Thuis zijn in de kerk

Enige tijd geleden was er in mijn gemeente een soepbuffet. Op zaterdag kwamen er zo’n honderd mensen naar het jeugdcentrum. Jongeren, mensen van mijn leeftijd, maar vooral jonge gezinnen. Met z’n allen zaten we rondom tafels en aten diverse soorten soep. Hier konden we ons het huisgezin van God voelen. Aanwezig zijn bij zo’n maaltijd appelleert aan het gevoel ergens bij te horen. In de bezinning op kerkverlating is het dus niet onbelangrijk om dit ‘thuis voelen’ te begrijpen.

Ik zal in deze bijdrage eerst het thuisgevoel verkennen, vervolgens ga ik er wat dieper op in met behulp van de motivatiepsychologie. Aan de hand daarvan geef ik ook enkele toepassingen. Wetend dat de kerk niet bestaat bij de gratie van een thuisgevoel, zal ik aan het eind van deze bijdrage dat wat psychologisch gezegd is, praktisch-theologisch enigszins deconstrueren. In de loop van het artikel verwijs ik naar een onderzoeksrapport over stille kerkverlating (Schaeffer en Wijma-van der Veen 2020).

Thuisgevoel

Als ik een paar gedachtesporen verken bij ‘thuisgevoel’, blijken die vooral positief. Je thuis voelen gaat over vertrouwdheid, over vanzelfsprekendheid, over het besef dat je niet bevraagd wordt en dat de dingen gaan zoals ze gaan. Als je je thuis voelt, mag je jezelf zijn en wordt er niet op ieder slakje zout gelegd. ‘Thuis’ verwijst naar een plek van geborgenheid, veiligheid, een plek waar je graag naar terug gaat als je ver weg bent geweest. Een plek waarnaar je heimwee hebt als je in een lastige situatie zit. Een plek dus kennelijk waar de goede herinneringen beginnen. Het spreken over ‘een plek’ duidt op de fysiek-ruimtelijke bepaaldheid van het thuisgevoel. Hier zijn we ons tijdens de coronacrisis sterk van bewust geworden. Herinneringen hechten zich aan geuren, geluiden, hout en steen. De mus en de zwaluw uit Psalm 84 verlangen niet naar een sfeer, maar naar een plaats in een gebouw.

Met deze associaties heb ik het meest belangrijke niet genoemd en dat is het besef ergens bij te horen. Een sense of belonging kan omschreven worden als: de menselijke behoefte om een aanvaard groepslid te zijn. Mensen willen behoren tot iets groters dan zichzelf. Het gaat dan niet alleen om vertrouwdheid, veiligheid en vanzelfsprekendheid, maar ook om de behoefte om aandacht van anderen te ontvangen en aan anderen te geven. Om jezelf als iemand met een identiteit te kunnen ervaren en om met anderen buiten jouzelf te communiceren, heb je dit grotere geheel nodig.

Sense of belonging geeft ook de spanning aan tussen (in psychologisch vocabulaire) ‘socialisatie’ en ‘individuatie’. In de sociologie wordt ook wel gesproken van de spanning tussen being en together. Je moet jezelf ontwikkelen tot een herkenbaar individu te midden van een groep. In de moderniteit is het individu steeds meer de actor geworden in dit proces. De identiteit is niet meer een gegeven, maar een proces van zelfdefinitie (Bauman en Val 2011). Het verlangen ergens bij te horen blijft, mogelijk tot uiting komend in nieuwe verschijningsvormen. Harmen van Wijnen beschrijft in zijn proefschrift bijvoorbeeld dat jongeren zoeken naar nieuwe stamverbanden, die met name gefaciliteerd worden door digitale communicatie, een proces van tribalisering dus (Van Wijnen 2019). Als je niet ergens een thuisgevoel ervaart, geeft dat veel bekommernis en zul je toch naar een thuis zoeken, zo zegt een klassiek artikel over dit fenomeen (Baumeister en Leary 1995).

