefhebbers’.[25] Van de lidmaten kan misschien een geregelde kerkgang worden verondersteld, ook al is zelfs dat niet zeker. Als er in de bronnen over kerkgang wordt gesproken, is dat bijna altijd in negatieve termen: de mensen deden blijkbaar van alles op zondag, behalve naar de kerk gaan.[26]

We krijgen nu wel de eerste getuigenissen van kerkgangers. Het gaat dan met name om leden van de elite.[27] Hoeveel mensen er uit andere lagen van de bevolking bij de kerkdiensten aanwezig waren, weten we niet. Wel zijn er uit deze tijd de nodige preken overgeleverd. Deze zijn vaak erg dogmatisch. Dat is ook niet verwonderlijk: er was weliswaar door een overheidsbesluit een nieuwe vorm van kerkzijn, met daarbij een nieuwe theologie, als bindend of tenminste als enige toegelaten, maar dat wil niet zeggen dat iedereen direct wist wat dit concreet inhield. De vroegere pastoors moesten van de ene dag (of week) op de andere de nieuwe situatie uitleggen (of met pensioen gaan). Hoe moesten de gemeenteleden weten waar het allemaal om ging? Het kan dus niet anders, of in de tijd na de Reformatie hebben de kerkdiensten met name in het teken van de voorlichting gestaan. Het nieuwe geloof en de nieuwe manier van kerkzijn moest worden uitgelegd. De hele kerkdienst, inclusief gemeentezang en Bijbellezing, moet zeker in de eerste jaren meer het karakter van een experiment of leerprogramma voor en door pioniers hebben gehad, dan van een samenkomst van een vaste groep mensen volgens vaste regels.

Dit wordt ook bevestigd door twee ander observaties. De eerste daarvan is de welbekende en goed gedocumenteerde Nadere Reformatie: na een tijd waarin de nieuwe waarheid objectief-zakelijk werd gepresenteerd, ontstond er behoefte aan verinnerlijking en subjectieve ervaring. Ook dit was echter een vernieuwingsbeweging, waarbij de diensten (waarin liederen, lezingen en prediking waarschijnlijk voor het eerst weer een geheel begonnen te vormen) niet zozeer werden ervaren als samenkomsten van een groep leden als wel van een groep gelijkgestemden of een spirituele voorhoede. Men kwam in de kerk om persoonlijk-subjectief te worden bemoedigd, geloofszekerheid te krijgen, om de vreugde van het heil te ervaren.[28] De tweede observatie is die, dat veel van de preken die in de 17de eeuw zijn uitgegeven, zo wetenschappelijk zijn, dat het niet voor te stellen is dat ze werden begrepen door de aanwezigen. Als de preken al in deze vorm werden gehouden,[29] functioneerden ze niet binnen de context van het gemeenteleven, maar moeten ze veeleer zijn ervaren als etalage van geleerdheid of teken van ‘theologische kwaliteit’. De predikant behoorde tenslotte tot de elite, en veel gemeenten zullen er trots op zijn geweest als ze konden roemen op een ‘geleerde’ predikant. Met een besef van kerkzijn en een gemeenschappelijk geloof heeft dat alles echter weinig te maken.[30]

