< Terug

Koninklijke confrontaties

Bij Jesaja 60,1-6, Psalm 72, Efeziërs 3,1-12 en Matteüs 2,1-12

Hoe komen de wijzen uit het Oosten (‘magiërs’) eigenlijk aan hun koninklijke status, waardoor zij al spoedig meer bekendheid kregen als ‘De drie koningen’? De profetenlezing en de psalm geven het antwoord. Jesaja 60,1-6 kan gelezen worden als een beschrijving van het einde der tijden, wanneer de volken naar Jeruzalem komen en hun geschenken zullen brengen aan de ‘zoon van David’ (m.n. 60,3.5-6). Het is dus allerminst vreemd dat de drie magiërs uit het Oosten allereerst koerszetten naar Jeruzalem. Dáár zal hun een licht opgaan over de beslissende wending in de wereldgeschiedenis.

In Psalm 72 wordt het portret getekend van een werkelijke koning, een man naar Gods hart. In zijn dagen breekt de gerechtigheid door en bloeit er grote vrede (72,7). Hij zal heersen ‘van zee tot zee, tot de einden der aarde’. Dit is een universalistisch perspectief met grote gevolgen voor alle volkeren (72,17). Door het Kind van Betlehem zullen de volkeren de God van Israël leren kennen. Het bijbelse messianisme is geen particuliere aangelegenheid voor een enkel volk, maar staat in het teken van een wereldomvattende situatie van heil en zegen. Met name Psalm 72,10 is hier van betekenis.

Voor alle volkeren

Dit universalisme is ongetwijfeld ook aan de orde bij het verhaal over het bezoek van de heidense magiërs aan de ‘pasgeboren koning van de joden’ (Mat. 2,2). Het is niet de enige plaats in dit evangelie waar het perspectief op de niet-joodse wereld geopend wordt. Denk alleen maar aan het verhaal over de Kanaänitische vrouw (15,21-28). En ook aan het einde van dit evangelie bij het zendingsbevel van de opgestane Heer is dit universalisme nadrukkelijk aanwezig: ‘Ga dus op weg en maak allevolkentot mijn leerlingen’ (28,19). Het lijkt dus wel alsof hier een voorschot genomen wordt op het grensoverschrijdende karakter van de latere evangelieverkondiging.

Drie magiërs…

Dat het bij dit bezoek aan het geboortehuis (!) van Jezus gaat om een gezelschap van drie magiërs, schrijft Matteüs niet, maar leidt men af uit het feit dat ze drie geschenken met zich meebrengen: goud, wierook en mirre. Daarin ‘werken’ de psalm- en de profetentekst duidelijk ‘door’ (vgl. ook Jes. 49,7). In de latere christelijke traditie wist men zelfs de namen van de magiërs te noemen en kregen de geschenken ook een bepaalde betekenis: goud verwijst naar Jezus als koning, wierook wijst op zijn goddelijke herkomst en de mirre wijst vooruit naar zijn dood en begrafenis. Zo wordt van oorsprong tot bestemming heel het leven van het kind van Betlehem getekend.

Het is niet vreemd om bij de omschrijving ‘magiërs’ aan sterrenwichelaars te denken, mogelijk uit Babylonië afkomstig, geleerden die zich ook bezighielden met astrologische verschijnselen. Historisch gezien waren er immers tal van contacten tussen joden en Babyloniërs. Denk bijvoorbeeld aan de bijbelse gestalte van Daniël, over wie verteld wordt, dat hij geen onbekende was in de kringen van Babylonische wijzen en astrologen (Dan. 2,48; 5,11). Tevens weten we dat er na de ballingschap een joodse gemeenschap in Babylonië bleef bestaan, die grote invloed bleef uitoefenen op de samenleving en de cultuur. Het aanzien en de status van de Babylonische Talmoed wijst in dezelfde richting. In Babylonië wisten de magiërs blijkbaar ook dat ‘het heil uit de joden is’ en dus zetten zij na het verschijnen van de ster koers naar Jeruzalem als het centrum van het joodse leven (Jes. 60,1).

…tegenover twee koningen

Toch lijkt er veel voor te zeggen om in dit verhaal de aandacht meer te richten op de twee koningen die in de tekst wél als zodanig gepresenteerd worden: koning Herodes de Grote (2,1) en Jezus Messias, koning der joden (2,2). Misschien zou je zelfs kunnen zeggen dat de tekst gebaseerd is op de tegenstelling tussen deze twee en de strijd op leven en dood die tussen beiden ontbrandt, een strijd die in het voordeel van Jezus beslist wordt. Herodes regeerde méér dan dertig jaar, van 40 tot 4 vóór het begin van de jaartelling, als een hellenistische koning over Judea en dat maakte hem in het joodse land bepaald niet geliefd. Hij was bovendien zeer berucht om zijn wreedheid, waarbij hij zelfs zijn eigen familieleden niet ontzag. Daarvan getuigen ook buitenbijbelse bronnen als Flavius Josephus en een passage in de Talmoed. Keizer Augustus, met wie Herodes goed bevriend was, maakte wetend dat de joden geen varkens doden om hun vlees te nuttigen, in het Grieks de Witz dat men beter Herodes’ zwijn (hus) kon zijn dan Herodes’ zoon (hujos).

In het Matteüsevangelie wordt Herodes altijd zonder koningstitel genoemd, behalve uitgerekend in dít verhaal (2,1.3.9). Dat zal dus niet zonder betekenis zijn: het gaat Matteüs hier blijkbaar om de zogenaamdekoningHerodes. Voor de ware identiteit van Jezus ligt het totaal anders. Hier aan het begin van het evangelie wordt het koningschap van Jezus reeds onder woorden gebracht door de vraag – uit onverdachte hoek – van de magiërs. Bij de terechtstelling van Jezus zal de reden van zijn veroordeling boven zijn hoofd op het kruis worden aangebracht: ‘Dit is Jezus, de koning van de joden’ (27,37). Wat spottend bedoeld was, komt voor Matteüs niettemin zéér dicht bij de waarheid. Ook hier zijn begin en einde van het evangelie duidelijk met elkaar verbonden.

Goddelijke interventie

Herodes wordt dan wel misleid door de magistrale manoeuvre van de oosterse sterrenwichelaars, de ‘nepkoning’ doet zijn twijfelachtige reputatie eer aan door wraak te nemen met de kindermoord van Betlehem. Herodes zal werkelijk álles in het werk stellen om zijn geduchte tegenstander te elimineren. De schrikreactie in 2,3 zet dat alles reeds in beweging. Maar deze machthebber heeft toch buiten de bemoeienis van God gerekend en precies dáárom ontsnapt Jezus aan zijn moorddadige plannen. De koning van de joden trekt in deze confrontatie aan het langste eind en Herodes delft het onderspit. Matteüs heeft dan wel driemaal gesproken over ‘koning Herodes’, nu maakt hij in het vervolg van dit hoofdstuk driemaal melding van diens dood (2,15.19.20). Kan het eigenlijk ironischer?

Bij Jesaja 60:1-6, Psalm 72, Efeziërs 3:1-12 en Matteüs 2:1-12

< Terug