Voor dit artikel ga ik uit van de algemeen veronderstelde behoefte aan ‘erbij horen’. Al door Maslow werd dit onderkend als een van de vijf basisbehoeften, waar nog steeds evidentie voor is (Tay en Diener 2011).

Er niet meer bij willen horen

Mensen die het soepbuffet-gevoel kwijt zijn, zullen zich ergens anders toe gaan verhouden. De manier waarop dat gebeurt, is complex. Christine Halse vat het in een overzichtsstudie naar sense of belonging als volgt samen:

‘Door zowel de omstandigheden als door een keuze kan men wegglijden uit een bepaalde zingeving, uit een identiteit of uit het behoren tot bepaalde plaatsen en sociale bindingen. Dit kan soms gebeuren met een frequentie, snelheid en subtiliteit die nauwelijks te bespeuren of op te merken is totdat het aan een nauwkeurig onderzoek wordt onderworpen. Door dergelijke mechanismen en processen wordt een positionering van ‘ertoe behoren’ of ‘er niet toe behoren’ als eigenschap toegeschreven aan individuele personen. Of ze wordt juist opgepakt, geminacht of weerstaan.’ (Halse 2018, 6 – eigen vertaling)

Als onderzoeksgegevens suggereren dat kerkverlating ontstaat door ‘het niet meer thuis voelen’ en ‘er niet meer bij horen’ (Schaeffer en Wijma 2019, 5), dan is dat om verschillende redenen een lastige verklaring.

In de eerste plaats is ieder proces van zich niet meer thuis voelen uniek. De ontwikkelingsgang van je ergens thuis voelen of niet meer thuis voelen, wordt door iedereen afzonderlijk gemaakt. Ergens treedt er een conflict op met wat ooit veilig, vertrouwd en vanzelfsprekend was. Er ontstaat een moment dat je het vertrouwde niet meer wilt en de vanzelfsprekendheden een bedreiging worden. Het kan zijn dat je je eigenlijk nooit hebt thuis gevoeld en het kan ook zijn dat het je niet thuis voelen zich langzaam heeft ontwikkeld (Schaeffer en Wijma 2020, 6).

In de tweede plaats maken empirische gegevens over kerkverlating niet duidelijk wat de relatieve betekenis is van het thuisgevoel. Het lijkt mij beter om het te beschouwen als een noodzakelijke conditie dan als een verklaring. Het is net als bij een griepvirus: je kunt griep krijgen, maar er zijn bepaalde voorwaarden nodig om het virus actief te laten worden. Je hebt een slechte conditie, je hebt te veel stress, eet ongezond en daardoor wordt het virus actief. Toegepast op deze thematiek: het ontbreken van een thuisgevoel is een noodzakelijke conditie die pas actief wordt als er ook iets anders gaande is. Als het gezin of de gemeente niet in staat is om het thuisgevoel te laten ontstaan of in stand te houden, is er een probleem. Maar dat probleem leidt alleen tot afstand nemen van de kerk als er ook andere factoren in het spel zijn. Misschien is er een ernstige ziekte, een conflict in de gemeente of een echtscheiding. Maar het kan ook gaan om sterke intellectuele twijfels bij het Godsbestaan. Je kunt je niet happy voelen bij de gemeente, maar pas omdat je overtuigingen veranderen, neem je daadwerkelijk afscheid van de kerk.

In de derde plaats lijkt het steeds moeilijker om door onderzoek patronen van kerkverlating te kunnen aanwijzen. De veranderingen in generaties gaan snel. Daardoor weten we niet meer goed of wat er tussen de voorgaande en onze generatie gebeurd is, ook van toepassing is op de verhouding tussen ons en de volgende generatie. De jongeren die nu opgroeien, behoren tot de generatie Z, de eerste generatie die zich geen wereld zonder internet kan herinneren, ook wel de iGeneratie of digital natives genoemd.

