< Terug

Kerkverlating in missiologisch perspectief

Toen ik eind jaren tachtig op de jeugdvereniging zat van de Christelijke Gereformeerde Pniëlkerk in Veenendaal, werd daar het Jongeren Evangelisatie Project gestart (JEP). Dat hield in dat kerkelijk actieve jongeren werden ingeschakeld om op bezoek te gaan bij jongeren die nog wel op de ledenlijst stonden, maar die nooit meer in de kerk kwamen. Het idee was dat jongeren op of over de rand van de kerk liever een leeftijdsgenoot langs zien komen dan een ouderling. Ik ben toen veel bij andere jongeren in huis geweest. De verhalen die ik hoorde, waren eigenlijk niet zo spectaculair. Een Wolkers of Treur zat er niet tussen, vrees ik. De een vond voetballen op zondag toch leuker dan de kerk, de ander had een vriend die niet kerkelijk was, weer een ander vond het gewoon erg moeilijk om zo’n kerkdienst te volgen.

Eigenlijk hoorde je zelden of nooit intellectuele twijfels en ook geen nare ervaringen; het kwam erop neer dat het geloof hen nooit ‘gepakt’ had, en dat een religieus leven met kerkgang en alles wat erbij komt kijken, hen gewoon niet zo kon boeien. Soms speelde in die volkskerkelijke context daarbij ook een rol dat de families waaruit ze kwamen zelf al randkerkelijk waren, en dat er thuis eigenlijk nooit over geloof gesproken werd. De kerk hoorde erbij zoals ooit de kruidenier of de typemachine, maar ja als er een grote supermarkt komt en een computer, dan raakt dat leven van vroeger op de achtergrond. Alles verglijdt met de tijd.

Is het een probleem dat mensen afhaken? De kerk waar ik toen bij hoorde vond van wel. Maar de meeste Nederlanders denken er anders over, inclusief veel gelovige Nederlanders. Als het gaat over de afkalving van kerklidmaatschap en kerkgang in Nederland is zo ongeveer de meest gehoorde mantra dat dit niets zegt over gelovigheid en spiritualiteit, want ‘je kunt prima geloven zonder naar de kerk te gaan’.

Onderzoeken zeggen echter iets anders: kerkgang en gelovigheid kalven in Nederland in gelijk tempo af, en het heeft er alle schijn van dat die twee met elkaar samenhangen. ‘Het mag dan zo zijn’, schrijft SCP-onderzoeker Joep de Hart, ‘dat in algemene zin massaal gemeend wordt dat je een gelovig mens kunt zijn zonder ooit naar de kerk te gaan, toch komt naar voren dat de mate waarin Nederlanders zichzelf als een gelovig mens typeren duidelijk samenhangt met de vraag of ze kerklid zijn of wel eens naar de kerk gaan.’ (De Hart & Van Houwelingen 2018, 93)

Zelfs al zijn er buiten de kerk sporen te vinden van religiositeit, dan nog moeten we over de toekomst van believing without belonging niet te snel optimistische conclusies trekken, ‘want ze blijken zich bepaald niet los van elkaar te ontwikkelen’ (ibid., 94). In die zin is er wel degelijk een verband tussen christelijk geloof en betrokkenheid bij een geloofsgemeenschap. Als meer mensen afhaken, betekent dit op den duur ook dat minder mensen geloof hechten aan Jezus en het goede nieuws van het Koninkrijk. Het zal betekenen dat er minder getuigd wordt van Gods genade. Alle reden dus om kerkverlating serieus te nemen.

Over de redenen en achtergronden van kerkverlating is veel te zeggen, maar dat laat ik over aan andere schrijvers in dit themanummer. En over de kerk is ook een hoop te zeggen, maar ik vermoed dat dit in de andere artikelen ook wel uitgebreid aan de orde komt. Ik wil hier een iets ander perspectief kiezen, namelijk dat van de missiologie. In wat er verder volgt, leg ik drie accenten:

  1. De kerk is missionair naar haar aard.
  2. Geloofsopvoeding is evangelisatie.
  3. De kerk is een minderheid geworden, maar juist daarin schuilt een roeping.

