< Terug

Kindermoment: Ongelooflijk

10e zondag van de zomer

Bij 2 Koningen 4:42-44 en Marcus 8:1-21

Uit de bijbel

Een tweede broodwonder. Waar is dat voor nodig? De eerste keer ging het om vijf broden voor vijfduizend mannen en bleven er twaalf manden over. Dit keer gaat het om zeven broden voor vierduizend mensen en er blijven zeven manden over. Misschien vinden we het antwoord op onze vraag hierboven in deze aantallen. Vijf en twaalf zijn de getallen voor Thora en Israël. Met de eerste maaltijd voedt Jezus zijn eigen volk. Zeven is het getal van de volkomenheid. Zeventig is het getal van alle volken van de aarde; met duizend kwamen ze uit de alle vier windstreken. We lazen hiervoor al dat het goede nieuws grensoverschrijdend mag zijn; in de ontmoeting van Jezus en de Syro-Fenicische vrouw en in de genezing van de dove niet-Joodse man in Dekapolis. Daarom deelt Jezus het brood ook op heidens grondgebied. Het brood dat leven geeft is voor iedereen.
Terug in Galilea wacht een nieuwe discussie met de Farizeeën. Ze willen een teken uit de hemel. Met zoveel woorden zegt Jezus dat ze daar lang op kunnen wachten; hij hoeft zich niet te verantwoorden voor mensen die vol ongeloof zijn. Van de Farizeeën verwachten we ongeloof en onbegrip maar van Jezus’ eigen leerlingen toch niet! Zij zijn oog- en oorgetuigen maar ze kijken niet goed en luisteren maar half. Als Jezus het met hen heeft over het zuurdesem van de Farizeeën, over het onbegrip dat alles doortrekt, maken zij zich druk over brood. Tot twee keer toe hebben ze gezien dat er genoeg voor iedereen is als Jezus erbij is en nu maken ze zich druk over een vergeten lunchpakket. Jezus is enorm teleurgesteld in hen. Marcus legt hem een citaat uit Jeremia in de mond. (5,21) Alsof hij zeggen wil: jullie lopen het risico dat jullie hetzelfde doen als in Jeremia’s tijd. Toen waren mensen zo druk met eigen zaken en zorgen, dat ze God vergaten.
De vraag is natuurlijk of wij wel zo onbevangen en zorgeloos durven zijn dat we ons niet meer druk maken de honger in onze maag maar ons concentreren op de honger in ons hart. Die honger wordt gestild door Jezus. Hij is het levensbrood. Opvallend in de beide broodverhalen is dat Jezus zijn leerlingen steeds betrokken heeft bij de vraag ‘wat zullen we eten’ en bij het antwoord. De leerlingen werden uitgenodigd om te kijken wat er wél was en om te geven wat ze bij zich hadden. Jezus heeft hen niet alleen laten zien dat door hem een wonder mogelijk is, maar dat zijn volgelingen deel zijn van dat wonder. Daar kunnen wij ons iets van aantrekken; niet gemakzuchtig zeggen dat het toch niets uitmaakt wat je doet, niet teleurgesteld zijn in wat er allemaal mist, maar zoeken naar wat er wél is in het vertrouwen dat dat gezegend wordt.

In de kerk

De kinderen komen naar voren.

De voorganger begroet de kinderen met een woord dat op het eerste gehoor niet meteen doordringt. Bijvoorbeeld: ’Gadamaargaan aallaamaal. Ha gaat haat maat jaalaa?’
Zeg het daarna nog een keer. Nu wat rustiger.

‘Begrijpen jullie wat ik heb gezegd?
Sommige dingen zijn zo moeilijk, dat snap je niet meteen. Moet jullie juf of meester ook wel eens iets twee keer uitleggen? Wat dan? En je vader of moeder? Moet die ook wel eens iets twee keer zeggen?’

Gebed

Om samen met het kind van de zondag te zeggen.
K = kind van de zondag, V = voorganger.

K Lieve God

U hebt ons veel gegeven

het leven, de liefde

de wijde wereld

V Maar wij mensen maken veel kapot;

we zorgen niet goed voor de aarde

en ook niet altijd goed voor elkaar

U kent ons en weet

hoe moeilijk het is om te leven

zoals u het bedoeld hebt,

zodat het goed leven is op aarde

K U verwacht van ons

dat wij een goede wereld maken

van vriendschap,

delen met elkaar en vrede,

V die begint in ons eigen hart,

door uw geest.

Naar J.L.Klink 

Meer informatie op www.kinderdienst.nl.

< Terug