Generatie-expert Aart Bontekoning noemt de huidige kinderen ‘de bewuste generatie’, de generatie met een ontstellend goed reflectief vermogen, maar dus ook met een altijd actieve geest. Het hoge bewustzijnsniveau is mogelijk causaal gecorreleerd aan stress bij kinderen en jongeren. Veel van de huidige opvoeders zijn millennials, geboren na 1980. Zij hebben ook hele snelle veranderingen meegemaakt in de wereldorde zoals de opmars van de digitale techniek, veranderingen in sociale verhoudingen (bijvoorbeeld de vanzelfsprekendheid van werkende vrouwen), die impact hebben op de opvoedingscultuur (Bontekoning 2019).

We kunnen maar moeilijk voorspellen hoe veranderingen verder gaan, moeilijk voorspellen waarom jongeren de kerk zouden gaan verlaten en we kunnen dus ook moeilijk maatregelen nemen.

Inzichten vanuit de motivatiepsychologie

Valt er dan niets te zeggen over het al of niet bevorderen van ‘thuisgevoel’? Ik denk het wel. Het thuisgevoel is, zo gaf ik aan, een belangrijke conditie voor kerkelijke betrokkenheid. Om het beter te begrijpen vind ik de motivatie theorie van Ryan en Deci behulpzaam (voor een recente samenvatting: zie Ryan en Deci 2017). De theorie gaat uit van drie basisbehoeften van mensen: autonomie, verbondenheid en competentie.

  • Bij autonomie gaat het niet om onafhankelijkheid, maar om de vrijheid om zelf keuzes te kunnen maken. De persoon voelt zich autonoom als hij zichzelf als oorzaak kan ervaren van zijn handelen.
  • Verbondenheid is de behoefte om in interactie te zijn met anderen, daarin verbinding te ervaren en ook de behoefte om iets voor anderen te betekenen.
  • Competentie gaat over de behoefte daadwerkelijk effect te zien van het eigen handelen. Mensen willen graag ergens aan werken en er ook resultaat van zien.

Als aan deze behoeften is voldaan, dan zullen mensen ‘zich wel bevinden’, kunnen ze zich ontwikkelen en zijn ze ook gemotiveerd om zich ergens voor in te zetten. Mensen zijn dan ook meer geneigd mee te doen (adaptatie), terwijl frustratie van behoeften leidt tot het jezelf niet aanpassen (maladaptatie) en je minder goed voelen.

De theorie heeft inmiddels veel evidentie en helpt ook in die situaties waarin motivatie een veel gesignaleerd probleem is, zoals in het onderwijs (Van Steenkiste e.a. 2009; Aelterman e.a. 2018). Ik permitteer me hier een toepassing op kerkverlating. Het zich-niet-meer-thuis-voelen leidt immers tot het niet meer gemotiveerd zijn voor de kerk en besluiten dat je er niet meer bij wilt horen. Daarom zal ik enkele gegevens uit het onderzoek naar stille kerkverlaters vergelijken met de basisbehoeften. Voor zover mij bekend is er geen empirisch onderzoek over kerkverlating dat gebruikmaakt van deze theorie.

Autonomie

Hier is de vraag aan de orde of we in de kerk de gelegenheid hebben om te kiezen. In het onderzoek naar stille kerkverlating ligt hier een probleem. De sociale druk van de kerk wordt als groot gevoeld. Als je een klein beetje afwijkt van de groep, dan is het problematisch: ‘Je mag wel een beetje een andere mening hebben, maar eigenlijk word je geacht hetzelfde te vinden’ (Schaeffer en Wijma-van der Veen 2020, 6). Stille kerkverlaters voelen ‘het niet vrij zijn in hun persoonlijke geloofskeuzes’ als een frustratie. Dit wordt versterkt door de theologische lading die geloofskeuze heeft voor opvoeders. In het gereformeerde denken kiezen mensen niet voor God, maar God kiest voor de mens. De claim van het verbond kan, tegen de bevrijdende bedoeling, als een beknelling worden ervaren. Als een jongere zich eraan onttrekt, leidt dit tot een lastige dynamiek waarin de ouder zich schuldig voelt over tekortschieten en de jongvolwassene het gevoel heeft van miskenning: hij of zij is degene die het gezin een groot verdriet bezorgt.

