< Terug

Learning christianity worldwide: een theologisch studieproject

Het begin

Op 11 oktober 2018 verzamelden zich acht mensen op Nieuw Hydepark in Doorn. Het merendeel kende elkaar niet, maar ze hadden gemeen dat ze allemaal voormalige uitgezonden theologische medewerkers waren van een Nederlandse zendingsinstantie, gelieerd aan de Protestantste Kerk in Nederland. Ze waren ingegaan op een uitnodiging van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) om met elkaar de ervaringen die ze in hun interculturele bestaan hadden opgebouwd theologisch productief te maken ten behoeve van kerk, samenleving en theologische wetenschap. De auteurs van dit artikel, die zelf een aantal jaren als uitgezonden zendingsmedewerker in respectievelijk Zambia en Indonesië gewerkt hebben, hadden het initiatief hiertoe genomen. Zij deden dit in het kader van een zich ontwikkelend project van de PThU, Learnïng Chrïstïanïty Worldwïde geheten. Om dit nieuwe initiatief aantrekkelijk te maken hebben we een vorm gekozen die voldoet aan de vereisten voor Permanente Educatie van predikanten en kerkelijk werkers in de Protestantse Kerk in Nederland en er een ‘cursus’ van driemaal twee dagen van gemaakt in het studiejaar 2018-2019. Zelf zijn we als ‘meewerkende voormannen’ niet alleen als docent, maar tevens als deelnemer van de cursus opgetreden.

Een belangrijke reden voor dit initiatief was, dat naar onze mening de ervaringen die uitgezonden medewerkers hebben opgedaan met intercultureel samenleven en andere manieren van christenzijn gewoonlijk weinig vruchtbaar gemaakt worden voor theologie, kerk en samenleving. Na terugkeer in Nederland wordt men geacht zich weer te voegen in de bestaande verhoudingen, terwijl de theologische doordenking van wat men meegemaakt heeft een individuele kwestie blijft. Dat is jammer en teleurstellend voor de mensen in kwestie, maar tevens een vorm van kapitaalvernietiging. Wat zouden zij immers bij kunnen dragen aan onze eigen samenleving met haar steeds groter wordende diversiteit aan culturen en de altijd problematische omgang daarmee? Of aan de eigen kerk die oud en met kwakkelende gezondheid dapper en moeizaam haar weg gaat? Wij wilden daarom vanuit een tweeledige doelstelling, als een vorm van theologische nazorg en vanuit theologische betrokkenheid, een studiekring starten om samen na te denken over de vraag wat onze interculturele ervaringen voor betekenis voor kerk en theologie in Nederland zouden kunnen hebben.

Onderweg

De diversiteit tussen de deelnemers bleek groot. Sommigen waren al vele jaren terug in Nederland, anderen nog maar (heel) kort. De landen waar men gewoond en gewerkt had lagen over de hele wereld verspreid en het werk dat men daar gedaan had was al even divers.1 Terug in Nederland waren de meesten in kerkelijk of theologisch werk terecht gekomen (als kerkelijk werker, predikant, pionier of docent). De leeftijden liepen uiteen van ca. 30 tot ca. 65 jaar en de man-vrouw verdeling was 6-2. Ook de hele spirituele breedte van de Protestantse Kerk in Nederland werd door hen vertegenwoordigd. Tegelijk bleek de noemer waarop we samengekomen waren een sterke verenigende factor te zijn. De ervaring van ‘over de grens gaan’ en daarmee uit jezelf getrokken te zijn, inclusief de gevolgen daarvan op allerlei niveau, zorgde voor directe herkenning en stimuleerde om nieuwsgierig naar en betrokken op elkaar te raken. Het was ook duidelijk dat door alle trainingen die men gevolgd had met het oog op uitzending, men gewend was om feedback te ontvangen en om het zelf te geven.

