Bijblijven en nabij blijven

Ontwikkelingen in de nascholing van predikanten en kerkelijk werkers

In dit themanummer ook een artikel over nascholing van predikanten en kerkelijk werkers – vooral omdat de kerkenraad én de gemeente daarover ook goed geïnformeerd moeten zijn. Zij mogen (moeten?) meedenken, meebeslissen, mogelijk maken… enz.

In 2010 werd in de Protestantse Kerk in Nederland de aanzet gegeven tot een systeem van Permanente Educatie voor predikanten en kerkelijk werkers. Daarmee werden meer eisen en kaders, maar ook meer handvatten en concrete mogelijkheden gecreëerd voor de persoonlijke en professionele ontwikkeling van theologen die werkzaam zijn in de kerk. Intussen zijn we tien jaar, de nodige ervaringen, een evaluatie en enige aanpassingen verder. De rode draad: een opbouwend samenspel tussen predikant en/of kerkelijk werker, de kerkenraad en de aanbieders van nascholingsactiviteiten is cruciaal.

Tien jaar Permanente Educatie in vogelvlucht

De introductie van Permanente Educatie kwam mede voort uit veranderingen in positie en profiel van predikanten en kerkelijk werkers. Met dat de kerk in de samenleving haar vanzelfsprekendheid verloor, is ook de geloofwaardigheid van de boodschap en de boodschapper niet meer gegeven. Meer dan vroeger komt het aan op de authenticiteit en integriteit van de predikant als persoon. Het is belangrijker geworden om het gesprek met andersgelovigen te kunnen voeren. Ook wordt er meer dan vroeger een beroep gedaan op leidinggevende kwaliteiten. Het relatief veel voorkomen van burn-out onder predikanten bepaalde ons bovendien opnieuw bij het belang van de eigen toerusting en de voeding van de eigen spiritualiteit van theologen.

Centraal in de Permanente Educatie staan dan ook de persoonlijke en geestelijke groei en de ontwikkeling van vaardigheden. Dat gaat dus verder dan ‘het vak bijhouden’ door een nieuw boek te lezen of naar een lezing te gaan. Het vergroten van kennis gaat nadrukkelijk samen met de verdieping van vaardigheden (‘competenties’), in de concrete context van bediening en gemeente.

Deze insteek vroeg tien jaar geleden een omslag van aanbieders, predikanten/kerkelijk werkers en kerkenraden, zowel in praktische zin als in de manier van denken over de nascholing. Na het mentoraat in het eerste jaar en de primaire nascholing vanaf het tweede tot en met vierde werkzame jaar, werd nu ook de voortgezette nascholing strakker ingericht. Dat hield in dat predikanten verplicht werden om in cycli van vijf jaar een bepaald aantal studiepunten te halen (afhankelijk van de omvang van de aanstelling). Daarvoor volgen ze cursussen binnen 1) een door de kerk ‘aangestuurd aanbod’, verzorgd door de Protestantse Theologische Universiteit in samenwerking met de verschillende HBO-instellingen die theologen opleiden; 2) een ‘open erkend aanbod’ aan studiedagen, studiereizen, intervisie, supervisie, literatuuronderzoek en dergelijke; en 3) een studieverlof ‘onder eigen regie’. Deelname aan cursussen moesten predikanten gaan registreren en vooraf moesten ze een scholingsplan opstellen waarin ze hun eigen leerdoelen en ‘groeibehoeften’ formuleren en aangeven hoe ze hieraan gaan werken. Dit scholingsplan moest ter goedkeuring worden voorgelegd in het brede moderamen van de classis en werd onderdeel van de jaargesprekken tussen predikant en kerkenraad.

Voor predikanten vroeg dit in praktische zin meer dan voorheen. Toen konden ze in overleg met de kerkenraad een periode van studieverlof opnemen. Daar was geen vast verantwoordingskader voor. Niet zelden werd de verandering ervaren als een verlies van autonomie. Het opstellen van een scholingsplan voelde bovendien soms onwennig. Het vraagt een andere manier van kijken naar de eigen professionaliteit in verhouding tot ambt, roeping en positie in de gemeente.