Het is lange tijd geen probleem geweest dat mensen de keus van God met hun eigen keus beaamden. Nu dit niet meer het geval is, moet de gemeente van God meer dan ooit een fijnzinnig gevoel ontwikkelen voor dat wat afwijkt. Tegen het eigen gevoel in moet je mensen accepteren die het moeilijk vinden om zich aan te passen aan de groep (vgl. Bosscha 2019).

Verbondenheid

In vrijwel alle kerken is er een waaier aan activiteiten waar verbondenheid ervaren wordt. Voor allerlei doelgroepen. Er zal niet overal een soepbuffet zijn, maar er zijn kringen te over, met allerlei thema’s. Het is toch best gezellig in de kerk, zou je zeggen. Maar mensen die via de achterdeur de kerk verlaten, zijn geen doelgroep. Zij ondervinden naar eigen zeggen geen luisterend oor, steun en vertrouwen (Lengkeek 2019).

Hier is een basaal probleem: degenen die bijna geen stem meer hebben, willen toch gehoord worden. In de kerk moeten we opmerken en luisteren. Waarom is dat moeilijk? Als ik de citaten uit de interviews lees, ligt het aan twee dingen. In de eerste plaats is het moeilijk om kritische vragen te horen over cruciale geloofspunten. Men heeft de neiging om zich hiervoor af te schermen of zich te verdedigen. In de tweede plaats is er machteloosheid, die leidt tot het nietcommuniceren. Dit brengt iemand, die drie keer een kerk heeft verlaten, tot de uitspraak: ‘Ze wisten geen raad met me’ (Lengkeek 2019, 11). Op dit punt haast ik mij te zeggen dat communicatie van twee kanten komt. De kerkverlater had zijn eigen aandeel in wat er zich afspeelde. Het is dan ook te makkelijk om ambtsdragers en medegemeenteleden in een collectieve verdachtenbank te zetten.

Evenwel is de kerk geroepen tot gezonde zelfkritiek. Bewustheid van de natuurlijke neiging tot afweer en non-communicatie hoeft dan niet te verlammen. Soms leidt het tot creatieve actie. Ik was bijvoorbeeld aangenaam verrast door het verslag over het werk van Ed Buitendijk in Valkenburg. Hij bracht een grote groep jongeren van 18-plus via persoonlijke contacten bij elkaar en kreeg ze nota bene terug op catechisatie (Kas 2019).

Ik vraag in verband met verbondenheid ook aandacht voor nog iets anders. Het valt mij op dat het in de interviews bij stille kerkverlaters vaak gaat over volwassenen in contact met andere volwassenen en niet zozeer over het gezin. Ik denk dat aandacht voor het gezin apart geadresseerd moet worden. De tendens in de onderzoeken is dat ontbinding vroeger lijkt te beginnen (Slenderbroek-Meints en Wijma 2011, 47v.). Tegelijk weten we uit grote studies onder jongeren dat ouders en gezin de belangrijkste steunbron zijn voor kinderen tot in de adolescentie. De binding aan waarden wordt in het gezin tot stand gebracht (De Hart 1990, 1986). Anderen kunnen hier een bijdrage aan leveren, maar zijn voor het gevoel van binding additioneel (vgl. Bertram-Troost 2006, 303-306). De kerk is dus voor kinderen en jongeren een steunbron via het gezin. Aandacht voor verbondenheid met gezinnen is daarom wellicht minstens zo belangrijk als aandacht voor individuen. Ik kan mij voorstellen dat het jeugdwerk met ouders nadenkt over een gezinsgericht aanbod van activiteiten naast het traditionele aanbod gericht op groepen leeftijdsgenoten.