Eerdere vormen: volksopvoeders en genootschappen

Halverwege de 18de eeuw krijgt de predikant een nieuwe rol: van geleerde wordt hij volksopvoeder.[31] De nieuwe godsdienst heeft zich dan genoegzaam gevestigd. De mogelijkheid om zich het geloof op een persoonlijke wijze eigen te maken is dan verkend en voor wie zich daartoe aangetrokken voelen op verschillende manieren toegankelijk. De predikanten hoeven zich niet meer te bewijzen. De maatschappij vraagt echter om iets nieuws: ‘verheffing van het volk’. Daartoe wordt het volk dan ook georganiseerd, maar nog niet in verenigingen, maar in genootschappen. Een genootschap kent weliswaar een vorm van lidmaatschap, maar heeft de bedoeling deze leden individueel te vormen. Er is geen gemeenschappelijk doel en ook geen reglement. Bovendien worden de activiteiten (meestal lezingen) niet alleen voor de leden, maar ook voor een breder publiek georganiseerd. Ieder lid van het gehoor is echter zelf verantwoordelijk of hij of zij van het gebodene gebruik maakt of niet.[32] Tenminste waar de predikanten zichzelf als volksopvoeders verstonden, is de kans groot dat men de kerkdiensten ging ervaren als een bijeenkomst van een genootschap, zij het dan van godsdienstige aard of op christelijke grondslag. Een dergelijke bijeenkomst was dan wel met name bedoeld voor de hogere standen en de betere kringen. Voor grote steden is wel eens uitgerekend dat aan het begin van de 19de eeuw alle volwassen inwoners met geen mogelijkheid allemaal tegelijk in de aanwezige kerken pasten. Dat is in de tijd van de beginnende industriële revolutie goed verklaarbaar, maar dan is het wel opvallend dat we uit die tijd geen enkele stem horen, die dit plaatsgebrek als probleem ervaart.

Waarschijnlijk is deze genootschapscultuur ook hetgeen waartegen Kuyper ageert. Echter, anders dan Kuyper suggereert, is dit niet een afwijking van de oorspronkelijke functie van de kerkdienst die dan door hem in ere zou worden hersteld. Het is slechts de functie van de kerkdienst zoals die bestond in de eeuw tussen 1750 en 1850 en daarna werd afgelost door een andere.[33]

Enkele conclusies en theologische vragen

Als deze, voor een groot deel intuïtieve, rondgang langs een aantal momenten uit de geschiedenis van de kerk, een enigszins bruikbaar perspectief opent, kunnen we enkele conclusies trekken. De duidelijkste daarvan is, dat de zondagse kerkdienst hoe dan ook met de tijden meebeweegt. Iedere tijd kent zijn eigen vormen van samenkomst, zijn eigen doelen om samen te komen, zijn eigen vooronderstellingen, en die veranderen voortdurend. De kerkdienst onttrekt zich niet aan deze veranderingen. De kerkdienst is tenslotte een deelverzameling van de categorie ‘groepsbijeenkomsten’, en wat er in een bepaalde tijd voor die hele categorie geldt, geldt ook voor kerkdiensten.

Een tweede conclusie is, dat we de opkomst van het ‘event’ niet moeten zien als een breuk met de twintig eeuwen daarvoor of als de opkomst van iets geheel nieuws waardoor het eigene van een kerkdienst zou dreigen te verdwijnen. Wel is het van belang stil te staan bij de vraag wat de kerk verliest als het verenigingsmodel voor de vormgeving en beleving van de zondagse eredienst wordt losgelaten.

Kuyper omarmde dit model niet alleen omdat het zeitgemäß was, hij verbond er ook belangrijke theologische noties mee. Hij zag in het recht op vereniging, net als in andere grondrechten, een erkenning van het gedachtegoed van Calvijn dat de mens uiteindelijk slechts aan God verantwoording schuldig is en daarin niet beknot mag worden door een overheid.[34] Bovendien moet niet worden vergeten dat het gebruik van het verenigingsmodel door de kerk een enorme vormende en emancipatoire waarde heeft gehad. Dit werd niet alleen theologisch gefundeerd door de noties van Gods almacht, van het feit dat Hij mensen roept tot een doel (!) en van de menselijke verantwoordelijkheid tegenover God, maar ook daadwerkelijk in de maatschappij uitgedragen en zoveel mogelijk in de praktijk gebracht. Zo was Kuyper één van de allereersten die pleitte voor het stemrecht van mannen èn vrouwen in de kerk.[35] Het verenigingsmodel, gevoed door de kerken, is dan ook tot een duidelijk aan te wijzen maatschappelijke ‘zegen’ geweest.

