< Terug

Koning Swentibold

Bij Johannes 6:1-15

Er was eens een zeer wantrouwige koning. Wantrouwiger kon bijna niet. Hij heette Swentibold, en hij was niet alleen doodsbang dat een ander hem van de troon wou stoten en zijn kroon roven. Nee, hij kreeg het al Spaans benauwd als iemand iets net zo goed of nog beter kon dan hij. Zijn dienaren moesten er vreselijk rekening mee houden. Als de kok heerlijk had gekookt, boog hij voor de koning en zei: ‘Het eten mag misschien wel lekker ruiken en smaken, maar het stelt niks voor. Koningen koken nu eenmaal niet, maar als u had gekookt, majesteit, dán zou het pas hemels hebben gesmaakt.’ Na zulke vleiende woorden kon koning Swentibold pas weer een hap door zijn keel krijgen.

Op een dag kwam zijn kamerdienaar met een verhaal waar de koning helemaal van ondersteboven raakte.

Iemand zou voor 5000 mensen eten te voorschijn hebben getoverd, brood en vis, in een weiland aan de voet de berg. Naar verluidt was er genoeg voor iedereen, want na de maaltijd was er nog flink wat over. Dat liet Swentibold niet op zich zitten. Stel dat die mensen zouden kiezen voor die geheimzinnige tovenaar en niet voor hem! Hij reed alle Blokkers in zijn koninkrijk af en kocht 5001 bordjes. En in alle Hema’s 5001 vorken en messen en lepels. Hij kocht alle bakkerijen leeg en liet alle haringkarren voor het paleis parkeren. De mensen zouden eens wat beleven! Maar er was een probleem. Toen voor alle 5001 bordjes ergens in het paleis een plekje was gevonden, kwam niemand ervan eten. Het brood beschimmelde en de vis ging stinken. Woedend werd Swentibold. Zijn wantrouwen steeg ten top. Hij omsingelde de berg. Hij zou die tovenaar wel eens…!

Maar niemand kwam de berg af. De vogel was zeker gevlogen, naar een plek waar koning Swentibold met al zijn wantrouwen niet kon komen en waar niemand tekort kwam.

< Terug