Competentie

In de interviews onder stille kerkverlaters vind ik geen verhalen van mensen die zeggen: ‘We zijn weggegaan omdat we niet konden bijdragen aan het gemeenteleven.’ Dat kan te maken hebben met de geleidelijke verschuiving naar de rand van een gemeente. De betrokkenheid neemt af en men zet zich als vanzelf minder in. Juist van hen wordt het al niet meer verwacht.

Maar het kan ook te maken hebben met een meer algemene praktijk waarbij vanzelfsprekende inzet van alle gemeenteleden niet gecultiveerd wordt. In dat geval is het wellicht de basisbehoefte waar de kerk het minst aan tegemoet komt. Wordt er onbedoeld te veel een consumptiekerk in stand gehouden?

De vraag naar de toekomst is dan: hoe krijgt men het voor elkaar om kinderen van jongs af aan het gevoel te geven dat ze iets bijdragen? Hoe kun je ze laten ervaren dat ze niet slechts deelnemers zijn aan het buffet, maar van meet af aan onderdeel zijn van het keukenpersoneel? Dat begint niet pas als je belijdenis hebt gedaan en je gevraagd wordt een ‘gaven-en-talentenlijstje’ in te vullen. Als je thuis bent, dek je de tafel. Als je in de kerk meedoet, heb je een taak, ook al ben je nog klein.

De praktijk: ondersteunende gedragingen

Ik wil nog even doorgaan op wat we weten uit de motivatiepsychologie. In het onderzoek naar de basisbehoeften in het onderwijs ontwikkelden onderzoekers van de Universiteit Gent een model waarin zij laten zien wat er nodig is om aan de basisbehoeften te voldoen. Zij ontdekten twee dimensies in het handelen van leraren (Aelterman e.a. 2018). De eerste gaat over behoefteondersteuning: je kunt behoeften ondersteunen en je kunt ze ondermijnen. De tweede gaat over de mate van directiviteit: je kunt je hoog directief opstellen en ook laag directief.

Wanneer je dit uitwerkt zijn er vier behoefte ondersteunende gedragingen: participatief, afstemmend, begeleidend en verduidelijkend. Behoefte ondermijnende gedragingen zijn: afwachtend, opgevend, dominerend en eisend. Wat links staat, is niet per definitie fout, maar over het algemeen is alles wat rechts in de cirkel staat, wenselijker dan wat links staat. Zo kan het in sommige gevallen nodig zijn om dominant of eisend te zijn, maar het klimaat moet getekend worden door het laten participeren, afstemmen, begeleiden en verduidelijken.

Uit het model zijn twee risico’s voor de kerk af te leiden, waarmee het thuisgevoel gefrustreerd wordt.

  • De eerste (in het segment ‘afwachtend’) is dat er te veel verwacht wordt van de eigen inbreng van individuele gemeenteleden. Als van iedereen initiatief en authentieke inbreng wordt verwacht, loop je het gevaar een gevoel van chaos uit te lokken.
  • Het tweede (in het segment ‘eisend’) is dat je voor eenmaal gemaakte afspraken onvoorwaardelijke instemming van de leden eist. Door een eisende houding loop je het gevaar om controle te communiceren.

Het eerste risico is er bij een gemeente van het charismatische type (die zich vooral laat leiden door authenticiteit en spiritualiteit). Het tweede is er bij het dogmatische kerktype (die zich vooral laat leiden door de leer en het kerkrecht). Gemeenten met een gereformeerd karakter kunnen een dubbel risico lopen. Aan de ene kant wordt er van ieder gemeentelid mondigheid verwacht. Iedere gelovige wordt geacht om over alles mee te denken. Aan de andere kant kan met een strak regime opgelegd worden wat een synode heeft beslist.

Behalve risico’s op het niveau van de kerk zijn er met behulp van het model ook een paar problemen te verhelderen in de communicatie met potentiële kerkverlaters.

