< Terug

Kopje onder

Je kunt je vol overgave ergens in storten. In je werk bijvoorbeeld. Maar als je jezelf niet goed kent, als je niet goed weet wat je drijft om je zo in te zetten, dan loop je het risico om te verdrinken in alles wat op je af komt.

Marga Haas is theoloog, schrijver en werkt o.a. als geestelijk verzorger in een hospice (zie www.margahaas.nl).

We schrijven begin deze eeuw. Jong was ik en onervaren. Enige levenservaring had ik wel. Maar om nou te zeggen dat ik mezelf kende, wist waar ik energie verloor en waar ik energie uit putte, waar mijn grenzen lagen en wat me ten diepste motiveerde – nee. Ik sprong gewoon in het diepe en werd gemeentepredikant. Met volle inzet en overgave, zoals ik alles altijd gedaan had.

Dat kon niet lang goed gaan en dat deed het ook niet. Wat kwam er veel op me af! De druk om elke week een goede kerkdienst te moeten leveren. Maar daarnáást! Ik moest ineens een mening hebben over de beleidsmatige kant van kerk-zijn. Ik moest jongeren trekken of op zijn minst niet van de kerk vervreemden. En het voortdurende gevoel vogelvrij te zijn! Iedereen kon me op ieder moment van de dag opbellen of aanklampen op straat of in de winkel om een eigen verhaal te vertellen of me toe te voegen dat ik toch echt bij die-en-die op bezoek moest, want die was zo eenzaam. Ik raakte de weg kwijt in die baaierd aan verwachtingen, vragen, opdrachten. Wie wees me de weg? Wie hielp me te besluiten wat er echt toe deed en wat niet op mijn lijstje hoorde? En wie vertelde me dat ik hersteltijd nodig had als ik iets met al mijn aandacht en energie had gedaan? Wie hielp me het evenwicht te bewaren?

Natuurlijk, er was begeleiding en nascholing. Er was een mentor, er waren collega’s. Maar die konden niet voorkomen dat ik aan de veelheid bezweek. Ziekmelding volgde en later nam ik afscheid van de gemeente. Ik was toegewijd dienaar des Woords geweest, maar juist die toewijding had me de das omgedaan. Ik ging kopje onder. Een ervaring die velen, binnen en buiten de kerk, zullen herkennen.

VRIJHEID

Nu, bijna twintig jaar later, begin ik te zien dat onder mijn toewijding aan het gemeentewerk en de kerk motieven lagen die voortkwamen uit tekort en uit angst. Een grote behoefte om te zorgen voor anderen, om anderen te geven wat ik zelf zo tekort was gekomen: gezien worden. Een behoefte om te voldoen aan de verwachtingen, zodat iedereen tevreden was en mijn werk en mij de moeite waard vond. Ik probeerde krampachtig kritiek te voorkomen, want daar was ik bang voor. Niet zo prettig om onder ogen te zien, maar het geeft wel veel helderheid. En nu ik dit zie, kan ik kiezen. Wil ik gedreven worden door mijn angst voor kritiek of dat mensen me niet de moeite waard zouden vinden? Of wil ik vrij zijn van die dwingende motieven en dingen doen omdat ik van binnen voel dat ik ze wil doen? Omdat ik gewoon zelf gemotiveerd ben om ze te doen? Niet om er iets anders mee te bereiken?

Wie wees me de weg? Wie hielp me om het evenwicht te bewaren?

Een dergelijke zuiverheid is misschien hoog gegrepen. Toch weet ik dat er mensen zijn die zo leven – of althans een poging wagen. Een vriend, een vriendin. Een van de monniken bij wie ik wel eens te gast ben. En las ik niet over Angela Merkel dat ze nooit een beslissing nam zonder een tijd in stilte en gebed door te brengen? Een helder voorbeeld van leven en handelen vanuit innerlijke toewijding aan God.

Me toewijden aan gemeente en kerk – ik durf het misschien niet eens meer. Maar toewijding als levenshouding blijft bij me horen. Alleen richt ik die nu anders. Ik probeer toegewijd te léven. Toegewijd aan dat wat ik herken als op mijn weg gebracht. Ik vertrouw me toe aan God. Elke ochtend leg ik de dag bewust in zijn handen in de hoop en de verwachting dat ik in het toegewijd doen van het vele, mijn leven toewijd aan de Ene.

< Terug