Op deze manier missiologisch kijken naar kerkverlating is misschien wat anders dan velen verwachten. Althans, mij viel indertijd in Veenendaal al op dat een missionaire benadering (‘evangelisatie’) werd gekozen omdat de jongeren waren afgehaakt, en waarschijnlijk met de hoop dat deze jongeren op de een of andere manier toch weer tot de kerkgang te verlokken waren. Dat lukt misschien ook beter als ze leeftijdgenoten kennen voor wie het geloof wel veel betekent. Missie is dan een soort strategie om een probleem op te lossen, namelijk dat de kerk voor veel jongeren die erin opgroeien gewoon niet zoveel te zeggen heeft. Nog scherper geformuleerd: zending wordt erbij geroepen als de geloofsopvoeding faalt – of in elk geval niet leidt tot kerkgang.

Op deze manier is een missionaire benadering iets wat ‘erbij komt’, als het ware. Het wordt ingevlogen als de zaken niet op de gewone manier zijn op te lossen. De kerk wordt missionair als de nood aan de man is. En dat zou dan ook kunnen betekenen: stel dat het lukt die jongeren weer in het gareel te krijgen, dan kun je de zending weer in de EHBO-koffer stoppen – voor het geval dat er ooit weer een wond gehecht moet worden.

De kerk is missionair naar haar aard

Missionair of demissionair

Ik denk dat we fundamenteler moeten kijken. Als er iets duidelijk is geworden tijdens de afgelopen eeuw is het dit: de kerk is missionair naar haar aard. En dat komt omdat God een missie heeft: de vernieuwing van zijn schepping, de vestiging van zijn Koninkrijk, het wonen van God bij de mensen (Bosch 2008, 389-92; Bevans en Schroeder 2011, 10-31; Sunquist 2013; Wrogemann 2013). Of zoals Petrus het zegt in Handelingen 3, nadat de apostelen een verlamde man hebben genezen in Jezus’ naam: deze man heeft ‘volkomen gezondheid’ (holoklèrian – vers 16) ontvangen (naar lichaam, ziel en geest), en dit is een teken of voorsmaak van ‘het herstel van alle dingen’ (apokatastasis pantoon – vers 21).

De kerk is vanaf de bodem, vanaf haar ontstaan in al haar vezels missionair

Hier gebruik ik bewust de woorden ‘teken’ en ‘voorsmaak’, want dit is in de twintigste-eeuwse missiologie de gebruikelijke manier geworden om over de kerk te spreken: de kerk moet telkens weer van God haar identiteit ontvangen in relatie tot het komende Koninkrijk. Anders gezegd: de kerk is daarmee een instrument van dat Koninkrijk, of – als je het wat minder parmantig wilt zeggen – een getuige ervan, een voorsmaak of een teken. Dat betekent ook dat de kerk vanaf de bodem, vanaf haar ontstaan in het spreken van Gods Woord (creatura verbi), in al haar vezels missionair is. De kerk is missionair of demissionair, zei de christelijk-gereformeerde nieuwtestamenticus J.P. Versteeg ooit al (1975, 28). Buiten haar rol in de missie van God heeft de kerk geen rol, daarbuiten bestaat zij niet.

Mensen kunnen ‘nee’ zeggen

Wat betekent dit dan voor kerkverlating onder jongeren? Naar mijn gevoel allereerst dit: kerkverlating laat zien dat mensen ‘nee’ kunnen zeggen tegen het evangelie. Zo simpel is het. Ik haast me erbij te zeggen dat kerkverlating lang niet altijd betekent dat mensen ook het christelijk geloof afwijzen of ‘niets meer met Jezus hebben’. Maar dat wordt vaak ook te snel gezegd, bezwerend haast, alsof we niet onder ogen willen zien dat veel jongere en oudere mensen die opgroeien in de kerk en actief waren in commissies, op een punt kunnen komen dat ze werkelijk andere wegen gaan. Laten we onder ogen zien dat heel veel kerkverlating wel degelijk te maken heeft met afhaken van het christelijk leven.