  • Het eerste gaat over het autonomie-ondersteunend zijn tegenover het creëren van chaos. Er is een overgangsprobleem van het segment ‘participeren’ naar het segment ‘afwachten’. Zoals gezegd, is het belangrijk dat mensen zelf iets te kiezen hebben en dat ze hun handelen terug kunnen brengen tot die keuzes. Dit kan bij ambtsdragers of medegemeenteleden echter gemakkelijk leiden tot de houding van afwachten.
    Dit werkt ongeveer als volgt. Zodra iemand twijfels uit, gaat er bij die ander een waarschuwingslampje branden. Die denkt: ‘Wat ik nu zeg is beslissend en moet effect hebben. Deze mens moet weer denken zoals het behoort.’ Maar dit soort overwegingen legt je lam, omdat je beseft dat je voorzichtig moet zijn. De goede intenties resulteren dan in vrijblijvendheid en er volgt geen echt gesprek. Er ontstaat non-communicatie. Als je dus wilt communiceren, moet eerst het waarschuwingslampje uit. Je moet participatie verwachten zonder een vooropgezet doel.
  • Het tweede gaat over de overgang van ‘structureren’ naar ‘controleren’, zoals die te zien is in de segmenten ‘eisend’ en ‘verduidelijkend’. Tussen eisen en verduidelijken zit een subtiel verschil. Eisen communiceert tussen de regels door geweld. Verduidelijken doet dit niet. We kunnen duidelijk maken hoe de kerkdienst er bij ons uit ziet en er mensen voor uitnodigen. De communicatie heeft echter pas een goede kwaliteit als we de ander niet impliciet willen beheersen. Voor je het weet zit je in de sfeer van het eisen in plaats van het verduidelijken. Tegelijk biedt inzicht in de overgang perspectief. Je kunt kennelijk ook duidelijk zijn zonder eisend en beheersend te zijn.

Het huisgezin van God: een kleine deconstructie van het thuisgevoel

In deze bijdrage zijn begrippen uit de motivatiepsychologie gebruikt om de ervaringscategorie ‘zich thuis voelen’ te duiden. Omdat de psychologie voor de praktische theologie een hulpwetenschap is, zal ik deze duiding tot slot in gesprek brengen met enkele andere theologische noties. De volgende drie vragen zijn te stellen.

Het huis wordt gebouwd

De eerste vraag betreft de vanzelfsprekendheid van de positieve kadering van het thuisgevoel, zoals ik die in het begin van dit artikel woorden heb gegeven. Een thuisgevoel ontstaat daar waar vertrouwdheid, veiligheid en vanzelfsprekendheid is. Vertaald naar de kerk is het de plek waar een mus en een zwaluw graag naar terugvliegen, omdat je er kunt schuilen bij God. Bij het opgroeien in gezinnen kunnen zich (extreme) vormen van onveiligheid voordoen. In de kerk is er ook een potentiële onveiligheid, die we niet alleen kennen uit misbruik, maar die ook schrijnend blijken uit de verhalen van stille kerkverlaters. Bijvoorbeeld dat mensen zich onmachtig voelen om in gesprek te gaan met mensen die twijfels hebben, die zich vervolgens gaandeweg onttrekken.

Bijbels-theologisch geldt dat de boodschap van het evangelie niet de opdracht is om een veilig huis te creëren, of alleen geldig is in situaties waar condities voor het thuisgevoel op orde zijn. Het evangelie zegt dat Jezus zelf bij de mensen komt wonen. Hij sticht zich een huis, daar waar mensen niet voor elkaar kiezen, maar aan elkaar gegeven worden. Wat Jezus zegt tegen Zacheüs: ‘Ik moet heden in uw huis zijn’ (Lukas 19:5), tekent de beweging. Bij een bijbels-theologische weging van het thuisgevoel moeten we denken in een beweging van boven naar beneden en niet van beneden naar boven. Met het toepassen van de motivatietheorie kom je mogelijk in de sfeer van een pakket oplossingen. Als maar aan de behoeften is voldaan, komt het wel goed. Zo werkt het dus niet. Als dat zo was, was het allang mogelijk geweest de dramatische afwezigheid van 18-25-jarigen te stoppen.

