< Terug

Leesrooster Genesis – Jakob en Jozef

Het alternatieve leesrooster reikt dit najaar perikopen uit de tweede helft van het boek Genesis aan. Zoals te lezen in de voorgaande toelichting van de roostermakers, is deze keuze bepaald door catechetische motieven. Het onderstaande artikel beoogt de gekozen perikopen te plaatsen in hun bijbels-theologische samenhang. Na een kort overzicht van het boek Genesis wordt ingezoomd op de verhalencycli over Jakob en Jozef.

Opbouw van het boek Genesis

In de inleiding (Genesis 1,1-4,26) worden de grote thema’s die in het vervolg aan de orde komen in drie delen neergezet. Eerst wordt Gods scheppingsverhaal verteld, met die van de mens op de zesde dag (Genesis 1,1-2,3). Vervolgens wordt onder de titel ‘Dit zijn de verwekkingen van de hemel en de aarde toen zij werden geschapen’ (Genesis 2,4) verteld hoe de mens zich gedraagt: als de mens en zijn vrouw overtreedt hij Gods gebod (Genesis 2,4-3,24) en als de mens en zijn broeder wil hij zonder broeder zijn (Genesis 4,1-4,16). De inleiding besluit met een in de tijd naar voren gerichte genealogie: de nakomelingen van Kaïn vervallen van kwaad tot erger (Genesis 4,17-24) en de lijn van Adam, ‘mens’, gaat via Set door met Enosj, ‘mensje’ (Genesis 4,25-26). De inleiding, zo glorieus begonnen met Gods scheppingsverhaal, en zo treurig vervolgd in de reactie van de mens, eindigt met wat een sprankje hoop lijkt: ‘Toen begon men de naam van JHWH uit te roepen’ (Genesis 4,26).

Na de inleiding is het boek Genesis in te delen aan de hand van de opschriften, die telkens over ‘verwekkingen’ (Hebr.: toledot, Gr.: genesis) spreken: die van Adam (Genesis 5,1-11,26), Terach (Genesis 11,27-25,18), Isaak (Genesis 25,19-37,1) en Jakob (Genesis 37,2-50,26). De wijze waarop over deze verwekkingen wordt verteld, maakt duidelijk dat het voortdurend gaat om de zoon die zich als eerstgeborene zal manifesteren.

De wording van Israël: belofte van land en zoon

In de verwachting van de eerstgeborene drukt Israël vanaf dit begin van de Bijbel zijn hoop op de komst van de Messias uit. Genesis vertelt geen terugblikkende geschiedenis over het ontstaan van Israël, maar is bedoeld als profetische geschiedschrijving, die Israël aan zijn roeping herinnert. Het centrale thema van het boek is deze roeping of ‘wording’ van Israël. Deze naam klinkt voor het eerst wanneer Jakob met de engel vecht (Genesis 32,28). Maar dit thema wordt al voorbereid door de nadruk die op de geboorte van de eerstgeborene wordt gelegd, zowel in de ‘geslachtsregisters’ (bijv. Genesis 5,1-32) als in de verhalen over de aartsvaders en -moeders.

Jakob en Esau: de mens en zijn broeder

Wie is de eerstgeborene van aartsvader Isaak? Als Rebekka zwanger is van haar tweeling, spreekt JHWH: ‘De ene natie zal zich sterker tonen dan de andere, de sterke zal de zwakkere dienen’ (Genesis 25,23). Deze omkering van wat natuurlijk lijkt, bepaalt de verhalen over Jakob en Esau. Jakob, die als tweede uit de moederschoot tevoorschijn komt, steelt het eerstelingschap van zijn broer Esau (Genesis 25,27-34) en vervolgens de zegen van zijn blinde vader (Genesis 27,1-41), waarna hij moet vluchten naar zijn oom Laban in Charan (Genesis 27,42-28,5).