Mensen zijn – met een term van Berkhof – ‘antwoordelijke wezens’ (1973, 191). Zij worden uitgenodigd om antwoord te geven op Gods Goede Nieuws. En dat gebeurt via de gemeenschap van gelovigen, via de verkondiging – via de kerk in de breedste zin van het woord. De kerk staat getuigend en uitnodigend en heenwijzend in deze wereld, als teken en boodschapper van het Koninkrijk, maar zij doet – anders dan de mafia – geen aanbod dat niet geweigerd kan worden. Juist dat was misschien minder duidelijk in de periode waarin alles doortrokken was van christendom, en waarin christelijkheid onontkoombaar was. Denk aan het bekende mopje uit Noord-Ierland: ‘Bent u protestant of katholiek?’ ‘Geen van beide, ik ben atheïst.’ ‘Ja, oké, maar bent u een protestantse of een katholieke atheïst?’ Het christendom zat in alle haarvaten; zelfs de atheïsten droegen daarvan het stempel.

Natuurlijk weten we dat ook toen een groot deel, misschien zelfs de meerderheid, van de kerkleden maar zo’n beetje mee hobbelde, en dat veel mensen niet werkelijk geraakt waren door het evangelie. Als je je oor te luisteren legt bij kerkleiders en theologen uit het verleden, is er geen enkele reden om optimistisch te zijn over het christelijk gehalte van het grootste deel van de kerkmensen in het grootste deel van onze geschiedenis (vgl. Paas 2019, 22-43). Zie bijvoorbeeld Artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de kerk: soms lijkt ze een tijdlang ‘zeer klein en als tot niet gekomen in de ogen der mensen’. De Brès schreef dat in een tijd waarin het grootste deel van de bevolking van de Nederlanden ‘barely confessionalized’ was (Israel 1998, 366), en waarin in de meeste plaatsen minder dan 5 procent van de bevolking gold als meelevend lid van de kerk (Van Deursen 1998, 128e.v.).

Maar toch: de cultuur was christelijk. Ook al gingen veel mensen misschien nauwelijks naar de kerk, en hadden de meesten een lauwe verhouding tot het evangelie, het christendom was wel de lucht die men inademde. Het christendom en de kerk waren even onontkoombaar als de democratie in onze samenleving. Ongeacht of je er veel mee had, je moest je er op de een of andere manier toe verhouden.

Als gevolg van de ontvlechting van staat en kerk, en decennia van secularisatie en individualisering, is dat nu heel anders. Onze situatie was altijd al missionair in theorie, maar nu is dat ook voluit zichtbaar geworden. Er is niets vanzelfsprekends aan christen-zijn. Het evangelie is een dwaze en zwakke boodschap, intellectueel aanstootgevend, moreel vaak onnavolgbaar (als je niet gelooft in de komst van het Koninkrijk waar deze moraal ooit normaal zal zijn), sociaal vaak onooglijk en onaantrekkelijk. Christenen geloven rare dingen, ze besteden een hoop tijd en geld en energie aan irrelevante zaken, en ze zijn ook lang niet altijd hip en cool en bij de tijd.

Dus ook als je je kinderen voorleeft en van harte uitnodigt om christen te worden, is er geen enkele garantie dat dit ook gebeurt. Hier zijn we beland in de ervaring van duizenden zendelingen en missionarissen op de voormalige ‘zendingsvelden’. Je kon mensen het evangelie uitleggen en hen uitnodigen Jezus te volgen – warm en enthousiast, maar ze konden ook ‘nee’ zeggen. En vaak deden ze dat.