Een verder gaande duiding benadrukt dat de krimp van de kerk een oordeel is, dat alle instrumentele denken uit handen slaat (Dekker 2011). God bouwt en breekt weer af, misschien wel vanwege het gemor in onze tenten (Psalm 106:25), misschien omdat we de eenheid zo makkelijk hebben verbroken of zo makkelijk van Christus zijn afgedwaald (Bouter 2020). De opdracht voor de praktische theologie lijkt me om gelaagd te spreken over het thuisgevoel.

Betekenissen

De tweede vraag betreft de overdracht van betekenissen. De motivatiepsychologie geeft belangrijke inzichten over de condities (wat is nodig om een thuisgevoel in stand te houden), maar geeft geen aandacht aan betekenissen. De praktische theologie, die communicatie van het evangelie als onderwerp heeft, stelt zich de vraag hoe betekenissen gecommuniceerd worden (Grethlein 2012). De schokkende conclusies die Piet van der Ploeg in 1985 trok over het verval van de gereformeerden, was dat betekenissen niet werden overgedragen. De oudere generatie was er geen drager van. Het aantal gereformeerden werd niet alleen minder, maar gereformeerden werden steeds minder gereformeerd (Van der Ploeg 1985, 107). Kerkverlaters rapporteerden dat ouders niet in staat waren betekenissen te verwoorden. Betekenisoverdracht werd in dit onderzoek vooral ervaren als een cognitieve kwestie. Een betekenis leg je uit. Als je er geen woorden aan weet te geven, draag je niets anders over dan een leeg testament. Deze kwestie is van groot belang.

Het is echter de vraag of we dit gebrek aan cognitieve overdracht nu nog zo aan kunnen treffen. Er wordt de laatste decennia behoorlijk wat meer gepraat met kinderen dan vroeger. Bovendien zijn we inmiddels gaan inzien dat betekenissen juist door praktijken overgedragen worden. Als betekenissen niet belichaamd zijn, schieten ook woorden tekort. Wellicht dat dit ook in 1985 al aan de hand was. In ieder geval stelt het ons voor de vraag of onze praktijken inhoudsvol genoeg zijn. Zijn rituelen zo sterk dat ze de herinnering voor eens en voorgoed blijven doordringen? Zodanig dat men de geur en smaak wil blijven ervaren en als de mus en de zwaluw in het huis van God wil blijven wonen?

Theologiseren voor iedereen

Dat brengt me bij een derde punt. Gemotiveerd zijn voor iets betekent dat je engagement hebt met het object. Kerkverlating is een proces waarin dit engagement afneemt. Je kunt dus zeggen dat we niet alleen bezig moeten zijn met de condities maar ook met de bronnen. Kinderen en jongeren moeten van jongs af aan theologiseren en de vraag leren stellen: ‘Wie is God voor ons?’ Ook opvoeders moeten theologiseren. In veel kerken zijn opvoedkringen. Daar gaat het over de condities: hoe voeden we het meest effectief op, wat helpt het beste? Tegelijk moeten we dit soort kringen misschien ook invullen met bijbelstudies over bijvoorbeeld Psalm 78, 105 en 106, waarin ongehoorzaamheid en afval een serieus probleem is. Ouders wordt aangezegd dat zij niet het goede voorbeeld geven met daarbij de wens en het verlangen dat de volgende generatie haar hoop op God stelt (Psalm 78:6-7).

Perspectief

Met deze opmerkingen bedoel ik niet de waarde van het thuisgevoel te relativeren. De metafoor van het huisgezin nodigt uit tot realisme. In het gezin wonen mensen van vlees en bloed die hun eigen sores, vragen en conflicten meedragen. Daarom beluister ik de inzichten uit de motivatiepsychologie als een appèl om fijnzinnig te luisteren.

