< Terug

Kinderen krijgen…, of niet…

Over ouderschap in een complexe wereld

Meten is weten, zegt men wel. Hoe cijfers over geboorten, de leeftijd van de moeder, argumenten voor uit- en afstel, gevoelens van (on)geluk enz… van grote betekenis zijn.
AAT LIEFBROER
Prof.dr. A.C. Liefbroer is themaleider Gezin en Generaties bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, hoogleraar Levensloopdemografie aan de Rijksuniversiteit Groningen en bijzonder hoogleraar Demografie van Jong-Volwassenen aan de Vrije Universiteit.

Praten over geboortes heeft iets dubbels. Aan de ene kant gaat het over iets heel persoonlijks met grote gevolgen voor de boreling en zijn of haar ouders. Persoonlijk geluk is sterk verbonden met het krijgen van een kind en met de levensweg die dat kind vervolgens bewandelt. Aan de andere kant heeft het gevolgen voor de maatschappij als geheel. Op wereldschaal maken wij ons zorgen over het grote aantal geboortes dat (tezamen met het steeds langere leven van mensen) tot een enorme groei van de wereldbevolking leidt. In sommige Europese landen maakt men zich echter juist zorgen dat er te weinig kinderen worden geboren. Dat leidt tot bevolkingskrimp en mogelijk tot vermindering van de internationale rol die landen willen spelen.

In dit artikel komen zowel de maatschappelijke als de persoonlijke kant van het krijgen van kinderen aan de orde. Eerst sta ik stil bij de historische ontwikkeling van het kindertal in Nederland. Vervolgens komt kort de ontwikkeling van het kindertal op wereldschaal aan de orde. Daarna ga ik in op de persoonlijke kant van geboortes. Waarom stellen vrouwen en mannen in Nederland kinderen krijgen veel langer uit dan vroeger? En hoe zit het met kinderloosheid? Tenslotte sta ik stil bij de vraag of kinderen krijgen gelukkig maakt.

In Nederland worden minder kinderen ge boren dan het ‘vervangingsniveau’ vraagt

Geboortes in Nederland

In Nederland worden per jaar zo’n 170.000 kinderen geboren. Dat klinkt als een groot aantal, maar dat is slechts betrekkelijk. Momenteel ligt het totale vruchtbaarheidscijfer (een maat voor het aantal kinderen dat men denkt dat een vrouw zal krijgen) rond de 1,6. Dit ligt duidelijk onder wat demografen het ‘vervangingsniveau’ noemen. Gemiddeld zouden er 2,1 kinderen per vrouw geboren moeten worden, wil de bevolking op lange termijn op peil blijven, ten minste als er geen sprake is van immigratie of emigratie. Op termijn gaat de bevolking van Nederland dus krimpen, tenzij er meer mensen bij komen door migratie.

Aan het begin van de vorige eeuw was dat wel anders. Het vruchtbaarheidscijfer lag toen rond de 4,5. Tot aan de Tweede Wereldoorlog zakte dat tot 2,5 om na de oorlog weer te stijgen naar ongeveer 3. Die toename van het kindertal staat ook wel bekend als de ‘baby boom’. Vanaf het eind van de jaren zestig duikt het kindertal echter heel snel naar beneden tot ongeveer 1,75 om vervolgens langzaam te dalen naar het huidige niveau van 1,6.

Volgens de VN groeit de wereldbevolking van 7,7 miljard nu naar 10,8 miljard in 2090

De verandering van een relatief hoog kindertal naar een relatief laag kindertal wordt wel de ‘demografische transitie’ genoemd. Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw nam de kindersterfte af en dat maakte dat veel mensen besloten minder kinderen te krijgen en in plaats van in kwantiteit (veel kinderen) in kwaliteit (minder, maar wel beter opgeleide kinderen) te investeren. Deze ontwikkeling is in de jaren zestig nog eens versterkt doordat de beschikbaarheid van betaalbare anticonceptie (pil, condoom) het een stuk gemakkelijker maakte om geboortes te voorkomen.

