< Terug

‘Laat ons de mens maken’ – of toch maar niet?

Midrasj Rabba over de schepping van de mens

Iets nieuws maken schenkt veel voldoening. Tegelijkertijd sta je vaak niet stil bij de negatieve kanten van je uitvinding in de toekomst. Meestal zijn die ook niet te voorzien. Tenzij je God bent, en je van tevoren al weet dat de autonome mens die je wilt scheppen niet perfect zal zijn. Maar dat is geen reden om van het project ‘mens’ af te zien…

In het scheppingsverhaal lezen we aan het einde van het proces, op de zesde dag, over de schepping van de mens. Opmerkelijk genoeg gebruikt de tekst alleen híér een meervoud: ‘En God zei: ‘laten we / laat ons een mens maken, naar ons beeld en onze gelijkenis…’ (Gen. 1:26). Waarom wordt hier opeens de meervoudsvorm gebruikt van het werkwoord ‘maken’ (na’aseh)? De eenvoudige uitleg is dat het hier om een meervoudsvorm gaat waarmee koninklijke taal zich in de eerste persoon uitdrukt (pluralis majestatis). Een andere uitleg ziet een verwijzing naar het feit dat God bij zichzelf te rade gaat. De Midrasj – de oude rabbijnse exegetische literatuur – gaat een stap verder door in het meervoud een werkelijke gesprekspartner te zien. In Midrasj Rabba op Genesis worden verschillende mogelijkheden gegeven: God gaat te rade bij hemel en aarde, bij de afzonderlijke scheppingswerken van elke dag, of bij de engelen. De creatie van de mens is blijkbaar zo van kosmisch belang dat God uit zorgvuldigheid met anderen overlegt.

In de Midrasj wordt het echter ook minder positief uitgelegd: er kleven negatieve kanten aan de schepping van de mens. We lezen hierover het volgende (Gen. Rabbah 8:5):

Zei Rabbi Simon: Toen God de eerste mens wilde scheppen, werden de engelen in groepjes en fracties verdeeld – sommigen zeiden ‘laat hem niet geschapen worden’, terwijl anderen zeiden ‘laat hem geschapen worden’.

In de hemel was men er dus niet uit. Maar een midrasj-exegese is pas echt volledig wanneer er een verwijzing naar een bijbelvers volgt. Vaak zijn citaten associatief en leest men het geciteerde vers los van zijn context en herinterpreteert men het vers. In het bijbelvers zijn meestal aanknopingspunten te vinden, en vaak ook in de grotere teksteenheid waaruit het vers gelicht wordt. De verwijzing hier is naar Psalm 85, die enerzijds over herstel na ellende gaat, en anderzijds over hoop voor de toekomst en verlossing. De psalmist is dankbaar voor het herstel dat het volk weer heeft doen terugkeren naar Israël na de Babylonische ballingschap, maar tegelijkertijd moet er nog veel in vervulling gaan. De relatie tussen deze psalm over de terugkeer van Israël en het scheppingsverhaal is, dat in beide gevallen een nieuw begin wordt gemaakt, met alle onzekerheid die de toekomst biedt, ondanks de belofte van verlossing. Bovendien vinden we in deze psalm van veertien verzen vier keer het woord erets. Dit erets, ‘aarde’, betekent het land Israël als de aarde en komt vaak voor in het scheppingsverhaal. In Psalm 85:12 komen hemel en aarde zelfs samen voor (daarnaast is er een parallel met Ps. 85:11-12 en Jes. 45:8, waarin de schepping expliciet genoemd wordt).