Ik keek tijdens het soepbuffet naar de kinderen die tussen de tafels door kropen. Zijn zij degenen die de kerk nieuw elan geven? Of zullen zij de stille kerkverlaters zijn van over twintig jaar? Bijbelse categorieën doorbreken de psychologische duidingen. De kerk ontwikkelt zich niet volgens voorspelbare wetmatigheden, maar groeit tegen de klippen op. (Efeziërs 2:20-22).

Bram (prof.dr. A.) de Muynck is bijzonder hoogleraar Christelijke pedagogiek aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en lector Persoonsvorming aan Driestar Hogeschool te Gouda. E-mail: ademuynck@tua.nl.

Literatuur

Aelterman, N., Vansteenkiste, M., Soenens, B., Fontaine, J., Haerens, L. & Reeve, J. (2018). Toward an integrative and fine-grained insight in motivating and demotivating teaching styles: The merits of a circumplex approach. Journal of Educational Psychology, 111 (3), 497-521.

Baumeister, R.F. & Leary, M.R. (1995). The need to belong: Desire for interpersonal attachments as a fundamental human motivation. Psychological Bulletin, 117 (3), 497-529.

Bertram-Troost, G. (2006). Geloven in bijzonder onderwijs. Levensbeschouwelijke identiteitsontwikkeling van adolescenten in het voortgezet onderwijs. Zoetermeer: Boekencentrum.

Bontekoning, A. (2019). Generaties in vergrijzende organisaties. Haarlem: Mediawerf.

Bosscha, I. (2019). Een kerkverlater is geen kind dat niet wil eten. Nederlands Dagblad, 12 oktober 2019.

Bouter, E.E. (2020). De Kerk heeft de toekomst. Hoornaar: Gideon.

Dekker, W. (2011). Marginaal en missionair. Kleine theologie voor een krimpende kerk. Zoetermeer: Boekencentrum.

Grethlein, C. (2012). Praktische Theologie. Berlin: De Gruyter.

Halse, C. (2018).Theories and Theorising of Belonging. In: C. Halse (ed.), Interrogating Belonging for Young People in Schools, pp. 1-28, London: Palgrave.

Hart, J. de (1990). Politieke en levensbeschouwelijke praktijken van Nederlandse middelbare scholieren. Kampen: Kok.

Kas, J. (2019). Kap de hand van God niet weg. In: Onderweg 5 (19), 13-15.

Lengkeek, E.G. (2019). ‘Wij werden niet gehoord en gezien’. Kerkverlating is een moeizaam proces. Onderweg 5 (19), 8-11.

Ryan, R.M. & Deci, E.L. (2017). Self-Determination Theory Basic Psychological Needs in Motivation, Development, and Wellness. New York: The Guilford Press.

Schaeffer, H. & Wijma-van der Veen, M. (2019). ‘Is dit mijn kerk?’ Over stille kerkverlating. Onderweg 5 (19), 4-7.

Schaeffer, H. & Wijma-van der Veen, M. (2020). Mij niet meer gezien. Onderzoeksrapport stille kerkverlating. Zwolle: Praktijkcentrum TUK/VIAA.

Slenderbroek-Meints, J. & Wijma, M. (2011). Jong, [goed] gelovig & kerk. Zwolle: Gereformeerde Hogeschool.

Tay, L. & Diener, E. (2011). Needs and subjective well-being around the world. Journal of Personality and Social Psychology, 101 (2), 354-356.

Wijnen, H. van (2019). Geloof en kerk in tijden van tatoeages en cyberpesten. Wapenveld 69 (3), 28-33.

Vansteenkiste, M., Sierens, E., Soenens, B., Luyckx, K. & Lens, W. (2009). Motivational profiles from a self-determination perspective: The quality of motivation matters. Journal of Educational Psychology, 3, 671-688.

Tags:

Meer Geloofsopvoeding & Kerkopbouw