Kuyper verbindt dit gedachtegoed weliswaar met dat van Calvijn, maar legt daarbij accenten die Calvijn nog niet legde en laat ook andere stemmen meeklinken, waaronder die van Schleiermacher. Hij doet dat bewust, omdat hij van mening is dat de bedoeling van Calvijn (of misschien beter: de waarheid waarvan Calvijn een stuk had gezien) in de loop van de tijd juist steeds verder moet worden ontvouwd.[36]

Misschien kunnen we die gedachte toepassen op de hele geschiedenis van de kerkdienst. Het samenkomen van de gemeente, het lezen uit de Schrift, gebeden en liederen, reflectie en viering van de sacramenten, en niet te vergeten onderlinge troost en bemoediging, zijn elementen die in elke fase van de kerkgeschiedenis zijn aan te wijzen. Uiteindelijk zijn het allemaal middelen tot of zelfs aspecten van de ontmoeting met God, die Zichzelf in Christus door alle mensen wil laten ontmoeten. De fundamentele ontmoeting van God en mens heeft plaatsgevonden aan het begin van onze jaartelling in Israël. Vanaf dat moment ontstaan er steeds nieuwe vormen waarin mensen aan die ene ontmoeting deel krijgen.[37]

Misschien mogen we ook zeggen dat die vormen door de Geest worden geschapen om aan te sluiten op de reële of gevoelde behoefte van mensen die in elke tijd anders is. Als dat zo is, en die behoefte verandert, dan moeten we ook de moed hebben te erkennen dat het misschien dezelfde Geest is die een ooit nodige of succesvolle vorm weer afvoert uit de kerkgeschiedenis. Vormen hebben altijd de neiging om te blijven en in de praktijk verdwijnt geen enkele vorm ooit helemaal. Maar heeft die vorm dan nog steeds dezelfde of überhaupt een functie in het tot stand brengen van de ontmoeting met God?

Nog steeds ga ik graag voor in klassiek vormgegeven kerkdiensten. Maar Kuyper of een ander kind van de 19de eeuw zou zo’n vorm van eredienst nauwelijks meer als zodanig herkennen. Mensen komen met sterk wisselende frequentie, voor praktische en soms zelfs wezenlijke zaken worden ad hoc vrijwilligers gezocht, het geheel lijkt niet meer op een formele samenkomst volgens de regels van een welomschreven groep waarvan men lid is of niet.[38] Toch houden we samen vast aan de liturgie zoals we denken dat die al eeuwen gevierd wordt. Tot het moment komt dat kerkenraad en voorganger het schip in lopen en zien dat daar nog geen tien mensen zitten. Liturgisch voelt dat voor mij als door het ijs zakken. De vertrouwde vormen werken dan gewoon niet meer. Dat doet pijn. Maar ik wil ernstig rekening houden met de mogelijkheid dat zich in die pijn een boodschap van de Geest manifesteert.

Als men zich in een bepaalde tijd niet meer wil binden aan een vereniging, en zich ook niet meer op die manier wil binden aan de kerk, zal men ook de ontmoeting met God in een andere vorm zoeken.[39] Dat is geen breuk met de liturgiegeschiedenis, en ook geen definitief gepasseerde wissel. Na het ‘event’ komt er ongetwijfeld weer iets anders. Wat blijft, is de waarde en het belang van een vorm van geregelde samenkomst.[40]

Tot besluit: de tijd van na het ‘event’ zou inmiddels al heel goed aangebroken kunnen zijn. Veel kerkelijke gemeenten lijken inmiddels afscheid te hebben genomen van het idee van massaal bezochte diensten. In plaats daarvan klinkt nu de roep om de aanwezigheid van de kerk in het dorp. Hoe die aanwezigheid vorm moet krijgen en wat precies die aanwezigheid aan leven op dorpsof wijkniveau toevoegt, is allemaal nog niet duidelijk. Maar na deze verkennende gang door de kerkgeschiedenis zou ik willen pleiten voor een begin van reflectie op de vraag wat mensen in deze tijd van een groepsbijeenkomst verwachten. Waarvoor komen mensen überhaupt in groepen bij elkaar? En hoe kan de kerk die behoefte op een vruchtbare wijze verbinden met de schat van het Evangelie, waarvan zij al eeuwen lang uitdeelt?[41]

Noten

[1] Ik was als predikant verbonden aan de Protestantse Gemeente (i.o.) te Burchwert-Hartwert-Hichtum en Lollum-Waaksens in de jaren 1997-2016. Ik was als visitator actief in de provincie Fryslân in de periode 2000-2013. Voor zover ik weet is de door mij waargenomen tendens nog niet in de literatuur beschreven.