We hebben de cursus methodisch aangepakt. Omdat het doel was om theologische output te leveren op basis van de persoonlijke interculturele ervaringen, hebben we gekozen voor de methodiek van ‘reflectie op de eigen ervaringen’. We hebben daarom iedereen gevraagd voor de eerste tweedaagse een specifieke interculturele ervaring te kiezen, een bepaald moment dat voor henzelf belangrijk was, deze schriftelijk uit te werken aan de hand van een aantal vragen, en enige literatuur te lezen. Tijdens de eerste twee dagen heeft iedereen mondeling de gekozen eigen ervaring ingebracht, direct gevolgd door een ronde waarin de anderen een vraag konden stellen aan de inbrenger, een vraag die niet bedoeld was om de eigen behoefte aan meer informatie te bevredigen, maar eentje die in het belang van het leerproces van de inbrenger zou kunnen zijn. We hebben deze verrijkende vragenronde mondeling en direct gedaan, omdat het doel niet was om een bepaald probleem op te lossen, maar om een voorzet te geven voor de volgende ronde, die van de uitwerking en verdieping. Dit was direct een belangrijk moment in het proces: nu werd duidelijk dat het ons niet ging om het uitwisselen van interessante belevenissen, maar om het theologisch doordenken daarvan. Ook wilden we geen antwoord vinden op problemen die er (geweest) waren, maar het vermogen vergroten om te problematiseren, dat wil zeggen om van een ervaring een (theologische) vraag te maken.

Met het oog daarop hebben we de methodiek van het empirisch fenomenologisch onderzoek toegepast.2 Het doel van deze methode is om na de beschrijving van een bepaalde ervaring deze eerst te verrijken, door hem van steeds meer kanten te gaan bezien en zoveel mogelijk facetten ervan op het spoor te komen. Daarna wordt gepoogd om in deze ervaring iets te onderscheiden dat niet alleen hier, maar op meerdere plekken en momenten zich aandient, dus om het algemene in het bijzondere op het spoor te komen. Dat gebeurt door middel van een zogenaamde eidetische reductie: wat is de kern, het wezen, de eïdos, die hier aan de orde is?

Terugkijkend kunnen we zeggen dat we bij de toepassing van deze methodiek wat te optimistisch zijn geweest. De methode bleek meer tijd te vragen dan we tevoren voor deze fase van de cursus hadden gereserveerd. Velen bleken nog midden in de ervaring te zitten en eerder op zoek te zijn naar een antwoord, bijvoorbeeld op een situatie waar ze soms na jaren nog onvoldoende zicht op hadden, dan naar een doordenking van de eïdos die zich in deze ervaring had aangediend. De tweede tweedaagse bleek daarom met het oog op de verrijking en verdieping van de ervaring belangrijk te zijn. Ter voorbereiding hadden de deelnemers een aanzet voor een artikel geschreven, deze van tevoren toegezonden aan een aantal groepsgenoten en de op de inbreng ontvangen feedback overdacht. Tijdens de bijeenkomst heeft iedereen een presentatie gehouden over wat men in de tussentijd gedaan had, welke betekenis de feedback voor hem of haar had gehad, waar men nu stond en wat men nu met de groep wilde bespreken. Dit leverde uitermate betrokken gesprekken op, waarbij er hartstochtelijk met elkaar werd meegedacht. Lastig bleek steeds om precies te bepalen wat de kern van de zaak was, de focus van wat men wilde beschrijven en hoe men dat dan aan zou moeten pakken. Op het moment dat wij dit schrijven is het proces nog gaande en kunnen we nog niet zeggen in hoeverre het uiteindelijk als geslaagd kan gelden. Geslaagd in de zin van ‘opgeleverde producten’, moeten we dan zeggen, want geslaagd in de zin van ‘zinvolle uitwisseling en verrijking voor de deelnemers’ is de cursus hoe dan ook.