Kerkenraden kregen op papier een grotere betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij het opstellen en uitvoeren van het scholingsplan. De keuze voor de te versterken competenties hangt immers ook samen met wat de gemeente nodig heeft en met de visie op de rol van de predikant of kerkelijk werker in de lokale gemeenschap. In de praktijk is er op dit vlak vaak nog grote verlegenheid. Dat een kerkenraad vaak binnen de tijd van de PE-cyclus geheel gewisseld is, draagt ook niet bij aan de continuïteit en opbouw in gesprekken over ontwikkeling.

Voor de Protestantse Theologische Universiteit als aanbieder van nascholing bracht de introductie van de Permanente Educatie enerzijds de praktische uitdaging met zich mee van het inrichten van een systeem en cursusprogramma voor primaire en voortgezette nascholing. Anderzijds vroeg het ook een andere manier van denken over de cursussen zelf: waar het nascholingsaanbod voorheen vooral een spin-off was van de bestaande onderwijs- en onderzoekspraktijk (en in die zin aanbod-gedreven) moest er nu een vastgestelde balans gevonden worden in het aanbod vanuit verschillende disciplines en moest er meer behoeftegericht en competentiegericht gewerkt gaan worden. Daartoe is een commissie in het leven geroepen met een vertegenwoordiging vanuit de beroepsgroepen. De commissie adviseert over het programma.

De keuze voor de te versterken competenties hangt samen met wat de gemeente nodig heeft

In 2017 is het systeem van Permanente Educatie van predikanten en kerkelijk werkers uitgebreid geëvalueerd. De invoering was in zoverre geslaagd dat vrijwel alle predikanten het vastgestelde aantal punten voor deze cyclus hadden gehaald. Met name de primaire nascholing werd sterk gewaardeerd. Met betrekking tot de voortgezette nascholing werden er nog veel knelpunten gesignaleerd, zoals moeite om de nascholing in te plannen in de werkzaamheden, onhelderheid over toetsing en accreditatie, moeite met het opstellen en bijhouden van een scholingsplan, beperkingen in de aansluiting tussen vraag en aanbod en administratielast van registratie. Het systeem werd daarop door de Synode vereenvoudigd: de accreditatie en registratie zijn afgeschaft. De categorieën in de voortgezette nascholing zijn teruggebracht tot 2 (aangestuurd en onder eigen regie). Onder het aangestuurde deel valt naast het volgen van cursussen ook één keer in de vijf jaar een begeleidingstraject van supervisie, coaching of geestelijke begeleiding. Deze wijzigingen moesten leiden tot meer focus, meer eigen regie en meer eenvoud

Centraal staan de persoonlijke en geestelijke groei en de ontwikkeling van vaardigheden

in organisatie, structuur en werkprocessen. Het afschaffen van de registratieplicht legt een nog grotere verantwoordelijkheid bij de kerkenraad voor het stimuleren en monitoren van de ontwikkeling van zijn predikanten en kerkelijk werkers.

Voorbeelden van concrete cursussen zijn hier te vinden: https://www.pthu.nl/onderwijs/pao-pthu/cursusaanbod-2020-2021/

Waar staan we nu?

De Protestantse Theologische Universiteit heeft de afgelopen jaren een uitgebreid cursusprogramma verzorgd met voornamelijk ‘tweedaagsen’ over een veelheid aan thema’s. Denk aan onderwerpen die de kern van het predikantschap vormen, zoals preken en omgang met de Bijbel, liturgie, pastoraat, sacramenten, de eigen spiritualiteit, ethiek, leidinggeven en visie op gemeente- en kerkzijn. Maar ook thema’s die in gemeenten spelen en waarin vaak ook verwachtingen zijn van predikanten en kerkelijk werkers, zoals jeugdwerk, diaconaat, muziek, ontkerkelijking, individualisering, kerk zijn in het dorp, of migratie. Daarnaast is er aanbod voor degenen die zich graag bezighouden met het bestuderen van teksten en theologisch onderzoek doen.