[2] Dit was in de classis Franeker. Volgens de toenmalige missionaire werkers van de PKN was deze classis de enige met een missionaire commissie.

[3] Zie de definities in gezaghebbende Engelse woordenboeken. Etymologisch is het woord afkomstig van het Latijnse euenire, ‘uitkomen’. Het karakter van ‘opvallend en belangwekkend’ blijkt ook uit het Engelse non-event: ‘event that happened but fell so far short of expectations it might as well not have happened; unimportant or disappointing event’ (Online Etymology Dictionary).

[4] Zie ook de uiteenzetting van Marten van der Meulen elders in dit blad over de ruimte en de schaal van ontmoetingen.

[5] Uit het feit dat ik deze klacht nooit heb gehoord na afloop van een uitvaart, leid ik af dat uitvaartdiensten door de meeste gemeenteleden blijkbaar niet (of niet in de eerste plaats) als kerkdiensten worden gezien, maar als fenomenen van een andere orde. Ik ken zelfs mensen die oprecht beweren, nooit naar de kerk te gaan (hetzij uit weloverwogen levensovertuiging, hetzij uit gevoelens van wrok na conflicten), maar toch zonder bezwaar een kerkelijke uitvaart, inclusief consistoriegebed, hand van de ouderling en zegen, bijwonen. Blijkbaar ervaren zij dergelijke diensten niet als zodanig. Of misschien moet ik het anders formuleren: een uitvaart is naar zijn aard uniek en misschien daarom wel het ultieme kerkelijke ‘event’ – en dus wordt deze niet ervaren als een kerkdienst, waarvan immers regelmaat een basiskenmerk is.

[6] Een Bijbelwoord dat wel in deze context werd geciteerd is Hebr. 10:25: Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen (NBG 1951). Hoewel de meeste zo niet alle Nederlandse Bijbelvertalingen ongeveer zo luiden (zie www.debijbel.nl), lijkt het hier toch om iets anders te gaan. Zie bijv. Eduard Riggenbach, Der Brief an die Hebräer (Kommentar zum Neuen Testament), Leipzig: Deichert, 1913, 320-322 en D. Holwerda, Hebreeën. Vertaling met korte aantekeningen en achttien bredere studies, Kampen: Kok, 2003, 118-120.

[7] Het woord ‘lid’ is weliswaar afgeleid van het nieuwtestamentische beeld van de gemeente als lichaam, maar dat wil niet zeggen dat de kerk altijd primair als een verzameling ‘leden’ is beschouwd.

[8] Een aardig overzicht is te vinden in Ingrid van der Vlis, Onze club gaat nooit verloren. Honderd jaar verenigingsleven, Haarlem: Scriptum, 2008. Het verenigingsleven kan worden gezien als een vrucht van kolonialisme en industrialisatie: daardoor kregen velen de mogelijkheid structureel tijd in een liefhebberij of ideaal te steken. Daarvóór werkten de meeste mensen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat om in hun bestaan te voorzien. Zie ook E. Abma, ‘Verenigingen in verleden, heden en toekomst’, in: A.N.J. den Hollander e.a. (red.), Drift en koers. Een halve eeuw sociale verandering in Nederland, Assen: Van Gorcum, 21962, 287-316.

[9] Zie Marc Hooghe, ‘Verenigingen, democratie en sociaal kapitaal’, in: id. (red.), Sociaal kapitaal en democratie. Verenigingsleven, sociaal kapitaal en politieke cultuur, Leuven: Acco, 2000, 9-22.

[10] Abraham Kuyper, Onze eeredienst, Kampen: Kok, 1911, 10.