Harmonie of conflict

De Midrasj citeert nu Psalm 85:11: ‘Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, rechtvaardigheid en vrede kussen elkaar’. We vinden in dit vers vier centrale waarden naast elkaar: goedertierenheid of liefde (chessed), trouw (emmet) – maar beter: waarheid –, rechtvaardigheid (tseddek) en vrede (sjalom). De harmonische tekst van de psalm wordt door de Midrasj geproblematiseerd – het is misschien wel een harmonie, maar één die pas na een conflict is bereikt. Niet: ‘goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar’, maar: ‘goedertierenheid en trouw komen tegenover elkaar te staan’, in een conflictueuze ontmoeting (het Hebreeuwse woord voor ontmoeting, pagasj, wordt ook in het verhaal van de ontmoeting tussen Jakob en Esau gebruikt, Gen. 32:18, 33:8). Je kunt hierbij ook denken aan het dubbelzinnige van het Nederlandse woord ‘treffen’. ‘Rechtvaardigheid en vrede kussen elkaar’ – het Hebreeuwse woord dat hier wordt gebruikt is nasjak, kussen. Maar het ook meer algemeen betekenen: raken elkaar aan. Dezelfde letters zijn echter ook te lezen als ‘wapen’ (nesjek). Denk aan het Nederlands: de degens kruisen.

Het harmonische beeld van de psalm is nu veranderd in een grimmig tegenover elkaar staan, met de wapens in de hand. We vervolgen de Midrasj met de reacties op Gods voorstel om de mens te scheppen:

Goedertierenheid zegt: ‘laat hem geschapen worden, want hij zal liefdevolle daden verrichten’.
En waarheid zegt: ‘laat hem niet geschapen worden, want hij is geheel en al leugens’.
Rechtvaardigheid zegt: ‘laat hem geschapen worden, want hij zal rechtvaardige daden verrichten’.
Vrede zegt: ‘laat hem niet geschapen worden, want hij is geheel en al strijd’.

Een patstelling – twee tegen twee, en beide kanten brengen goede argumenten. Let er ook op dat twee waarden het hebben over wat de mens is: ‘hij is leugen’, ‘hij is strijd’, en twee kijken naar diens handelen: ‘hij doet rechtvaardige daden’, ‘hij doet liefdevolle daden’. Wat moet er nu gebeuren?

Wat deed de Heilige-Geprezen-zij-Hij? Hij nam de waarheid en wierp deze (stuk) op de aarde, dat is wat er geschreven staat: ‘en Hij wierp de waarheid op aarde’ (Dan. 8:12).

God doet iets onvoorstelbaars: Hij neemt de waarheid en gooit die naar de aarde. Nu staat het met de overgebleven waarden 2- het voordeel van de schepping van de mens. Maar wat voor een wereld wordt dat waarin die mens zal leven, wanneer de waarheid kapot is gegooid? Precies een wereld zoals beschreven in het visioen van Daniël 8. Een wereld waarin niet alleen de waarheid ontbreekt, maar waar ook liefde, rechtvaardigheid en vrede kapot is gemaakt. Een strijd van allen tegen allen, waarin niets en niemand ontzien wordt. De engelen zijn dan ook ontsteld:

Zeiden de dienstengelen tegen de Heilige-Geprezen-zij- Hij: Heer der wereld!
Hoe kunt U Uw eigen zegel zo beschamen?! Zonder waarheid is er geen leefbare wereld mogelijk, bovendien zou het een contradictie zijn van Gods eigen essentie. God ís immers waarheid: ‘En de Eeuwige God is de Waarheid, Hij is de levende God, en eeuwig Koning’ (Jer. 10:10).

Laat de waarheid dan vanuit de aarde opkomen, dat is wat er geschreven staat: ‘waarheid zal uit de aarde ontspruiten’ (Ps. 85:12).

Hemelse of aardse waarheid

Hiermee zijn we weer terug bij Psalm 85, waarmee we eerder begonnen. Waarheid is fundamenteel: zonder waarheid kunnen ook de andere drie genoemde waarden niet echt bestaan. Een mooie uitleg wijst paradoxaal genoeg echter op het conflictueuze karakter van de waarheid. Want waarom strijden mensen eigenlijk met elkaar? Omdat eenieder denkt dat zijn waarheid ook de enige Waarheid is, en hiernaar ook wil handelen. Zo leidt waarheid tot strijd. Andersom is er zonder waarheid soms toch vrede, maar vooral een surrogaatvrede, zoals de Pax Romana dat was. Want zonder waarheid is eenieder bereid om afstand te doen van zijn standpunt en is een ogenschijnlijke vrede het gevolg. Dat is een vrede die echter alleen buitenkant is, en aan de binnenkant gevuld is met onrecht, leugen en strijd (S. Rosenberg, gebaseerd op J.B. Soloveitchik en Rav Simcha Bunim uit Peshischa).