Toch moesten we de afgelopen jaren constateren dat het aantal deelnemers terugloopt en dat veel van de genoemde knelpunten nog niet zijn opgelost. Het blijft zoeken naar een goede match tussen vraag en aanbod. Dat geldt zowel voor de onderwerpen als voor de vorm – het blijft een punt dat de tweedaagsen en de voorbereiding hiervoor vaak moeilijk te plannen zijn in de reguliere werkzaamheden. Ook is het aanbod nu nog onvoldoende gericht op kerkelijk werkers. Het is de bedoeling dat intensievere samenwerking met de HBO’s hier verandering in gaat brengen.

Naast de tweedaagsen zijn er verschillende lange trajecten van 1 à 2 jaar. Zo is er de opleiding Klinische Pastorale Vorming waarin deelnemers groeien in pastoraat, geestelijke begeleiding, leidinggeven en voorgaan, door hierbij echt met zichzelf aan de slag te gaan. Het gaat over vragen als: Wie ben ik als pastor? Wat doe ik en waarom doe ik dat zo? Wat inspireert mij en waar liggen mijn grenzen?

Ook in het lange traject Geestelijke Begeleiding speelt het verder ontdekken van de eigen spiritualiteit en de relatie tot de ander een belangrijke rol. Deze opleiding is gericht op het versterken van de kennis, vaardigheden en houding die nodig zijn om de ander te begeleiden in zijn of haar relatie met God. Een ander lang traject dat succesvol is en veel belangstelling trekt, is de opleiding tot interim-predikant. Deze wordt niet alleen gevolgd als omscholing, maar ook vanwege de handvatten voor leidinggeven en verandermanagement die predikanten in hun eigen gemeente willen toepassen.

Dit jaar is de eerste groep gestart met een lang traject (1,5 jaar) over preken. Ook dit traject is een mooie mix van kennisopbouw, oefenen en toepassen, intercollegiale uitwisseling en supervisie. Dat de lange trajecten populair zijn, komt doordat deelnemers daarin echt ervaren dat ze leren en ontwikkelen. Er is tijd om te oefenen, steeds weer de verbinding met de praktijk te maken. Er is persoonlijke begeleiding en er ontstaat een hechte groep. Tegelijk vragen de trajecten veel tijd van de deelnemers en is zeker hiervoor een steunende context vanuit de gemeente belangrijk.

De coronamaatregelen vroegen en vragen veel flexibiliteit en creativiteit. Cursussen moeten worden verplaatst of online worden gegeven. Naast alle onzekerheid en teleurstellingen die dat meebracht, was het ook een kans om te experimenteren met online vormen zoals webinars, symposia en supervisie online. Noodgedwongen raakte iedereen vertrouwd met deze manier van werken. Het goede daarvan hopen we in de toekomst te blijven inzetten.

De lange trajecten zijn populair, de deelnemers ervaren echt dat ze leren en ontwikkelen

Voor de doorontwikkeling van het aanbod zien we kansen in enerzijds meer lange trajecten en anderzijds ook korte online ontmoetingen. Daarnaast zet de Protestantse Theologische Universiteit in op meer samenwerking met andere aanbieders om een breed en gevarieerd aanbod te kunnen blijven bieden. De echte uitdaging blijft echter het goed zicht krijgen op de leervragen en behoeften van de predikanten en kerkelijk werkers. Dat geldt voor de aanbieders van nascholing, maar misschien wel net zo zeer voor de predikanten en kerkelijk werkers zelf. Op allerlei manieren wordt aan hen getrokken. Dat maakt het soms moeilijk om de tijd en rust te vinden voor reflectie. Nascholing staat niet vooraan in de agenda. Daarin kan de kerkenraad een belangrijke rol vervullen door het wel bespreekbaar te maken. Dat vraagt om een open sfeer waarin hierover gesproken kan worden zonder dat het overkomt als kritiek op het functioneren. Bespreek niet alleen wat de gemeente nodig heeft in haar predikant, maar vraag ook wat de predikant nodig heeft vanuit de gemeente.

Jorien (mw. dr. J.C.) Holsappel werkt aan de Protestantse Theologische Universiteit als kennismakelaar en houdt zich o.a. bezig met de coördinatie en doorontwikkeling van de nascholing.

Tags:

Meer Kerkopbouw