[11] Dezelfde gedachten vinden we ook, zij het minder geprononceerd, in J.H. Gunning JHz., Onze eeredienst. Opmerkingen over het liturgische element in den Gereformeerden cultus, Groningen: Wolters, 1890: het is de taak van de kerk ‘hare leden te verzamelen’ (15), en in die vergadering vindt de liturgie plaats ‘uit aller naam’ (16) en ‘op wettige wijze’ (17).

[12] Dit is dus eigenlijk een kopie van het Hervormde systeem van gescheiden bestuur en beheer, maar dan vormgegeven volgens het verenigingsmodel.

[13] Het is overigens opvallend, dat er geen overzicht van de geschiedenis van de kerkdienst als samenkomst van de gelovigen lijkt te zijn. Uiteraard wel van de liturgie (bijv. Paul Oskamp en Niek Schuman (red.), De weg van de liturgie. Tradities, achtergronden, praktijk, Zoetermeer: Meinema, 1998), van het kerkgebouw (C.A. van Swigchem, T. Brouwer en W. van Os, Een huis voor het Woord. Het protestantse kerkinterieur in Nederland tot 1900, ’s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1984), van de kerkzang (Jan Roelof Luth, “Daer wert om ’t seerste uytgekreten …”. Bijdragen tot een geschiedenis van de gemeentezang in het Nederlandse Gereformeerde protestantisme ± 1550 – ± 1582, Kampen: Van den Berg, 1986), van de preek (Hughes Oliphant Old, The Reading and Preaching of the Scriptures in the Worship of the Christian Church, 7 dln., Grand Rapids: Eerdmans, 1998-2010), van de voorgangers (Gerben Heitink, Biografie van de dominee, Baarn: Ten Have, 2001) en zelfs van de pastorie (Nikolaj Bijleveld en Justin Kroesen (red.), De protestantse pastorie in Noord-Nederland. Vijf eeuwen leven en werken, Gorredijk: Noordboek, 2018) – maar niet van de kerkdienst als maatschappelijk fenomeen.

[14] Het moderne begrip ‘huisgemeente’ heeft dus niet alleen een heel andere betekenis, maar ook een heel andere klank dan wanneer het in de vakliteratuur wordt gebruikt voor de eerste eeuwen van het christendom. Iedere gemeente was een ‘huisgemeente’, maar de plaats van samenkomst was niet het equivalent van onze ‘huiskamer’, maar meer een ‘salon’ of zelfs een ‘eetzaal’ in een landhuis of stadspaleis.

[15] Zie voor dit gedeelte het baanbrekende Matthias Klinghardt, Gemeinschaftsmahl und Mahlgemeinschaft. Soziologie und Liturgie frühchristlicher Mahlfeiern (TANZ 13), Tübingen – Basel: Francke, 1996.

[16] Pas in later eeuwen ontstond er een daarop gelijkend onderscheid, toen de viering van de maaltijd een deel werd van de kerkdienst en sommige aanwezigen werden weggestuurd als de viering van de maaltijd begon. Maar in de eerste eeuwen van het bestaan van de kerk was een dergelijke praktijk nog niet aan de orde.

[17] Zie Valeriy A. Alikin, The Earliest History of the Christian Gathering. Origin, Development and Content of the Christian Gathering in the First to Third Centuries (Supplements to Vigiliae Christianae 102), Leiden – Boston: Brill, 2010.

[18] Zie Alistair C. Stewart, The Original Bishops. Office and Order in the First Christian Communities, Ada MI: Baker Academic, 2014.

[19] De figuur van de bisschop had daarbij aanvankelijk nog geen theologische, maar alleen een praktische betekenis: zie Liuwe H. Westra, ‘Katholizität in der Spätantike: Die Kirche als Stütze des Reiches’, in: Peter Gemeinhardt (red.), Was ist Kirche in der Spätantike? Publikation der Tagung der Patristischen Arbeitsgemeinschaft in Duderstadt und Göttingen (02.-05.01.2015), Leuven – Paris – Bristol CT: Peeters, 2017, 83-99, 85-87.

