< Terug

Kindermoment Jeremia 1:4-10 en Lucas 4:21-30

uit de bijbel

  • Jeremia 1,4-10

  • Lucas 4,21-30 (32)

‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan’. Dat roept bijval op, Ja zelfs verwondering. Maar daar blijft het bij want er staat nergens wat de mensen van Nazareth met deze woorden doen. Het blijkt dat de verwondering vooral de afkomst van Jezus betreft: ‘is hij niet de zoon van Jozef…’?

Lucas laat Jezus dan hun gedachten raden: ‘jullie zullen nu wel denken, laat maar eens zien dat je echt bent’. De raadselspreuk die Jezus gebruikt, betekent zoveel als: laat maar eens aan jezelf zien dat het klopt dat je arts bent, dat je dus bent wie je zegt dat je bent.

Jezus raadt waar ze naartoe willen: een wonder -net zoals in Kapernaüm- als legitimatie. Dan geeft hij met stelligheid aan dat hij staat voor wat hij zegt. Het woord ‘amen’ zit erin (in de nieuwe vertaling helaas wegvertaald). Met die stelligheid zegt hij: een profeet is niet ‘aangenaam’ in zijn vaderstad. Hier wordt hetzelfde woord gebruikt als het ‘aangename’ jaar van de Heer, het jubeljaar.

Kortom hij maakt duidelijk dat het niet zijn bedoeling is om zijn positie in zijn vaderstad sterk te maken door een wonder te doen. Integendeel: hij geeft juist aan dat gezaghebbende profeten niet altijd een teken geven aan mensen uit het eigen volk. Hij illustreert dat met twee voorbeelden uit de Schrift. Op gezag van de Heer gebeuren die wonderen aan niet-Israëlieten, terwijl in eigen land genoeg mensen diezelfde hulp konden gebruiken.

Die twee herkenbare voorbeelden doen de stemming omslaan: van bijval, via verwondering (en als Jezus hen uitdaagt) naar woede. Aan de aankondiging van het aangename jaar wordt geen gevolg gegeven door de mensen uit Nazaret. De woede die inderdaad laat zien dat een profeet niet aangenaam is in zijn stad, wordt onmiddellijk in daden omgezet: uitdrijven uit de stad naar de afgrond.

Nu ligt Nazaret niet op een berg maar met de beschrijving wil Lucas aangeven hoe het hen ernst is. Is het alleen dat ze Jezus zo willen doden of zien ze zijn opmerking als godslastering?

Hoe dan ook: Jezus onttrekt zich aan hen en hun woede en moordpoging. Hij gaat door naar Kapernaüm, waar hij wel gewaardeerd wordt. Daar zijn ze diep onder de indruk, voor hen is hij een gezaghebbende.

De lezing uit Jeremia geeft aan dat ook als een geroepene veel hindernissen ondervindt, hij het woord van God verkondigen zal.

met de kinderen

Jezus is ‘één van ons’ voor de mensen in Nazaret. Hij hoort bij hen. Ze zijn trots op hem. Maar Jezus doet, zoals vaker zal gebeuren, niet dat wat de goegemeente van hem verwacht. Hij kiest zijn eigen weg. En dan keert Nazaret zich tegen hem!

in de kerk

Neem een boekrol mee of een plaat van een boekrol. Wat is dit? Een boekrol. Jezus is in Nazaret, waar hij is opgegroeid. Hij gaat naar de kerk / synagoge. Hij krijgt zo’n boekrol aangereikt. Hij mag een bijbelverhaal voorlezen. De mensen luisteren vol aandacht. Ze willen heel graag Jezus horen en ze zijn heel benieuwd wat hij over het verhaal zegt. Het is immers hun eigen Jezus, dat jongetje dat hier in de timmerwerkplaats van Jozef is opgegroeid. Ze hopen dat hij hier in hun eigen stad bijzondere dingen gaat doen. Een wonder. Misschien wel iemand beter maken. Wat een hoge verwachtingen….

om te lezen

naar Jeremia 1, 4-10:

Ook Jeremia werd een man van God.
Dat ging zo:
Op een dag wist hij wat God wilde.
God wilde dat hij, Jeremia, aan de mensen over God zou vertellen.
Hij zou aan de mensen moeten zeggen
wat het betekent om te leven als een mens naar Gods hart.
Maar Jeremia wilde niet, hij durfde niet.
‘Alsjeblieft, God’, zei hij, ‘ik kan het niet, ik ben te jong!’
God zei: ‘Ik zal je helpen’.
En Jeremia voelde zich sterker worden.
Hij voelde dat zijn mond de woorden van God zou kunnen zeggen –
voor alle mensen, overal.

< Terug