Geloofsopvoeding is evangelisatie

De mogelijkheid tot afwijzing

Op dit punt heb ik veel geleerd van het prachtige boek van Vincent Donovan, Christianity Rediscovered. Dit gaat over zijn zendingswerk onder de Masai in Oost-Afrika, u weet wel: die nomaden in lange rode gewaden die koeien hoeden en op leeuwen jagen. Het is een ontroerend verhaal over zijn tocht langs de dorpen, waar hij telkens de tijd neemt om het evangelie uit te leggen. En dan komt hij een paar weken later terug om hun antwoord te vernemen. Veel dorpen zeggen ja: ze willen als groep (zo werkt het in die cultuur) christen worden. Maar dan komt hij bij een dorp, waar de hoofdman iets anders zegt: ‘Na rijp beraad hebben we besloten dat we géén christen willen worden. We zeggen ‘nee’.’ Donovan is geschokt, ontsteld, maar na een tijdje komt hij tot een belangrijke conclusie. Ik citeer:

‘Misschien de belangrijkste les die ik ooit heb geleerd in mijn missionaire leven, heb ik die dag geleerd: dat het christelijk geloof naar zijn aard een boodschap is die aangenomen kan worden of verworpen; dat ergens dicht bij het hart van het christendom die verschrikkelijke en mysterieuze mogelijkheid ligt van afwijzing; dat het christendom geen betekenis of waarde heeft als er geen vrijheid is om het aan te nemen of te verwerpen. Het is geen automatisch ding, als een diploma na vier of acht jaar van scholing en examens, of na een jaar van instructie. Het moet zo aangeboden worden dat verwerping ervan een reële mogelijkheid is. Het is een oproep, een uitnodiging, een uitdaging zelfs, die altijd geweigerd kan worden. Dat is wat het christendom levend maakt.’ (Donovan 2005, 82)

Juist die kwetsbaarheid en vrijheid horen bij de missionaire religie die het christendom is. En juist dat leer je op het zendingsveld, waar de culturele wind lang niet altijd in een richting waait die gunstig is voor het evangelie. In onze tijd kunnen we dit opnieuw ontdekken, nu er geen kerk in Nederland meer is die erin slaagt om vrijwel automatisch de ‘eigen’ jongeren vast te houden. Waarbij ik aanteken dat dit begrip ‘eigen jongeren’ op zichzelf al bedenkelijk is. In het hart van het christendom ligt die ‘verschrikkelijke en mysterieuze mogelijkheid tot afwijzing’, juist omdat het een uitnodiging is tot navolging en liefhebben. Vanuit een missionair perspectief gezien bepaalt kerkverlating ons bij het hart van het christelijk geloof als een vrij avontuur dat men kan en mag weigeren.

Een boodschap die sommigen tot in hun ziel beroert en anderen koud laat

Kortom, de kerk wordt niet pas missionair als ze geconfronteerd wordt met kerkverlating; het missionaire is geen hulplijntje voor wanneer de geloofsopvoeding faalt. Kerkverlating legt nu juist bloot dat de kerk ten diepste missionair is: dat ze een boodschap brengt die sommigen tot in hun ziel beroert en anderen koud laat. Geloofsopvoeding is evangelisatie, van begin tot eind.

Een boodschap van vlees en bloed

Laten we daar nog even wat over doordenken: dat geloofsopvoeding evangelisatie is (vgl. Paas 2019, xvi). Ik denk dat dit nog iets anders blootlegt van het christelijk geloof: dat het een kwetsbaar geloof is. Je kunt nog zo vaak prachtige preken houden over de ‘dwaasheid en de zwakheid’ van het evangelie, en je kunt nog zo vaak mediteren over de aanstootgevendheid van de Gekruisigde, maar het wordt toch anders als je kind afhaakt. Of een goede vriend, of dat stel met wie je samen op de bijbelstudiekring zat..Juist als we de kerk zien als missionair in haar diepste vezels, gaan we ook zien dat evangelisatie een wonderlijke combinatie is van liefde en pijn.