Wat overblijft is een meer aardse waarheid. Vanuit het idee waarheid, de hemelse waarheid, kan de mens ook niet bestaan, omdat hij als mens volgens deze waarheid geheel en al leugen is. Ja, de hele schepping is misschien wel een leugen. Wil de mens kunnen bestaan in een voor hem op maat gemaakte wereld, dan moet er met een waarheid gewerkt worden die vanaf beneden, op aarde, wordt opgebouwd naar de hemel toe. Op die manier zal de waarheid een vruchtbare samenwerking aangaan met de andere drie waarden, en zal er een harmonie ontstaan zoals eerder beschreven in vers 11: ‘Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, rechtvaardigheid en vrede kussen elkaar’. De idee van het afstand doen van de hemelse waarheid – eigenlijk van een bepaald aspect van de essentie van God zelf – om plaats te maken voor de mens en diens wereld, lijkt op het kabbalistische begrip van tsimtsoem – inperking –, waarmee God zichzelf (als het ware) inperkt, om zo plaats te maken voor de wereld. Het kapotgooien van de waarheid is hiermee dan een daad van liefde om het geschenk van de schepping en het leven mogelijk te maken. Waarheid is nu te vinden in elk facet van de wereld – mits onderzocht door de waarden rechtvaardigheid, vrede en liefde. Niemand heeft het alleenrecht op de waarheid. Samengevoegd vertegenwoordigen die minuscule waarheidsdeeltjes een hogere waarheid dan de hemelse waarheid die nooit op aarde vertoefde.

De mens is goed

Bovenstaande Midrasj staat in een grotere traditie waarin de schepping van de mens en de wereld bevraagd wordt. In een andere Midrasj (Jalkoet Tehilliem hfst. 25, par. 702) vraagt men aan de Wijsheid, de Profetie en de Tora, wat het lot zondaar is. Wijsheid komt tot de logische conclusie dat het kwade de zondaar wel zal achtervolgen:kwaad brengt kwaad voort. De hemelse Profetie ziet geen toekomst meer: de zondaar wacht onherroepelijk de dood. De Tora ziet nog wel mogelijkheden, maar alleen door offers te brengen. Maar God zelf – die immers weet dat zijn Mens zal falen – zegt: ‘Laat hem tot inkeer komen en het zal hem verzoend worden.’ Want uiteindelijk is het de moeite waard; uit naam van dezelfde eerdergenoemde rabbi Simon zegt de Midrasj:

‘zeer’ (goed) betekent: de mens. Dat is wat er staat: ‘En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed’ (Gen. 1:31). ‘En zie, de mens is goed’ (Gen. Rabbah. 5).

Lees dus niet: ‘zeer goed’ – tov meod (m-a-d) – maar: tov a-d(a)m, de mens ís goed!

Literatuur

Da’at Mikra, Tehilliem.

A. Cohen, Toda’a Atzmit besefer Meé Sjiloach, Bersheva: Ben Gurion Universiteit 2006, p. 98-103.

Eldar, Tiferet, “Emmet me’Erets Titsmach” (les 16), op: www.etzion.org.il/vbm/.

Ashlag, Pri Chagam, “Na’aseh Adam”, http://www.kab.co.il/heb/content/view/frame/8543?/heb/content/view/full/8543&main.

S. , “Parasjat Bechoekotai: wenatati Sjalom be’Arets” (2010/11), . (deze link werkt niet meer)

 

< Terug