Deze verhalencyclus is in te delen aan de hand van de plaatsen waar Jakob zich ophoudt: Kanaän (Genesis 25,19-28,9); Betel (Genesis 28,10-22); Charan (2 Genesis 9,1-32,1); Machanaïm-Pniël-Sukkot (Genesis 32,2-33,20); Kanaän (3 Genesis 5,1-28). Dit is een concentrische opbouw, waarbij Jakobs verblijf in Charan het middelpunt vormt. Het gedeelte over het verblijf in Charan is zelf ook concentrisch opgebouwd:

  • Jakobs aankomst (Genesis 29,1-14)

    • Zegen die hem ten deel valt: zijn beide vrouwen Lea en Rachel (Genesis 29,15-30).

      • De twee vrouwen komen in hun strijd om Jakobs liefde, uitgedrukt in het baren van kinderen, tot een vergelijk (Genesis 29,31-30,24). In dit middelste midden van de Jakobcyclus geven de zusters de broeders het voorbeeld hoe men in vrede met elkaar kan leven.

    • Zegen die hem ten deel valt: een grote kudde vee (Genesis 30,25-43).

      • De voorbereiding van zijn vertrek (3 Genesis 1,1-32,3).

De ‘enige dagen’ van het verblijf bij Laban waarover zijn moeder Rebekka sprak (Genesis 27,44), zijn ‘twintig jaar’ geworden (Genesis 31,41). In die tijd heeft JHWH niet alleen Jakob gezegend, maar ook Esau (Genesis 33,9). Gods zegen blijkt niet exclusief voor Israël te zijn, maar via Jakob-Israël ook voor de broedervolkeren. Jakob die met zijn bedrog de haat van zijn broeder uitlokte, moest in ballingschap gaan, maar keert dankzij Gods zegen terug als Israël met de volheid van twaalf zonen.

Jozef en zijn broers

In de Jozefcyclus gaat het over wie de gezegende onder de broeders is. Daarmee krijgt Israëls verwachting van de komst van de Messias een pregnante toespitsing: ‘Zijt gij het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?’ (Lucas 7,19). Wie is de koninklijke bevrijder van Israël?

Ook het Jozefverhaal laat zich indelen aan de hand van de verplaatsingen. Deel een speelt in Kanaän en voert naar Egypte (Genesis 37,2-37,36). Deel twee behandelt Jozefs verdere gang, via Potifars huis en de gevangenis tot zijn verheffing door Farao, waardoor hij ‘door het hele land Egypte’ kan gaan (Genesis 39,1-41,46). Deel drie beschrijft de zeven jaren overvloed en de eerste twee jaren hongersnood (Genesis 41,47-45,28), die leiden tot twee tochten van Jozefs broers naar Egypte om graan te kopen. Met listen die vader Jakob bedacht zou kunnen hebben, zet Jozef Simeon gevangen en dreigt hij Benjamin tot dienstknecht te maken. Nadat Juda zichzelf als plaatsvervanger voor zijn kleinste broer heeft aangeboden (Genesis 44,18-34), maakt Jozef zich bekend en volgt de verzoening van de broers (Genesis 45,1-15). In deel vier daalt het hele huis van Jakob via Berseba af naar Egypte, gaat in het land Gosen wonen en wordt daar vruchtbaar (Genesis 46,1-47,27). Deel vijf behandelt de dood van Jakob, nadat die Jozefs kinderen en zijn eigen zonen heeft gezegend, en de dood van Jozef zelf, in Egypte (Genesis 47,28-50,26).