[20] Volgens Kees Kuiken, Rural Salvation Markets. Medieval Memoria in Dutch Village Parishes (Historia Agriculturae 49), Groningen – Wageningen: Nederlands Agronomisch Historisch Instituut, 2019, 31-35 werd deze tendens versterkt door het besluit van het Vierde Concilie van Lateranen (1215) dat iedere parochiaan tenminste één keer per jaar bij de eigen pastoor moest biechten en ter communie gaan. Deze regel was overigens een afzwakking van een oudere, die uitging van tenminste drie maal per jaar deelname aan de communie: zie Erwin Iserloh, ‘Abendmahl III/2. Mittelalter’, in: TRE 1 (1977), 89-106, 98-99. Ook dit wijst niet op een frequente kerkgang van parochianen in de Middeleeuwen.

[21] Jos Aarnoudse, ‘Oude en nieuwe ontwikkelingen rondom de pastorie’, in: Liuwe H. Westra e.a. (red.), Preektijgers, pastores, pioniers. Predikantschap in de 21ste eeuw, Utrecht: Boekencentrum, 2018, 115-123, 116-117.

[22] De populariteit in de late Middeleeuwen van de zogenaamde Augenkommunion, waarbij het er alleen om ging dat men het moment van consecratie van de hostie waarnam, lijkt dit te bevestigen: Thomas Schumacher, Die Feier der Eucharistie. Liturgische Abläufe, geschichtliche Entwicklungen, theologische Bedeutung, München: Pneuma, 2009, 24-26. Zie ook Iserloh, ‘Abendmahl’, 97-98.

[23] Zie Kuiken, Salvation Markets.

[24] Daarmee komt overeen, dat er voor dit gebied nauwelijks voorreformatorische kerkbanken zijn overgeleverd, afgezien van banken voor adellijke families en mogelijke zitplaatsen voor mensen die slecht ter been waren. Überhaupt lijken banken voor het gewone volk pas tegen het eind van de Middeleeuwen algemeen te worden: Justin Kroesen en Regnerus Steensma, The Interior of the Medieval Village Church – Het Middeleeuwse dorpskerkinterieur, Louvain – Paris – Dudley, MA: Peeters, 2004, 267-271 en 285-287.

[25] Zie A.Th. van Deursen, Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk in de tijd van Maurits en Oldenbarnevelt, Franeker: Van Wijnen, 42000 en Wiebe Bergsma, Tussen Gideonsbende en publieke kerk. Een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650, Hilversum – Ljouwert: Verloren, 1999. Van Deursen (190-193) wijdt enkele pagina’s speciaal aan de kerkgang. Hij leidt uit de schaarse gegevens af, dat er weliswaar een ruim aanbod was, maar dat de vraag vaak tegenviel. Mensen moesten kiezen tussen werken en kerken, en in drukke perioden kon de kerkdienst helemaal uitvallen. Hij noemt geen bronnen waaruit blijkt, dat er een besef bestond dat men als gemeente samen ter kerke ging.

[26] Zie G.D.J. Schotel, De openbare eeredienst der Nederl. Hervormde kerk in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw, Leiden: Sijthoff, 21906. Anders dan de titel doet vermoeden, is dit werk geen overzicht van wat we weten over de ontwikkeling van de protestantse kerkdienst in de genoemde eeuwen, maar worden hierin de bronnen over verschillende elementen (kerkklokken, orgels, preekstoelen) en functionarissen (kosters, diakenen, kerkvoogden) in chronologische volgorde opgesomd.

[27] Bijvoorbeeld D.W. Kok, Onno Hellinga (red.), Diarium Furmerii. Dagboek van Bernardus Gerbrandi Furmerius, 1603-1615, landsgeschiedschrijver van Friesland, Leeuwarden: Fryske Akademy, 2006. Het gaat hier om een dagboek van iemand uit de kringen van de stadhouder. Hij noteert het consequent als er Avondmaal is gevierd in zijn woonplaats Leeuwarden. De formulering (meestal synaxis habita) laat in het midden, of hij de dienst al dan niet bijwoonde, en of hij al dan niet aan het Avondmaal deelnam. Bernard Furmerius noteert de avondmaalsvieringen echter alleen, als hij zelf in Leeuwarden verblijft. Dit suggereert tenminste, dat hij de diensten zelf bijwoonde.