Geboortes in de wereld

Op wereldniveau ligt het kindertal nog (lang) niet onder de magische grens van 2,1 kinderen per vrouw. De Verenigde Naties schatten dat het momenteel rond de 2,5 kinderen per vrouw ligt. Dat is overigens een stuk lager dan in 1970, toen het nog rond de 4,5 lag. Men verwacht een langzame verdere daling tot rond de 2,1 in 2060. Overigens zijn de verschillen tussen de werelddelen erg groot. In bijna alle delen van de wereld ligt het kindertal momenteel al vrij laag en varieert van 1,6 in Europa tot 2,4 in Oceanië. De enige uitzondering vormt Afrika, waar het gemiddelde een stuk hoger (4,4) ligt. Op termijn verwacht de VN dat het kindertal ook in Afrika tot vervangingsniveau zal dalen, maar dat kan nog tot het einde van de eeuw duren. Doordat veel ontwikkelingslanden verder een jonge bevolking hebben en de levensverwachting toe zal nemen, verwacht de VN dat de bevolking van onze aarde zal groeien van de huidige 7,7 miljard tot 10,8 miljard in 2090.

De belangrijkste reden waarom het kindertal in Afrika veel hoger ligt dan in de rest van de wereld is dat de eerder genoemde demografische transitie in Afrika veel later is gestart dan in Europa. Ook in Azië en Latijns-Amerika vond de start van de demografische transitie later plaats dan in Europa, maar daar heeft men ondertussen in de meeste landen de transitie naar lage geboortecijfers gemaakt. In Afrika laat dat nog even op zich wachten…

Uitstel van kinderen krijgen

Vrouwen hebben in de loop van de tijd niet alleen minder kinderen gekregen, ze krijgen die ook later. In 1970 kregen vrouwen gemiddeld op ongeveer 24-jarige leeftijd hun eerste kind. In 2018 lag dit op 30 jaar. Er zijn natuurlijk meerdere oorzaken van dit uitstel en voor de een spelen andere argumenten een rol dan voor de ander. Toch kunnen er minstens vier belangrijke oorzaken voor het uitstel van het ouderschap worden genoemd.

Er zijn minstens 4 belangrijke oorzaken voor het uitstel van ouderschap

In de eerste plaats is het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking gestegen. Zolang jongeren een studie volgen, zijn ze weinig geneigd om verstrekkende verplichtingen, zoals het krijgen van een kind, aan te gaan.

In de tweede plaats vinden steeds meer mensen zelfontplooiing belangrijk. Er zijn nog zo veel meer leuke dingen te doen dan kinderen krijgen (reizen, vriendschappen, samen met een partner van dingen genieten) en kinderen krijgen is dan iets voor later, wanneer al die andere dingen minder uitdagend aanvoelen.

Ten derde zijn we hogere eisen gaan stellen aan relaties. Een man moet meer kunnen (en willen) dan alleen het vlees snijden op zondag. Hij moet ook empathisch zijn en een rol willen spelen in de verdeling van huishoudelijke taken. En verwachtingen over vrouwen zijn ook veranderd. Niet alleen meer een goede moeder zijn van ‘zijn’ kinderen, maar ook maatje en bijdrager aan het huishoudinkomen. Als de eisen hoger zijn, wordt het minder makkelijk om de ‘ware’ te vinden en als je al denkt dat je de ‘ware’ gevonden hebt, is de kans dat je teleurgesteld wordt en de relatie verbroken wordt groter. Omdat een goede partner als een voorwaarde voor het ouderschap wordt gezien, betekent dit ook dat er langer wordt uitgesteld.