Inhoud

De onderwerpen waarover werd nagedacht, bleken zeer gevarieerd te zijn. We noemen enkele voorbeelden. De een wilde iets schrijven over hoe je omgaat met culturele verschillen, startend vanuit ervaringen met lijfstraffen. Een ander wilde zich buigen over de vraag of het nog steeds nuttig is om mensen uit te zenden. Een derde had het over de ervaring dat je weggaat als iemand die wat komt geven, maar terugkeert als iemand die wat ontvangt, en dat hierdoor de rol en de macht van geld in interkerkelijke relaties een belangrijke vraag wordt. Een deelnemer worstelde naar aanleiding van een bekeringservaring met de relatie tussen de zichtbaarheid en de verborgenheid van het Koninkrijk van God. Weer een ander stuitte erop dat interculturele ervaringen rond de Tafel van de Heer de calvinistische volgorde van doop – belijdenis – avondmaal aan het wankelen had gebracht. Een volgende was in het Midden-Oosten getroffen door de verwevenheid van spiritualiteit, maatschappelijk engagement en het gewone dagelijkse bestaan en door de spanning die er bestond tussen nationale identiteit en christelijk geloof. Zij kende de diverse posities die Richard Niebuhr beschreven had in zijn Chrïst and Culture (1956) nu van binnenuit. Beide auteurs van dit artikel, ten slotte, hebben hun ervaringen met respectievelijk exorcisme en culturele vervreemding als onderwerp ingebracht.

Interculturele theologie

Het woord ‘diversiteit’ is al een paar maal gevallen. Dit bleek ook te gelden voor de opvattingen over en resultaten van interculturele theologie die we zijn tegengekomen. We hebben deze kwestie niet apart gethematiseerd, maar we hebben wel enige observaties kunnen doen.

Het is opvallend hoe belangrijk het besef van de kerk als het wereldwijde lichaam van Christus was geworden. Het ging niet meer om een idee, een theologisch concept, een metafoor, maar om een realiteit, een ervaren werkelijkheid. Dit besef van het ene lichaam is door de ervaringen van verschil, diversiteit, veelkleurigheid en vreemdheid opvallend genoeg niet verminderd, maar vergroot. Het wereldchristendom bestaat slechts in grote diversiteit. Deze realiteit was allen bekend. Tegelijk bleek het inzicht in de realiteit van de eenheid ook bij allen te bestaan, niet in de vorm van een idealistische uniformiteit, maar in de onderlinge acceptatie van de ervaren veelheid. Ecclesiologisch en praktisch is dit een relevante constatering.

Verder hebben de interculturele ervaringen ons losser doen staan tegenover eigen gewoontes en daardoor zijn we ook kritischer jegens de eigen kerk en theologie, vooral als het gaat om vormen en grenzen van communïo. Werkelijk geaccepteerd worden als lid van het volk van God lijkt een soort ecclesiologische lakmoesproef te zijn.

Bovendien is er een gedeeld besef dat interculturele ervaringen ons in een leerstand zetten. Het verlangen naar contact in het wereldwijde lichaam van Christus helpt om over eigen grenzen te stappen. Te ervaren hoe cultureel bepaald we zelf zijn maakt bescheiden en relativeert de eigen manieren van kijken. Tegelijkertijd leert het ons ook om het eigen gedeeltelijk gelijk te waarderen en dialogisch in te brengen.

Tot slot bleek er zowel verlangen als terughoudendheid te bestaan om de eigen ervaringen als ervaringen met God te duiden. De vraag: ‘waar is God hierin?’ hangt echter voortdurend in de lucht, soms meer existentieel, soms meer reflexief. De grenservaringen dwingen ertoe om oude theologische thema’s op nieuwe wijze te overdenken. Zelfs nog jaren na dato, hebben wij gemerkt.

1 De deelnemers aan de cursus waren uitgezonden naar Peru, Kenia, China, Israël, Hongkong, Chili, Oeganda, Libanon, Syrië, Zambia, Indonesië. Ze werkten daar onder meer als toeruster, coördinator van contacten tussen Nederland en Palestijnse christenen, docent aan een middelbare school, in het jeugdwerk, en als docent aan een theologische opleiding.

2 Cf. Ilja Maso et.al., De rïjkdom van ervarïngen. Theorïe en praktïjk van empïrïsch fenomenologïsch onderzoek (Lemma, Utrecht 2004).

< Terug