[28] Zie bijv. T. Brienen, Johannes Hoornbeeck (1617-1666). Eminent geleerde en pastoraal theoloog, Kampen: De Groot Goudriaan, 2008, 23-24.

[29] Uit Brienen, Hoornbeeck, 30-32 blijkt dat sommige predikanten in ieder geval de uitgegeven preek met extra materiaal verrijkten.

[30] Zie Heitink, Biografie, 76-81.

[31] Heitink, Biografie, 83-95 en Nikolaj Bijleveld, Voor God, Volk en Vaderland. De plaats van de hervormde predikant binnen de nationale eenwordingsprocessen in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw, Delft: Eburon, 2007. Bijleveld (85-95) verbindt deze functionele verschuiving met een theologische: de godsdienst moest niet langer de maatschappij structureren, maar het individu moreel vormen.

[32] Bijleveld, God, Volk en Vaderland, 159-170.

[33] Hiermee lijkt samen te hangen dat er rond 1850 een sterke daling van het maatschappelijk aanzien van het predikantschap plaatsvond: zie David J. Bos, ‘‘Een kring van achtbare mannen.’ De sociale positie van (hervormde) predikanten in negentiende-eeuws Nederland’, in: D.Th. Kuiper (red.), Predikant in Nederland (1800 tot heden) (= Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800 5), Kok: Kampen 1977, 13-50.

[34] John Witte Jr., The Reformation of Rights. Law, Religion, and Human Rights in Early Modern Calvinism, Cambridge – New York: Cambridge University Press, 2007, 321-328.

[35] Cornelis van der Kooi, ‘Calvin, Modern Calvinism, and Civil Society. The Appropriation of a Heritage, with Particular Reference to the Low Countries’, in: Irena Backus and Philip Benedict (red.), Calvin and His Influence, 1509-2009, Oxford: Oxford University Press, 2009, 267-279, 272-277.

[36] Zie Witte, Reformation, 328-331 en Van der Kooi, ‘Calvin’, 272-273 en 278.

[37] Verg. F.G. Immink, Het heilige gebeurt. Praktijk, theologie en traditie van de protestantse kerkdienst, Zoetermeer: Boekencentrum, 22011, 41-59.

[38] Het toenemen van het informele karakter van de kerkdienst is in mijn regio goed te meten aan het gebruik van het Fries: zie Liuwe H. Westra, ‘Wat bart der no wier nei hûndert jier? Sifers, wurden, tinzen en winsken oer it Frysk yn tsjerke fan in âld-Tsjommer’, in: Abe de Vries, Liuwe H. Westra en Koen Zondag: Pioniers sûnder folgers. It Frysk yn tsjerke nei mear as 100 jier, Boalsert, 2015, 41-51.

[39] Zie voor een seculiere parallel Paul Dekker en Joep de Hart, ‘Het sociaal kapitaal van de Nederlandse kiezer’, in: Hooghe, Sociaal kapitaal, 84-109. Als de verenigingen verdwijnen, zoekt men voor de vorming van ‘sociaal kapitaal’ andere wegen.

[40] Deze waarde van de geregelde samenkomst lijkt voor wat betreft haar maatschappelijke kant te worden bevestigd door Joep de Hart en Paul Dekker, ‘Kerkelijkheid en maatschappelijke participatie in Nederland’, in: Hooghe, Sociaal kapitaal, 147-174.

[41] In dit artikel beweeg ik mij voor een groot deel buiten mijn eigenlijke vakgebied. Ik ben daarom dankbaar voor de kritiek en suggesties voor verbetering van Alco Meesters, Oane Reitsma, Kees van der Kooi, Gert van Klinken en Jelle Rollema.

Tags:

Meer Kerkgeschiedenis & Liturgie & Prediking