< Terug

Kerkje van Fransum

Voor de komende generatie heeft mijns inziens ‘Kerkje van Fransum’ (1996) van C.O. Jellema ( 1936-2003) grote urgentie. Monniken van het nabije klooster te Aduard bouwden het in de dertiende eeuw op een kleine wierde in het wijde landschap. Bijna zevenhonderd jaar hebben mensen daar het Woord gehoord en het heilig Brood ontvangen. In 1909 is het godshuis aan de eredienst onttrokken.

De dichter staat buiten, tussen de zerken, tastend naar woorden. Het hart is uit dit kerkje: geen tabernakel, geen gewijde kaars, ‘kleine sarcofaag van het geloof’. Straks zullen mensen vaker dichte kerken zien. Maar zullen zij nog op de twee vragen komen die het gedicht stelde?

bescherm je

met je lichaam ons landschap

als bodem van hemel?

Leven en sterven wij op een stofje dat draait om een stip in een uitdijende ruimte waar alles zwijgt? Of zijn wij op aarde onder de hemel zodat een vreemde hoop wordt gewekt dat goedheid en waarheid geen illusies zijn? De tweede vraag wordt wakker in de laatste woorden:

zo ben je het mooist:

dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.

Antwoord dat uitblijft, roept ongeloof op. Maar hier heet het uitblijvend antwoord kostbaar. De dichte kerk is mooi, als een schrijn die iets zeer kostbaars bewaart. Vreemd, nu zelfs God alleen nog als vraag wordt beleefd! Als Jezus, om wie in de kerk alles draait, aan het kruis hangt, is in twee van de Evangelies zijn laatste woord ‘waarom’. Het kerkje van Fransum fluistert dat hij onze pijn om het uitblijvend antwoord deelt.

< Terug