< Terug

Kinderen van God

In de doopsgezinde geloofsgemeenschap noemen de leden elkaar ‘broeder’ en ‘zuster’. Waar komt dat gebruik vandaan? En wat betekent het om elkaar zo te noemen, al ben je geen familie?

In 1989 trad ik toe tot de doopsgezinde broeder- en zusterschap. Komend uit een andere traditie vond ik het eerlijk gezegd een beetje wennen, dat ‘zuster’ en ‘broeder’. Ik vond het oubollig klinken. Collega-voorgangers, die opgegroeid zijn in een doopsgezind nest, beginnen hun overweging in een kerkdienst vaak met ‘Broeders en zusters’. Ik heb me dat nog steeds niet eigen kunnen maken.

Net een echte familie

Tijdens mijn predikantsopleiding hoorde ik van een medestudent (uit de Protestantse Kerk) eens een preek over de gemeente als de plek waar we elkaars broeders en zusters zijn. Haar overweging heeft indruk op me gemaakt. De boodschap was even eenvoudig als diep: een vriendschap kun je beëindigen, maar je kunt nooit ophouden broer of zus van iemand te zijn. Je kunt ruzie maken, het contact verbreken, maar je blijft verbonden, of je wilt of niet.

Ik loop lang genoeg mee om te weten dat ook doopsgezinde zusters en broeders ruzie kunnen maken en, zeer pijnlijk, zelfs het lidmaatschap van de gemeente kunnen opzeggen. Ook met geweldloos of verbindend communiceren lukt het niet altijd om bij elkaar te blijven, om het met elkaar uit te houden. In die zin lijkt een geloofsgemeenschap van zusters en broeders op echte families, die soms volledig uit elkaar vallen.
Karakters die botsen of fundamentele meningsverschillen over bijvoorbeeld het profetisch spreken van de kerk: ook gelovige zusters en broeders zijn mensen en maken brokken.

Heb ik er alles aan gedaan?

Blijft er nog iets over van die onverbrekelijke zuster- of broederband wanneer iemand boos is vertrokken, of is het toch gewoon een vriendschap, die is beëindigd?
Voor mij is een vers uit Romeinen 12 belangrijk in dit verband. Paulus schrijft daar:
‘Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen.’
Deze woorden roepen op tot eerlijk overwegen: heb ik er alles aan gedaan om mijn zuster of broeder vast te houden?
Tegelijkertijd is het belangrijk om je te realiseren dat er twee ‘partijen’ zijn, dat niet alles in jouw macht ligt. En dat je dus soms met verdriet moet erkennen dat het niet gelukt is om elkaar vast te houden.

Oefenplaats

Maar er is gelukkig meer over te zeggen. Zuster en broeder zijn, betekent dat je dezelfde vader en moeder hebt. In een geloofsgemeenschap betekent dit dat we erkennen allemaal kinderen van God te zijn. Belangrijker dan mijn al dan niet warme gevoelens voor mijn zusters en broeders is dit ‘gegeven’: dat ze geliefde kinderen van God zijn.
Een zuster in de gemeente van Den Haag zei eens dat een gemeente een oefenplaats is, een leerschool. Samen zitten we in de klas en onze grote broer Jezus staat ervoor. Hij leeft ons voor hoe we kunnen leven als Gods geliefde kinderen.
Ook al begin ik mijn overweging nog steeds niet met ‘zusters en broeders’, ik ben wel gaan houden van het beeld van de gemeente als een familie. Geen ideale familie, maar een levensechte. Een familie die warm en veilig is maar ook met een open deur: kom binnen. Want ik geloof in een wereldwijde broeder- en zusterschap. Allen geliefde kinderen van God.

Jannie Nijwening is doopsgezind predikant in de Zaanstreek.

< Terug