Het christelijk geloof is een geloof dat draait om incarnatie, om vleeswording: ‘Hij heeft onder ons gewoond’. Dat wil zeggen: een boodschap van heil en liefde, van verzoening en vergeving, kan alleen worden gedeeld als hij vlees en bloed krijgt in liefdevolle relaties, in een gemeenschap: ‘Wij hebben het gezien en aangeraakt; wij hebben geproefd dat de Heer goed is.’ Als je het zo bekijkt, is geloofsopvoeding niet alleen evangelisatie in het algemeen; het is evangelisatie bij uitstek. Geloofsopvoeding is misschien wel de meest zuivere, meest intensieve vorm van evangelisatie die we kennen. Omdat het juist dan gaat om mensen met wie je tot in je diepste bestaan verbonden bent – je eigen kinderen.

Juist daarom is kerkverlating zo pijnlijk, omdat we weten dat dit vaak ook geloofsverlating inhoudt. Hier wordt de kwetsbaarheid van het evangelie pas echt duidelijk: wanneer de mensen die je het liefst zijn afwijzen wat voor jou het kostbaarste nieuws is. Hier wordt ook iets zichtbaar van de eenzaamheid van Jezus’ weg, inderdaad van de ‘zwakheid en dwaasheid’ van het evangelie. Wat dat betekent, dringt pas echt door wanneer je eigen kind laat merken dat hij of zij het eigenlijk vrij belachelijk vindt wat jij gelooft. Dat schept verwijdering, vervreemding. Dat is moeilijk van je af te zetten; het kan aan je vreten, het kan zelfs je eigen geloof ondermijnen. Of wat laatst een oude kennis van me zei, een kerkplanter en iemand met wie ik heb samengewerkt: ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat het christendom nergens goed voor is, en de wereld alleen maar achterop helpt.’ Een man die uitgeput is geraakt door het werken voor de kerk en het uitspreken van woorden waar hij steeds minder in geloofde. Het evangelie zegt hem niets meer. Dat doet pijn. Daar kan het je ook diep raken als je leest wat Jezus zegt: ‘Als de mensenzoon komt, zal hij dan nog geloof vinden op aarde?’

Kwetsbaarheid brengt onbevangenheid

Maar juist in het verlies van automatismen, in de herontdekking van het missionaire karakter van het christelijk geloof, ligt ook de ontspanning. In Johannes 6 lezen we dat veel mensen, de meerderheid van wie hem volgen, bij Jezus weglopen: ‘Wat hij zegt, is hard. Wie kan ernaar blijven luisteren?’

Ik vind het buitengewoon ontroerend om te lezen wat Jezus dan doet. Hij zegt niet: ‘We moeten onmiddellijk een strategie bedenken om die mensen terug te krijgen.’ Nee, Hij keert zich om naar het groepje leerlingen dat is overgebleven en vraagt op de man af: ‘Willen jullie ook niet weggaan?’ En dan antwoordt Petrus: ‘Heer, naar wie moeten we gaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven.’ Of zoals een andere goede kennis van me, ook een kerkplanter, zegt: ‘Er zijn tijden geweest dat ik het geloof bijna kwijt was, maar ik kom telkens terug. Want als puntje bij paaltje komt, ken ik geen beter verhaal.’

De kwetsbaarheid van evangelisatie, en de pijn van afwijzing en vervreemding, nodigen ons uit om zelf het evangelie telkens opnieuw te ontdekken. ‘Heer, naar wie anders moeten we gaan?’ Dat is niet een uitspraak die voortkomt uit een gebrek aan opties, uit het opgesloten zijn in een zuil, of uit vrees voor sociale uitsluiting. Het is een uitspraak die voortkomt uit een diepe ontdekking; het is waar voor me geworden.

‘Want als puntje bij paaltje komt, ken ik geen beter verhaal’

Misschien zou de kerk een stuk ontspannener worden als we op kerkverlating niet zouden reageren met de uitroep van de heer Bommel: ‘Tom Poes, verzin een list!’, maar simpelweg met de vraag van Jezus naar degenen die achterblijven: ‘Willen jullie ook niet gaan?’ Ik wil in dit artikel niet te veel zeggen over kerken en gemeenten, maar het kan me soms benauwen hoeveel controlesystemen er zijn ingericht, en hoeveel er lijkt te draaien om het onbespreekbaar maken van twijfels en het onzichtbaar houden van afwijkend gedrag. Vanuit mijn eigen ervaring met Via Nova in Amsterdam, waar we heel veel jonge mensen hebben zien langskomen (zowel met als zonder christelijke achtergrond), heb ik in elk geval dit geleerd: hoe meer druk je op mensen zet, hoe sneller ze de weg naar de uitgang zoeken.