Een vierde belangrijke oorzaak voor uitstel, tenslotte, is dat ouderschap en carrière moeilijk te combineren zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vrouwen, omdat zij nog altijd het leeuwendeel van de huishoudelijke en opvoedingstaken op zich nemen. Uitstel kan ook het gevolg zijn van andere belemmeringen die vrouwen kunnen ervaren bij het combineren van werk en ouderschap zoals relatief kort ouderschapsverlof, relatief dure kinderopvang en discriminatie door werkgevers.

Van uitstel komt afstel?

Niet alleen stellen vrouwen en mannen kinderen krijgen uit, een niet onbeduidend deel van hen krijgt helemaal geen kinderen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek verwacht dat van alle vrouwen geboren in 1980 zo’n 16% kinderloos zal blijven, en dat dit kan oplopen tot 18% onder jongere vrouwen. Onder mannen ligt de kinderloosheid nog enkele procenten hoger. Voor een deel komt dit hoge percentage doordat bij sommige paren één van de partners onvruchtbaar blijkt te zijn. Maar daarnaast spelen hier allerlei andere factoren een rol. Soms wil men wel kinderen, maar zijn de omstandigheden er niet geschikt voor (men heeft bijvoorbeeld geen partner). Soms wil men geen kinderen, bijvoorbeeld omdat men dat maatschappelijk niet verantwoord vindt of omdat men andere zaken in het leven belangrijker vindt. De mate waarin men vrijwillig of onvrijwillig kinderloos is, kan dus van persoon tot persoon verschillen. Het ligt meestal ook niet zwartwit; het is belangrijk dat we ons bewust zijn van de grote variatie aan redenen die vrouwen – en mannen – kunnen hebben om kinderloos te zijn.

Sommige kinderlozen zijn heel gelukkig, sommige ouders juist niet…

Uitstel leidt natuurlijk lang niet altijd tot afstel. Daarnaast is het tegenwoordig met behulp van kunstmatige reproductieve technieken, zoals IVF, mogelijk om paren met een moeilijk te realiseren kinderwens toch te helpen kinderen te krijgen. Hoewel er veel aandacht voor het onderwerp is, komt slechts een relatief klein deel van de kinderen ter wereld met behulp van deze technieken. Geschat wordt dat dit geldt voor ongeveer 2 à 3% van de in Nederland geboren kinderen.

Geboorte…, en dan?

Het krijgen van een kind wordt geacht samen te gaan met een toename van geluk. Vaak is dat ook zo. Onderzoek laat zien dat vrouwen zich tijdens de zwangerschap al gelukkiger gaan voelen. Dit gevoel wordt nog versterkt na de geboorte. Maar onderzoek laat ook zien dat ouders zich tijdens de eerste jaren na de geboorte juist ook ongelukkiger kunnen gaan voelen. Men denkt dat dit komt doordat het hebben van kinderen – zeker als ze klein zijn – een zware wissel op de ouders trekt. Op lange termijn geldt, dat mensen met kinderen vaak grotere netwerken hebben en een kleinere kans op eenzaamheid ervaren dan mensen zonder kinderen. Het is echter belangrijk om te beseffen dat het hier om gemiddelden gaat. Sommige kinderlozen zijn heel gelukkig, sommige ouders juist niet, wellicht vanwege tragische zaken die hen met hun kinderen zijn overkomen. Ouderschap kan niet alleen een lust, maar ook een last zijn. Er is een grote diversiteit in de manier waarop ouders het ouderschap beleven. Dit geldt overigens niet alleen voor de gevolgen van ouderschap, maar ook voor de redenen waarom mensen wel of geen kinderen hebben. Er is dus een veelheid aan redenen waarom mensen wel of geen kinderen kunnen hebben en hoe zij het ouderschap – of het niet hebben van kinderen – beleven. In de pastorale praktijk is het belangrijk om zich bewust te zijn van deze diversiteit. Juist omdat kinderen – of je ze nu hebt of niet – zo’n centrale plaats in de levensloop en het levensverhaal van ieder mens innemen, moeten we oog hebben voor de diversiteit aan ervaringen met ouderschap.

< Terug