< Terug

Klacht en klagen

Bijzonder, hoe je door je eigen ideeën op het verkeerde been gezet kunt worden. Neem de woorden ‘klacht’ en ‘klagen’ in de Hebreeuwse Bijbel. Ik ging ervan uit dat er tientallen, zo niet veel meer teksten zouden zijn waarin die woorden voorkomen. Het bleek niet te kloppen. Met loven en danken val je wel in de prijzen. In dit artikel neem ik enkele klachten onder de loep.

Om welke woorden gaat het eigenlijk? Hááhaahááhaaháá. Met lange uithalen. Zo zou het geklonken kunnen hebben. En dan niet vrolijk, zoals wij ‘lachen’ onder woorden brengen, maar ergens vanuit een verdrietige diepte. Ik heb het over ‘klagen’ in de Hebreeuwse Bijbel. Dat is er in verschillende omstandigheden en literaire contexten. Een van de woorden die een klacht tot uiting brengen, is het werkwoord nahaa. Hebreeuwse werkwoorden die met de letter ‘n’ beginnen, hebben vaak een klanknabootsend karakter, zoals navaa, ‘blaffen’, en naham, ‘grommen’. Haal je die n eraf, dan houd je de basis voor de betekenis over: háá(haa). Het komt maar tweemaal voor in de Hebreeuwse Bijbel, en het bijbehorende zelfstandig naamwoord nehie, ‘klacht’, zevenmaal, uitsluitend bij de profeten, waarvan vijfmaal bij Jeremia, en van die vijf vier keer in hoofdstuk 9. Jeremia 9 heeft een hoge ‘klachtdichtheid’, zou je kunnen zeggen. Een extra reden om dat hoofdstuk er straks even bij op te slaan. Daarnaast is er een werkwoord ’anaa, dat een enkele keer voorkomt (alleen bij Jesaja). Interessanter is het werkwoord en zelfstandig naamwoord sieach. Het betekent vooral ‘klagen’ en ‘klacht’, maar er valt niets aan te ‘horen’. Het is meer zoiets als mediteren, en al piekerend over jezelf kom je dan zomaar bij een klacht uit. Dat hoeft natuurlijk niet per se: als je de ervaringen in je leven op een rijtje zet, kun je ook tot een dankzegging komen, zoals in Psalm 104:34. Daar heeft de NBG51: ‘Moge mijn overdenking de Heer behagen’ – waarna inderdaad een overdenking volgt en een dankzegging –, maar de NBV heeft van die overdenking maar meteen een lofzang gemaakt. Dan is de verrassing er ook direct van af. Het gaat niet alleen om het eindresultaat – de klacht, of zoals hier de lofzegging –, maar vooral ook om de route daarnaartoe. Bijzonder is wel dat dit ‘overdenken’ vooral een woord uit het psalmboek blijkt te zijn. En we herkennen dat beeld: in het psalter graaft de psalmist diep en legt alles voor JHWH neer. Meestal met de conclusie dat het allemaal geen schoonheidsprijs verdient.

Het interessantste is het werkwoord qien, dat in een vaste stamformatie ‘het lijklied zingen’ betekent. Zo’n ‘lijklied’ heet een qiena. Het woord komt vooral bij de profeten Jeremia en Ezechiël voor. De qiena hoort bij de rouwgebruiken. De klacht over de gestorvene is vanouds een vaste rite. Micha grijpt erop terug (1:8):

Laat mij dan klagen, laat me schreeuwen,
laat mij naakt en blootsvoets gaan,
laat mij huilen als een jakhals,
laat mij roepen als een struisvogel.

Van het janken van de jakhals en de kreet van de struisvogel word je uiteraard niet vrolijker. Ook het klagende Hebreeuwse woordje hoj hoort bij het palet van rouwklanken en -kleuren. Het wordt meestal met ‘ach’ of ‘wee’ vertaald. Uit de stijl van de rouwklacht wordt door Jeremia geput om over koning Jojakim te klagen (22:18):

Niemand zal een klaaglied zingen:
‘Ach mijn broer, ach mijn zuster.’
Niemand klaagt: ‘Ach heer, ach majesteit.’

De dodenzorg is een van de belangrijkste taken binnen Israël. Wat Jeremia betreft is er straks niemand die een traan om hem laat en passende dodenzorg voor hem belangrijk vindt. Niemand die voor Jojakim hoj, ‘ach en wee’, roept, of het moet zijn in de Nederlandse betekenis van het woord.

Naast hoj vinden we de woordjes ’eek of ’eeka. Beide vormen van het woord kun je vertalen met ‘hoe’ of ‘ach’. Met dit woord begint ook Klaagliederen, en zo is ook de Hebreeuwse naam van dit boek. In de Talmud wordt het boekje qienot, ‘Klaagliederen’, genoemd en toegeschreven aan Jeremia, en uit diezelfde sfeer komt de naam die we in de Septuaginta vinden: threnoi Ieremiou, klaagliederen van Jeremia.

Het klaaglied

Uit het familiegerelateerde klagen heeft zich een speciaal klaaglied ontwikkeld met een specifiek ritme, dat de klacht alle ruimte biedt: de bovengenoemde qiena, uit te voeren door beroepsklagers, meestal vrouwen, de meqonenot. Het qiena-ritme voorziet in versregels die in twee halve verzen zijn gesplitst. Het eerste halfvers heeft drie heffingen en het tweede doorgaans twee. Het biedt een merkwaardig golvend ritme, bij uitstek geschikt voor een klacht.

In het boekje Klaagliederen is in hoofdstuk 1, 2 en 4 gekozen voor de vorm van het klaaglied voor een gestorvene. Het eerste en volgens sommigen ook mooiste klaaglied vinden we in 2 Samuël 1:19-27. Daarin is de stijl van het klaaglied tot grote literaire hoogte gestegen. Het betreft Davids klaagzang over Saul en Jonatan. Het begint met ’eek nafeloe gibboriem (‘Hoe zijn de helden gevallen’ of ‘Ach, de helden zijn gevallen’, 2 Sam. 2:19) en het eindigt met een inclusie in vers 27:’eek nafe-loe gibboriem.

Een ander klaaglied is het boven al genoemde Jeremia 9. Jeremia gebruikt de stijl van het klaaglied voor zijn profetische boodschap: voor hem is Israël opgegeven, dood, en hij zingt alvast de lijkzang, openend met (Hebr. & NBV 8:23; NBG51 9:1):

Ach, was mijn hoofd maar een waterval,
mijn oog een bron van tranen:
dag en nacht zou ik huilen
over de doden van mijn volk.

Vervolgens neemt de profeet in dit klaaglied een ander klaaglied op (Hebr. & NBV 9:20; NBG51 9:21):

‘De dood is door onze vensters binnengeklommen,
hij is onze paleizen binnengedrongen.
Hij maait de kinderen neer in de straten,
roeit de jeugd uit op de pleinen.’

Als we een beperkte balans opmaken: als het gaat om specifiek klachtenvocabulaire, wordt er vooral in de profetenboeken geklaagd. En wanneer het gaat om de motivatie van de klacht, moet je in het psalter zijn. Bijzonder bij dat laatste is wel dat het psalmboek in het Hebreeuws Tehilliem heet: ‘De lofliederen’. Maar de facto zijn er veel meer klaagliederen dan specifieke lofliederen in het psalmboek. De klachten kunnen niet zonder de lofzang en de lofzang kan niet zonder de klachten.

< Terug