De grote uitdaging voor kerken is een ruimte in te richten waar warmte is en uitnodiging, waar stevigheid is en duidelijkheid, maar waar tegelijk getwijfeld kan worden en geëxperimenteerd, waar mensen kunnen afhaken en aanhaken. Een plaats waar niet sociale controle dominant is, maar uitnodiging en ontspanning. Waar het pastoraat wordt gekenmerkt door die mooie tekst van Paulus: ‘Wij willen niet heersen over uw geloof, maar bijdragen aan uw vreugde’ (2 Korintiërs 1:24).

Een beetje gekscherend: boven de ingang van de kerk zou misschien niet moeten staan ‘Kom binnen’, maar ‘Waarom willen jullie ook niet gaan?’.

Vreesloze vrijheid

Misschien is dat ook een belangrijke impuls voor de geloofsopvoeding: investeer in je kinderen, leef het hen voor, nodig hen hartstochtelijk uit om de Heer te volgen. Maar bied tegelijk deze vreesloze vrijheid: ‘Willen jullie ook niet gaan? Het mág hoor. Jullie blijven me er even lief om. Niemand dwingt je om te blijven.’

Als ik het even persoonlijk mag maken: toen onze kinderen op een bepaalde leeftijd waren gekomen, heb ik ze dat heel nadrukkelijk gezegd. ‘Als je besluit de kerk te verlaten, zul je altijd ons geliefde kind blijven. Denk nooit dat je keus om weg te gaan tussen ons in zal komen te staan.’ En dat zei ik niet omdat m’n hart niet zou bloeden als ze zouden vertrekken. God weet hoeveel we hebben geïnvesteerd in de geloofsopvoeding. Maar ik zei het, omdat het evangelie de vrees uitdrijft. Uiteindelijk is er maar één reden om christen te zijn: ‘Heer, naar wie anders moeten we gaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven.’ Of, korter gezegd: ‘Ik ken geen beter verhaal dan dit.’

Er kan een moment komen dat het enige dat we nog kunnen doen is: onze kinderen liefhebben. Maar dat is iets groots, en dat is evangelie – genade ‘om niet’. Dat is de incarnatie van het evangelie waar het gesprek niet meer echt mogelijk is. Dat is evangelisatie met daden; de stille liefde van God voor de wereld present stellen. Het evangelie is iets wat verworpen kan worden, en naar mijn overtuiging moet je je kinderen die kans ook geven zonder dat ze het gevoel hebben dat ze een deel van hun leven voor je moeten verbergen of mooi weer moeten spelen om de relatie niet op het spel te zetten. Niemand is ermee gediend als ze de kerk in gemanipuleerd worden. Maar juist omdat het evangelie verworpen kan worden, kan het ook een onontkoombaar verhaal worden, een ontdekking die je trekt en dringt uit liefde. Dan krijg je geen slaven, maar kinderen.

Een roeping als minderheid

Priesterschap als metafoor

Als ik tot slot nog een derde missiologische reflectie mag wagen: ik denk dat kerkverlating ook laat zien dat de kerk weliswaar meestal een minderheid is, maar dat daar een mooie roeping aan verbonden is. Ik heb dat verder uitgewerkt in mijn boek Vreemdelingen en priesters, dus ik houd het hier kort (Paas 2015; vgl. Paas 2019).

Wat ik daar heb gezegd, is: laten we erover nadenken wat God doet in de secularisatie van onze cultuur. Hoe is Gods hand daarin te zien? En ik heb vervolgens geworsteld met de teksten en verhalen uit de ballingschap van Israël, waar God zelf ervoor zorgde dat de instituties van het volk van God, de voorouderlijke tradities, de landbelofte, de tempel en wat niet al binnen een week werden verbrand, verpulverd, afgedaan. Het volk werd binnengeleid in een situatie waarin het een minderheid was, omringd door een superieure cultuur met superieure goden.