Koninklijke bevrijder

Op het eerste gezicht lijkt Jozef de gezegende onder de broeders, die ondanks (of dankzij?) hun tegenwerking Jakobs huis én het Egyptische volk met succes door de hongersnoodtijd heen leidt. Bij de verzoening met zijn broeders spreekt hij: ‘Niet jullie hebben me hierheen gestuurd, maar God, die me tot vader voor Farao maakte, tot heer over heel zijn huis, tot heerser over heel het land Egypte’ (45,8). Hiermee citeert Jozef themawoorden uit het hele verhaal: ‘vader’, ‘heer’, ‘huis’, ‘heerser’. Maar wat hij niet over zichzelf zegt, is opvallender: hij vermijdt het woord ‘koning’. In Genesis 37,8 verweten zijn broers hem immers deze pretentie te hebben, maar zelfs bij de beschrijving van alle eerbetoon door Farao wordt dit woord zorgvuldig vermeden (Genesis 41,38-46). Betekent dit misschien dat er in het verhaal iemand anders als koninklijke bevrijder in Israël optreedt? De zegen van Jakob over Juda is traditioneel als messiaanse voorzegging geïnterpreteerd (Genesis 49,8-12). Daar wordt gezegd: ‘voor jou buigen zich de zonen van de vader.’ Dat werkwoord ‘zich buigen’ komt verder in het verhaal nog acht keer voor: drie keer in Jozefs dromen (Genesis 37,7-9), bij de ontmoetingen van de broers (Genesis 42,6; 43,26.28) en bij het afscheid van Jakob (Genesis 47,31; 48,12). Jozefs zorg voor het huis van zijn vader én en passant voor Egypte wordt bekroond in de belofte dat allen zich zullen buigen voor Juda, die voorkwam dat Jozef door zijn broeders werd omgebracht (Genesis 37,26) en instond voor de kleinste van zijn broers (Genesis 43,8-9; 44,18-34).

Israël in en uit Egypte

Het Jozefverhaal vormt de afsluiting van het boek Genesis en de opmaat voor wat in Exodus verteld zal worden: de uittocht uit Egypte. ‘Dit zijn de namen van de zonen van Israël die in Egypte kwamen’ (Genesis 46,8) wordt herhaald in Exodus 1,1, en elders wordt de uittocht aangekondigd (Genesis 46,3-4; 48,21; 50,24). De boeken zijn aldus aan elkaar verbonden.

De Godsnaam JHWH komt opvallend weinig in het Jozefverhaal voor: drie keer in hoofdstuk 38 over Juda en Tamar, een intermezzo in dit verhaal; acht keer in hoofdstuk 39, waar JHWH Jozef zegent en succesvol laat zijn; één keer in Genesis 49,18; in totaal twaalf keer. Het verhaal toont dat JHWH Jozef in de ellende die hem overkomt – veroorzaakt door zijn broers – niet verlaat, maar zegent en succesvol laat zijn. Zo zal JHWH ook de twaalf zonen van Israël tijdens hun verblijf in het land van hun vreemdelingschap (Genesis 37,1; 47,9) niet verlaten, maar met hen mee afdalen en opgaan (46,4). Het Jozefverhaal geeft dus niet alleen antwoord op de vraag hoe Israël in Egypte terechtkwam, maar verkondigt bevrijding aan de generaties na Jozef.

Liturgisch kader

De perikopen uit de Jakob- en Jozefverhalen in het alternatieve leesrooster worden gelezen in de herfst. De kerkelijke vieringen naderen dan het einde van het liturgische jaar. Daarmee ziet de christelijke gemeente of parochie zich gesteld voor vragen die ook in deze verhalen meespelen: gaan we een einde tegemoet, waarin broeders en zusters tegen elkaar opstaan en elkaar ten dode toe beconcurreren? Wat betekenen voor ons bijbelse begrippen als ‘huis’, ‘vader’, ‘heerser’, ‘koning’? Wie is mijn broeder, mijn naaste? Kan ik vertrouwen op het verbond dat JHWH met zijn volk gesloten heeft? Hebben wij de (weder)komst van de Messias te verwachten? De perikopen bieden voldoende stof om behoedzaam antwoorden te formuleren. En wie weet, komt Hij te middernacht.

Literatuur

K. Deurloo, W. Veen (red.), De gezegende temidden van zijn broeders. Jozef en Juda in Genesis 37-50, Baarn 1995.

Th.J.M. Naastepad, Jozef. Uitleg van Genesis 37-50, Baarn 2002.

< Terug