< Terug

Lachen om het heilige

Toen ik voor het eerst geconfronteerd werd met het woord ‘paaslach’, kreeg ik daarbij het beeld van de vrolijkheid, een soort opluchting, die bij Pasen hoort. Ik weet dus pas sinds kort dat er een periode is geweest dat de ‘risus paschalis’ een paasritueel was met grappende en grollende priesters, die, met het kerkvolk, de dood en de duivel uitlachten, tot paus Clemens X het niet meer leuk vond.

Nou is er bijna geen geestiger beroepsgroep dan dominees, maar vanaf de kansel houden ze zich meestal gedeisd. Mijn moeder ging in haar tijd al ver door twee komische noten in haar preek te verwerken. Altijd relativerend, zoals dat hoort bij de vrijzinnigheid, maar ook met de bedoeling haar gehoor wakker te schudden. Probeer maar eens: als je in de lach bent geschoten, luister je daarna weer vol aandacht.

Ik ben zelf niet zo heel dol op cabaret en al helemaal niet vanaf de kansel, dus bij een eventueel paaslach-event laat ik verstek gaan. Het lijkt me een soort zwientie tikken, wat vast óók een bevrijdende functie heeft, maar mij is het te boertig. En als iedereen dan ook nog met de voorganger mee loopt te gieren en te brullen wordt naar mijn idee het kind met het badwater weggelachen.

Trouwens, er komen ook hartstikke veel aërosolen bij vrij. Niet dat ik vind dat er in de kerk niet gelachen zou moeten worden, integendeel. Juist het heilige kan spot verdragen, sterker nog, spot is bijna de lakmoesproef of iets waar of goed is. Het is geen toeval dat nare regimes en akelige sous-chefs veel scherper reageren op bespotting dan op openlijke kritiek. Die laatste kun je gewoon negeren, terwijl spot bedreigend en ondermijnend is.

Zo’n paaslach zou dus al een stuk functioneler zijn als de voorgangers zélf werden uitgelachen, een beetje zoals dat met carnaval gebeurt. Ook dominees en priesters moeten tegen een stootje kunnen, anders zijn ze niet geschikt voor hun taak. Ik moet hierbij denken aan die afschuwelijke monnik Jorge uit ‘De Naam van de Roos’, van Umberto Eco, die een boek van Aristoteles over humor verdonkeremaant en daar gerust wat moorden voor over heeft, met het argument dat er in religie niet gelachen mag worden.

Ernst kan kwaadaardige vormen aannemen. Je kunt veel van de Bijbel zeggen, maar niet dat er veel en onbedaarlijk bij te lachen valt, dus het is beslist noodzakelijk dat we er af en toe óm lachen. Niet per se daverend en schaterend, maar met een fijnzinnige glimlach. En met Pasen dus een dito paaslach. We wensen elkaar tenslotte niet voor niets ‘Vrolijk Pasen’.

Willem van Reijendam is schrijver en freelance uitvaartbegeleider.

< Terug