Geloof maar dat dit ook tot afval leidde: heel wat Israëlieten gaven er de brui aan. Maar tegelijk openden zich in de ballingschap nieuwe perspectieven. Het verstrooide volk van God ontving opnieuw een roeping: de roeping om priesters te zijn voor de wereld. Dat beeld van een koninklijk priesterschap werkt de apostel Petrus verder uit in zijn brief aan de kleine christelijke gemeenten in Azië (vgl. 1 Petrus 2:9).

Ik zeg niet dat de kerk altijd en overal een minderheid moet zijn. Er zijn ook periodes van kerkgroei en soms zelfs van de vorming van een christelijke cultuur. Maar ik zie nergens dat dit een normale zaak is, een soort van regel. Overal in de geschiedenis en overal ter wereld, en ook in de Bijbel, zien we juist het tegenovergestelde: kleine groepjes christenen in een grote nietchristelijke wereld. Omringd door mensen die op z’n best tamelijk onverschillig staan tegenover wat christenen zo dierbaar is, en op z’n slechtst zelfs vijandig.

Maar als minderheid is de kerk tegelijk een priesterschap voor de wereld: priesters van de buurt, van het dorp, de stad, de samenleving. Priesters zijn per definitie een minderheid: ze worden uit het volk geroepen om namens dat volk voor God te verschijnen en namens God voor het volk. Zij offeren en lofprijzen God, zij onderwijzen en zegenen het volk. Vanuit hun dagelijkse contacten, vriendschappen, banden van liefde, gesprekken in de buurt zamelen zij de lofprijzing en de klachten van de wereld in om die voor God te brengen, en tegelijk spreken zij goede woorden en zegenen zij hun omgeving.

Priesterschap is voor mij een heel belangrijke missionaire metafoor geworden in de afgelopen jaren, deels vanwege reflectie op wat zending betekent in een seculiere cultuur, deels ook vanwege m’n ervaringen in Amsterdam – waar amper 3 procent van de bevolking geregeld een kerk van binnen ziet.

Kerkverlating bepaalt ons erbij dat de kerk inderdaad meestal een minderheid is, dat het een grote uitzondering is dat pakweg 80 procent van de bevolking lid is van de kerk (zoals in mijn geboortejaar, 1969). Maar het bepaalt ons ook bij wat priesterschap betekent. De bijbelse metafoor van priesterschap benadrukt nu juist dat priesters verbonden zijn met hun omgeving, dat priesterschap pas inhoud krijgt vanuit daadwerkelijke relaties. En dan heb ik het ook, juist, over de mensen die de kerk hebben verlaten – je vrienden misschien, of je eigen kinderen.

Op dat punt denk ik aan twee bijbelteksten die ons misschien verder kunnen helpen en inspireren. De eerste vinden we in het boek Job, hoofdstuk 1. Daar gaat het over de ‘rechtvaardige’ Job, en zijn rechtvaardigheid wordt onder andere hierin zichtbaar dat hij elke avond een offer brengt voor al zijn kinderen, want ‘misschien hebben zij gezondigd zonder het te weten’. Er staat nergens dat zijn kinderen ervan afwisten, of dat ze ermee instemden. Maar Job deed dit, als een priester, en het is blijkbaar een deel van wat het betekent om ‘rechtvaardig’ te zijn. Je kunt dus als priester – aanbiddend, offerend, lofprijzend – verbonden blijven met je kinderen, ook wanneer ze zelf niet meedoen.

In het Nieuwe Testament vind je ook zoiets, in 1 Korintiërs 7. Daar krijgt Paulus de vraag wat christenen moeten doen die getrouwd zijn met een niet-christen (denk bijvoorbeeld aan een stel van wie de een tot geloof komt, en de ander niet). Moeten ze scheiden? Paulus zegt dat ze dat niet moeten doen (het moet althans niet van de christen uitgaan), en dan zegt hij er iets bij: de niet-gelovige partner is ‘geheiligd’ in de gelovige, ‘en ook de kinderen zijn heilig’. Dat is een prachtige tekst die laat zien dat je als gelovige – zelfs als je de enige bent in je gezin – een priester bent: iemand die het hele gezin mee draagt voor God. Dat is hoopvol en inspirerend, volgens mij. En hopelijk voor sommigen ook troostend.

Voor God blijven brengen

Dit soort teksten laat ook zien dat we als westerse christenen misschien zo diep zijn geïndividualiseerd dat we nauwelijks meer begrijpen wat het is om een gemeenschap te zijn, verbonden met anderen door banden van bloed en liefde en vriendschap. En nog minder wat het betekent dat God zijn heil blijkbaar geeft door zulke verbanden heen. Kerkverlating is in een puur geïndividualiseerde levensbeschouwing altijd een tragedie. Immers, God heeft alleen individuele lijntjes met mensen, en als mensen eruit stappen, breekt dat lijntje.

Maar wat als God juist ook – en misschien wel in de eerste plaats – lijntjes heeft met gemeenschappen, groepen, mensen in hun relaties? Dan kan kerkverlating nog altijd pijn doen, maar toch is dat dan niet het eind van het verhaal. Je blijft met elkaar verbonden als ouders en kinderen, als vrienden, buren, familieleden. En je blijft hen opdragen, je blijft hen vertegenwoordigen als priester, je blijft hen voor God brengen vanuit de relatie die je met hen hebt. Je blijft elkaars leven delen, je blijft luisteren naar elkaars verdriet en trauma’s (ook de kerkelijke), en je blijft genieten van elkaars vreugde en dankbaarheid. En als priester blijft het je roeping om dit alles in lofprijzing en klaagzangen voor God te brengen, en om – zoals Petrus het zegt, ‘zachtmoedig en met respect (1 Petrus 3:16) – goede woorden te spreken in de levens van mensen om je heen, en hen te zegenen. Kerkverlating is niet het einde van de relatie met de kerk, en niet het einde van de relatie met God. Juist omdat die relatie niet puur individueel is, maar altijd via gemeenschappen gaat, via liefdesbanden en vriendschappen.

Stefan (dr. S.) Paas is hoogleraar Missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit en aan de Theologische Universiteit Kampen.

Literatuur

Berkhof, H. (1973). Christelijk geloof. Een inleiding tot de geloofsleer. Nijkerk: Callenbach.

Bevans, S.B. & Schroeder, R.P. (2011). Constants in Context: A Theology of Mission for Today. Maryknoll: Orbis.

Bosch, D.J. (2008). Transforming Mission: Paradigm Shifts in Theology of Mission. Maryknoll: Orbis.

Deursen, A.Th. van (1998). Bavianen en slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt. Van Wijnen: Franeker.

Donovan, V. (2005). Christianity Rediscovered: Twenty-Fifth Anniversary Edition. Maryknoll: Orbis.

Hart, J. de & Houwelingen, P. van (2018). Christenen in Nederland. Kerkelijke deelname en christelijke gelovigheid. Den Haag: SCP.

Israel, J.I. (1998). The Dutch Republic: Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806. Oxford: Clarendon Press.

Paas, S. (2015). Vreemdelingen en priesters. Christelijke missie in een postchristelijke samenleving. Zoetermeer: Boekencentrum.

Paas, S. (2019). Pilgrims and Priests: Christian Mission in a Post-Christian Society. London: SCM.

Sunquist, S.W. (2013). Understanding Christian Mission: Participation in Suffering and Glory. Grand Rapids: Baker Academic.

Versteeg, J.P. (1975). Het missionaire karakter van de gemeente. Ambtelijk Contact 14, 27-31.

Wrogemann, H. (2013). Missionstheologien der Gegenwart: Globale Entwicklungen, kontextuelle Profile und ökumenische Herausforderungen. Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus.

< Terug